De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE KONING LEVE.....!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE KONING LEVE.....!

8 minuten leestijd

En hij zal leven. Psalm 72 : 15a.

Een nieuwe koning heeft in Israël de troon bestegen. Door recht van geboorte is hij koning geworden, want hij wordt „de zoon des konings" genoemd, de rechtmatige erfgenaam van de macht en de heerhjkheid van zijn vader. Uit het opschrift van Psalm 72 blijkt niet wie er de dichter van is. Want „voor Salomo", zoals de Statenvertaling leest, is ook met Calvijn en andere te vertalen door „van Salomo". „Omdat echter — zegt Calvijn — aan het einde gezegd wordt dat dit gebed het laatste was der gebeden van David, is het waarschijnlijk, dat hij er de auteur van is geweest. Het kan óók wezen dat Salomo zijn opvolgers de wens van zijn vader in dichtmaat heeft overgebracht, opdat hij door het volk beter gekend en gezongen zou worden". En dan neigt Calvijn, na alles wel overwogen te hebben, graag tot de gissing dat de gebeden die David stervende heeft opgezonden, door zijn zoon Salomo geredigeerd werden in de vorm van een Psalm. Zo beluistert hij in Psalm 72 een kroningslied van David die ten behoeve van zijn zoon Salomo afstand gedaan heeft van de troon. In ieder geval is Psalm 72 een Messiaanse psalm, waarvan we wortels terugvinden in 2 Sam. 7, waarin de Heere aan David beloofde: „Doch uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid". Want al zingend tekent de dichter door de Geest des Heeren een beeld, waarin menselijke en messiaanse trekken dooreen worden gemengd en een koningsgestalte wordt getekend wier heerlijkheid verre uitgaat boven die van Israels uitnemenste koningen.
Dienovereenkomstig lezen we in de St. vertaling boven Ps. 72: „David bidt, kort voor zijn dood, voor Salomo, en voorzegt een zeer gezegende en gelukkige staat van zijn koninkrijk, als zijnde een voorbeeld van het koninkrijk van Christus, over welks eeuwigheid, uitbreiding, heerlijkheid en genaderijke staat hij zich ten uiterste door het geloof verheugt, besluitende met een hartelijke dankzegging".
Hoe duidelijk komt dat ook tot uiting in de woorden: en hij zal leven". Dat kunnen we zo maar niet van een aardse koning zeggen. De apostel Petrus sprak in zijn pinksterprediking van koning David dat hij beide gestorven en begraven is, en dat zijn graf onder ons is tot op deze dag. En van koning Salomo lezen we dat hij ontsliep met zijn vaderen en dat ze hem begroeven in de stad van zijn vader David. En ook onze koningin Juliana, wier verjaardag we gisteren mochten gedenken, beklom de troon om ze op Gods tijd weer te verlaten. We zingen wel: leve de koningin!", d.w.z. „de koningin leve", maar ook zij gaat eenmaal sterven. Ja, wij zijn allen door de zonde aan de dood onderworpen. Ook op ons is van toepassing wat de profeet Jesaja tot koning Hizkia zei in naam des Heeren: Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven en niet leven!" Gij zult sterven! Maar kunnen we sterven? We weten de dag van onze dood niet en zijn zo geneigd aan ons eigen graf voorbij te zien. Sterven is God ontmoeten, gedagvaard worden door de heilige God, Die rechtvaardig oordeelt. Bent u reisvaardig? Wie sterven kan? „Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft, de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode". (Rom. 6 : 8—10).
Als de zonde ons nooit de dood werd, neen, dan zullen we niet leven, maar eeuwig sterven. En dat, terwijl de dood verslonden is tot overwinning! Want hoor maar: „en Hij zal leven!" Neen, de satan wilde dat niet. En de wereld wilde het ook niet. Ook nu nog niet. Ze verlangden en verlangen de dood van de Zoon van God, in ons vlees geopenbaard als de grote Davidszoon, Die Davids Heere is. Weg met Hem! Kruis Hem! Jezus moet niet op de troon, maar in het graf. Het mag een nieuw en mooi graf zijn, maar dan verzegeld en met een wacht er voor! Jezus mag niet leven. Hij zal en moet sterven.
