MOZES EN JEZUS ¹)
Onder deze titel publiceerde Dr. H. Schroten een studie over de verzoening. De oorsprong van dit boek ligt in een lezing voor de C.S.F.R. over: Openbaring en Verzoening. Mede onder invloed van een inspirerende discussie heeft Dr. Schroten een en ander uitgewerkt tot dit boek. Hij kondigt het aan als „hulp voor de bijbellezer".
In de inleiding geeft hij verhelderende opmerkingen over Tenach, Wet, Profeten, Geschriften. Het woord thora wordt verklaard. De taal, waarin God tot ons spreekt, is de mensentaal.
In hoofdstuk II gaat hij breed in op het woord van Jezus: Mozes heeft van Mij geschreven. Hij concentreert dit woord op Ex 25 : 40. Ziet toe, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u op de berg getoond werd. Dit voorbeeld was Christus, die komen zou.
De schrijver toont aan, dat dit inhoudt: God wil wonen bij Zijn volk; het volk mag niet ingaan; de priesters vertegenwoordigen het volk; het offer wordt gebracht in de voorhof; de priesters doen dienst in het heilige; de hogepriester in het heilige der heiligen.
Stuk voor stuk worden deze handelingen op Christus overgebracht, evenals de voorwerpen in het heilige en in het heilige der heiligen. Daarin bedrijft Dr. Schroten exegese en geeft hij opening van de Schrift, die verrassend is. Op vele schriftplaatsen valt nieuw licht. In de verklaring hanteert hij het gehele Nieuwe Testament, voornamelijk de brief aan de Hebreeën. Met klimmende verwondering heb ik dit hoofdstuk gelezen. Het is schriftverklaring van de beste soort.
In hoofdstuk III komt de verzoening in de thora aan de orde. Uitvoerig gaat hij in op de grondwoorden, die in de thora worden gebruikt. Verzoenen is bedekken en wegwissen. Daarbij komt de handoplegging ter sprake. Telkens komt de schrijver op de betekenis ervan terug (blz. 44, 68 e.v.; 92 e.v.) Hij noemt de verschillende betekenissen: vereenzelviging, overdracht, plaatsvervanging. Hij kiest niet. Het is niet of-of, maar èn-èn. Dat laatste bestrijd ik niet. Maar Dr. Schroten weet zeer goed hoe bitter er van bepaalde zijde in de „Commissie voor Verzoening" gestreden is tegen de betekenissen: overdracht en plaatsvervanging. Wanneer de auteur dan ook telkens weer een beroep doet op het mysterie-karakter van de verzoening en waarschuwt tegen het verstandelijk doorschouwen van dit mysterie, dan blijft dit mysterie staan, ook wanneer wij op grond van de Thora èn van het N.T. zeer duidelijk stellen, dat óók de overdracht èn de plaatsvervanging behoort tot de geopenbaarde dingen.
Wanneer hij dan ook schrijft, (blz. 69) dat de thora dit niet nader verklaart, dan verschil ik van hem in zake de verklaring van de handoplegging op de Grote Verzoendag.
Dit doet niets af van de noodzaak van de belijdenis der zonden, die bij de handoplegging plaats vindt. De handoplegging is wel terdege een deel hebben aan het offer. Daarom begrijp ik de opmerking niet, die de auteur op blz. 68 maakt, dat de thora het offer, voor ons gebracht, als een objectief gebeuren buiten ons om niet kent. Wie beweert dit? Integendeel! Waar èn vereenzelviging èn overdracht èn plaatsvervanging samen verbonden worden, is er toch de innerlijke beroering? Hoe zou dit anders kunnen?
In het vervolg van hoofdstuk II behandelt hij de zonden uit zwakheid (zonder opzet). Deze zouden blijken heel ruim genomen te zijn. Ook de valse eed valt er onder. Daarvoor zijn de offers. Er is echter een grens. De zonde met opgeheven hand wordt niet vergeven. Denk aan de zonde tegen de Heilige Geest in het Nieuwe Testament.
Daarna volgt een bespreking van het ritueel op de grote verzoendag met de N.T. parallellen.
De verzoening blijkt èn Aaron èn de priesters èn het heiligdom èn de zonden van het volk te omvatten.
Het verband tussen verootmoediging en vergeving wordt sterk gehandhaafd.