Maar wat de satan niet wil en de wereld niet wil, dat wil Zijn Vader. Hij zal leven! Dat heeft Hij als Zijn onveranderlijk voornemen vast en bondig gemaakt in de Schriften, die spreken van Zijn opstanding en verheerlijking. Hij zal de dagen verlengen als Zijn ziel zich tot een schuldoffer zal gesteld hebben. Ja, dat is het recht van de Zoon des konings! Hij zal leven, omdat Hij het verdient. Als een koning in ballingschap heeft Hij immers op deze aarde als schuldbetalende Borg voor de Zijnen aan Zijn Vader voldoening geschonken door alle gerechtigheid te vervullen.
Een koning in ballingschap.
Onze vorige koningin, koningin Wilhelmina is ook in ballingschap geweest. Verdreven van de troon, uitgeweken uit het vaderland, niet omringd door haar eigen volk en niet „thuis" in haar paleis, maar eenzaam onder een vreemd volk.
Anders, erger, oneindig vreselijker was de ballingschap van Koning Jezus.
Aan koningin Wilhelmina in ballingschap werd welwillend een plaats in Londen gegeven. Maar Hij is gekomen tot de Zijnen en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
Wij willen niet dat Deze over ons Koning zal zijn. De zonde der wereld is onze zonde. Smartelijk, maar heilzaam aan die zonde ontdekt te worden. „Hij zal niet leven, maar sterven!" Nooit wisten we dat dit ons bestaan was. Ja, dat maakt ons vloekwaardig. En Hij is ook gestorven in Zijn ballingschap. Zie naar Golgotha, waar we in plaats van een troon een kruis vinden. Daar werd deze diep vernederde Koning in ballingschap zelfs van Zijn Vader verlaten. Want de Vader verborg in de openbaring van Zijn heilige toorn over onze zonden Zijn aangezicht voor Zijn heilig Kind Jezus. Hij zal niet leven, maar sterven!
Een zondaarsvolk dat de Heere Zich doet overblijven als een volk in ballingschap, als een ellendig volk, als een arm volk, vindt door het geloof daarin nu juist het leven. Het belijdt in het graf van zijn ballingschap de dood verdiend te hebben. Het hoort in Gods gericht het oordeel van Zijn wet in het diepst van zijn binnenste. Die wet zegt: „doe dat en ge zult leven!" Maar we doen de wet niet. We overtreden haar. Daarom zegt die heilige wet van God nu wat anders: Gij zult niet leven, ge zult sterven! Want vervloekt is een ieder die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen.
O, als er nu geen schuldbetalende Borg was. Dan was alles verloren. Maar zie, nu bidt Hij voor zulke zondaren dat ze niet verloren gaan. Hij heeft immers voor hen alle schuld betaald en alle vloek gedragen. En die voorbede is niet vruchteloos. Hoe zalig dit te ervaren als we biddend verzuchten: „Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond". Want dan ontvangen we de Heilige Geest, Die Hem door het Evangelie in ons verheerlijkt. Wat wordt deze Koning ons dan dierbaar in de vernedering van Zijn ballingschap. Want dat was om mijn zonden, om mijn schuld te betalen. Ja, maar wat wordt Hij ons dan ook dierbaar in Zijn verheerlijking, in Zijn opstanding en hemelvaart, in Zijn zitten op de troon aan de rechterhand van Zijn Vader. Hij heeft die troon beklommen om ze nooit meer te verlaten. Eeuwig bloeit de gloriekroon op 't hoofd van Davids grote Zoon. Hem is als Koning gegeven alle macht in hemel en op aarde. Hij zit op de troon ons ten goede, waar we onze schuldige hoofden buigen onder de schepter van Zijn genade. Beminnelijk Vorst, Uw schoonheid, hoog te loven, gaat al het schoon der mensen verre te boven! „O, mijn God, Gij Koning! ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altoos!" Want genade is op Zijn lippen uitgestort!
Hier bloeit het geloof en is de liefde Zijn banier over ons. Dat kan ons hart nooit ledig laten. Het wordt in ons kroningsfeest, Koningsdag en Koningsfeest. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij! Hij heeft ook daar de troon beklommen om haar nooit meer te verlaten.
Hebt u zo feest gevierd?
„Zo moet de Koning eeuwig leven!", bidt elk met diep ontzag. En vieren we zo feest?
Hij heeft o God van U begeerd
Het onvergankelijk leven.
Gij hebt het Hem gegeven.
Zo zijn de dagen Hem vermeerd,
Zo leeft de Vorst altoos,
Zo leeft Hij eindeloos. (Ps. 21 : 4).
B.                                                             J. H. C.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE KONING LEVE.....!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's