Het strenge verbod om bloed te eten geeft de auteur aanleiding breed in te gaan op de betekenis van de nèfèsj (de ziel, het leven, het levensbeginsel). Van daaruit wordt de ergernis der Joden tegen het eten en drinken van het vlees en bloed van Christus (Joh. 6) duidelijk.
God geeft het bloed op het altaar (Lev. 17:11). De auteur schrijft, dat niet het bloed zonder meer verzoening bewerkt, maar door middel van de ziel, het levensbeginsel: de gehoorzaamheid en de wil van God.
Dr. Schroten legt alle nadruk op de actieve gehoorzaamheid van Christus. En de passieve? Het lijdelijk ondergaan van de straf? Dit staat in de schaduw. Dit standpunt werpt zijn schaduwen vooruit op wat straks komt.
Hoofdstuk IV geeft een schets over „De Verzoening bij de Profeten". Het is de grote verdienste van dit en andere hoofdstukken, dat de schrijver de vijf boeken van Mozes als de grondslag van de openbaring erkent. Hij wil niet weten van een voortgaande openbaring. De profeten willen terug tot de thora. Het is:
Wet en Profeten en niet omgekeerd.
De profeten strijden niet tegen de offers, wel tegen de misvatting, dat men offers brengt inplaats van de gehoorzaamheid. Dit wordt aan Saul en de psalmen geillustreerd.
Het valt op, dat de schrijver enerzijds (terecht) strak het verband handhaaft tussen schuldbelijdenis èn vergeving en anderzijds polemiseert tegen het gunstig stemmen van God (heidens). Hier dienen wij m.i. wel te onderscheiden. Het zal waar zijn, dat er een grote heiden in ieder van ons steekt. De heiden wil God tot genade bewegen. In de bijbel is het omgekeerd: God beweegt de mens.
Maar geeft dit de schrijver recht zo eenzijdig er op te hameren, dat niet de HERE verzoend kan en moet worden, maar alleen onze zonden?
Hier deint het duel tussen Prof. Dr. van Ruler èn Dr. Schroten, gevoerd in de synode, na. Zonder dat er namen genoemd worden blijkt duidelijk, dat Dr. Schroten pijnlijk getroffen is door de m.i. gerechtvaardigde kritiek van Prof. Dr. van Ruler op het eerste rapport van de commissie. Ik kan er niet aan denken dit alles op te halen. Het geheel heb ik proberen samen te vatten in mijn bundel: „De Prediking der Verzoening", uitg. Zuyderduyn te Woerden.
Bij Dr. Schroten vinden wij een hardnekkig verzet tegen de gedachte, dat God verzoend moet worden (blz. 100). Dit keert bij de bespreking van de verzoening in het Nieuwe Testament terug. Alle nadruk valt op de hoofdlijn: Gods liefde gaf het offer. De andere lijn: het offer wordt gebracht voor het aangezicht van God en heeft een — door God Zelf verleende — „invloed" op Hem komt niet te voorschijn. Ik ga hier alle — door o.a. Prof. Lekkerkerker — genoemde schriftplaatsen, die daarop betrekking hebben, uit het Oude èn Nieuwe Testament niet opsommen. In deze schriftplaatsen is wel terdege sprake van een zich opofferen van Christus voor God. De spits der verzoening is niet alleen op de zonde gericht, maar ook op God.
Dr. Schroten blijft bij de eerste lijn staan. Helaas. Alle vermaningen tegen rationalisme en uiteenrafelen; alle oproepen tot respectering van het mysterie, tot aanbidding, tot eerbied; alle onderwijs in de versluiering van de openbaring — hoe waar ook — slaan niet aan, wanneer deze tweede lijn ontkend wordt.
Natuurlijk hangt deze opvatting samen met de Godsleer, met de verhouding van liefde en toorn, genade en recht.
Dr. Schroten benadert alles vanuit het verbond Gods met Abraham. In het verbond zit alles, zo schrijft hij. En dat is juist, mits het verbond het werkveld is en blijft van de drie enige God. Nu valt het mij op, dat de toorn Gods in het verbond zo weinig spanningsvol met de liefde verbonden is. Het gaat mij niet om de verzelfstandiging van enige eigenschap, maar om de spanningsvolle betrokkenheid van de toorn en de liefde op God zelf, op de Middelaar.
Ook valt op, dat de toorn Gods zich niet alleen binnen het verbond manifesteert, maar ook er buiten (Rom. 1 en 2). Dit komt in dit boek niet uit. Daardoor gaat een diepte o.a. van de Romeinenbrief teloor en komen de noties van het straflijden van Christus, het vrijkopen, het losgeld, het rantsoen, het dragen van de toorn Gods van Christus zo weinig door. Zij worden hier en daar genoemd, maar zij functioneren niet in het geheel.
Er wordt een uitvoerige verklaring gegeven van uitdrukkingen als het stillen van de toorn Gods, zoals Calvijn en de N.G.B, deze uitspreken. Het worden on eigenlijke spreekwijzen genoemd. Calvijn zegt dat ook: aangepast aan ons begrip. Maar even verder zegt hij: zij zijn daarom niet minder juist.
Kort samengevat: Wat is er bijbels op tegen om te zeggen, dat Gods liefde Christus als Plaatsvervanger gaf en dat Christus het oordeel, de straf, de dood in alle gestalten droeg?
Intussen heb ik hoofdstuk V reeds in de bespreking betrokken: „De Verzoening in het Nieuwe Testament". Daarin staan vele treffende dingen. In het laatste hoofdstuk komt 2 Cor. 5 uitvoerig ter sprake.
Tenslotte stelt Dr. Schroten de vraag of het niet nodig is een nieuwe catechismus op te stellen. Hij vindt een nieuwe catechismus met een opzet vanuit het verbond noodzakelijk. In de Heidelberger Catechismus zit het verbond wel, maar het is niet het centrale uitgangspunt.
Bij het opstellen van een nieuwe catechismus zal blijken — zo vervolgt de auteur — of wij met de exegese wel op de goede weg zijn en of wij niet tot een nieuw onderzoek van de thora moeten komen. Daarbij kunnen de werkhypothesen van de bronnensplitsers mogelijk diensten bewijzen, maar de kerk heeft te maken met de vormgeving van de „redacteur", dat is met de bijbel, zoals die voor ons ligt.
Zeer actuele vragen komen dan aan de orde: de verkiezing van Israël, het doordenken van liturgische vragen, het gesprek Rome-Reformatie, enz.
Niemand beweert, dat de Heidelberger Catechismus alles uitputtend heeft behandeld. Dat wist ook Kohlbrügge. Dit verhinderde hem niet op zijn sterfbed tot zijn leerlingen te zeggen: „De eenvoudige Heidelberger, mijn kinderen, houdt U daaraan".
Wie belet ons „het meerdere licht", dat wij nu hebben in de prediking te laten uitstralen? Niemand. Maar het goud, dat de Catechismus opdelft vanuit de Schrift, flonkert tot op deze tijd. Wanneer er kortsluiting gesignaleerd wordt tussen de Heid. Catechismus en deze tijd, is er alle aanleiding de vraag te stellen of de vervreemding van sommigen van de Catechismus niet het gevolg is van de vervreemding van de Schrift. En dan zou het middel erger dan de kwaal zijn.
Dit doet niets af van de noodzaak van het onderzoek der Schriften, ook niet van de thora. Laat dat voortgaan!
Samenvattend mogen wij zeggen, dat deze studie van Dr. Schroten waard is om doorploegd te worden. Er staan zeer verrassende dingen in. Hij heeft ernst gemaakt met het woord van Christus: Mozes heeft van Mij geschreven. Laten wij dit werk benutten.
Dat deze studie, die ik aanvankelijk met klimmende verbazing las, desniettemin mij teleurstelde, ligt naar mijn mening hieraan, dat Dr. Schroten zich niet radicaal gedistantieerd heeft van het eerste rapport van de commissie voor de verzoening. Dit rapport had — terecht — een slechte ontvangst op de synode. Het zal altijd wel moeilijk blijven van één van onze eigen „kinderen" afscheid te nemen. Iemand zei eens: Ook al is ons kind mismaakt, wij vinden het toch lief.
Maar nu in ernst. Onze pennevruchten dienen Gods Woord te vertolken. Wanneer ik één van de woorden van Dr. Schroten, dat hij telkens gebruikt, mag aanhalen: „Is dit alles? ", dan antwoord ik: „Neen, dat is niet alles!" Er is meer, zonder dat het mysterie geschonden wordt.
K.a.Z. G.B.
¹) Dr. H. Schroten, Mozes en Jezus, ing., 195 blz., prijs ƒ 13, 75, Kok-Kampen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's