Revolutie en evangelie
I
Achtergronden
Wie momenteel zijn krant goed leest en daaromheen ook nog eens wat anders leest, bemerkt hoe de laatste tijd het woord revolutie allerwege opduikt. Op zichzelf is dit onderwerp zeer gecompliceerd.
In de loop van de tijd zijn er heel wat revoluties geweest, waarvan sommige een verbetering en andere een verslechtering van de maatschappelijke toestand tot gevolg hadden. In Europa hebben we gehad de bekende Franse revolutie. Rusland had zijn bekende revolutie van 1917. We kunnen ook denken aan de Boerenopstand ten tijde van Luther, toen velen die in de mijnen een armoedig bestaan leidden, of op het land onder zware lasten gebukt gingen, geprikkeld werden tot een omverwerpen van de bestaande maatschappelijke orde, opdat een rechtvaardiger verdeling van de aardse goederen tot stand zou komen. Met dit laatste is tevens al gezegd wat de inzet van vele zo niet de meeste revoluties is geweest in de loop van de geschiedenis, namelijk de strijd om een menswaardig bestaan, om een rechtvaardige verdeling van de aardse goederen.
Nu is op zichzelf deze inzet een bijbelse gedachte. De profeet Maleachi keert zich tegen degenen die het loon van de dagloners met geweld inhouden en die de weduwe, de wees en de vreemdeling het recht verkeren (Mal. 3 : 5). En Jacobus keert zich tegen degenen die het loon der werklieden, die hun landen gemaaid hebben, verkort hebben (Jac. 5 : 8) en hij zegt ervan dat het geschrei dergenen die geoogst hebben is gekomen tot in de oren van de Heere Zebaoth.
Daarom heeft ook Luther de spanning ervaren tussen enerzijds de gehoorzaamheid aan de wettige overheid en anderzijds de plicht van de overheid om gerechtigheid te oefenen. Want hoewel hij enerzijds ten volle de nadruk legt op de gehoorzaamheid aan de wettige overheid en als zodanig de Boerenopstand met krasse woorden veroordeelde, anderzijds deed hij ook uitlatingen die ervan getuigen dat hij met de handelwijze van de vorsten in zijn dagen ook niet direct gelukkig was. Enerzijds zegt hij: „Al hebben de vorsten verdiend dat God hen van de troon stoot, dat geeft de boeren geen recht tot opstand". Maar anderzijds zegt hij: „Het zijn de boeren niet die zich tegen u verzetten, lieve heren, het is God zelf". Enerzijds roept hij de vorsten toe wanneer de boeren in opstand gekomen zijn: „Dolle honden moet men doodslaan, slaat gij hen niet, dan slaan zij u en het hele land erbij". Anderzijds zegt hij wanneer de vorsten de opstand in bloed en tranen smoren: „Zulke bloedhonden geef ik over aan hun meester, de duivel; de demonen die in de boeren zaten zijn nu in de vorsten gevaren”.
Ook Calvijn heeft zich met de kwestie van de opstand tegen het wettige gezag bezig gehouden. Als geen ander heeft hij gehoorzaamheid aan de overheid gepleit, al liet hij ook telkens de keerzijde zien door te stellen dat de overheid moet opkomen voor het recht der onderdanen. De revolutie heeft hij in principe afgewezen, hoewel hij ook gezegd. heeft dat God soms op zichzelf ongeoorloofde opstanden gebruikt om slechte overheden door betere te vervangen. De zaak ligt dus — het zij nog eens gezegd — niet zo eenvoudig. Wat zijn wettige overheden? Tot hoever moet gehoorzaamheid aan de overheden gaan?
Hoe actueel overigens de kwestie van de revolutie wel is blijkt als we bezien hoe de situatie is in de landen van Latijns Amerika. En ook als we bedenken hoe in de communistische landen telkens contra-revolutionaire kiemen te signaleren zijn. We zien in zulke situaties hoe de zonde doorwerkt in de structuren van de samenleving.
Daarom blijft de spanning tussen gehoorzaamheid en opzeggen van de gehoorzaamheid een zaak die niet zo eenvoudig glad te strijken is. In onze geschiedenis levert de tachtigjarige oorlog daarvan ook een treffend voorbeeld. Ook wie vanuit de Schrift overtuigd is van de hoge waarde van het overheidsambt, zal beseffen dat veel regeringen handelen in strijd met hun opdracht en roeping.
Inmiddels moeten we echter wel bedenken dat revolutie in de huidige cultuursituatie veel meer inhoudt dan door de nood opgelegd verzet tegen onrecht en uitbuiting. De huidige revolutionaire tendenzen hebben vooral ook te maken met de crisis van het gezag en de drang naar mondigheid en inspraak van de moderne mens. Wanneer we denken aan de studentenrellen die zich als een olievlek over de diverse landen in het Westen uitbreiden, dan worden we geconfronteerd met de eigenlijke achtergronden van de huidige revolutionaire tendenzen. Er is een toenemende drang waar te nemen om te schoppen tegen de gevestigde orde, waarbij het schoppen doel op zichzelf schijnt te worden.
Theologie van de revolutie
De reden waarom we echter over dit onderwerp schrijven is gelegen in het feit dat allerlei theologen zich momenteel op het probleem van de revolutie werpen. En ons inziens in bedenkelijke zin, omdat naar het schijnt aan de revolutie per definitie een positieve functie wordt toegekend in Gods plan met deze wereld. En dat gaat verder dan begrip voor de hachelijke situatie waarin veel volken door het beleid van hun regeringen verkeren.
Ter illustratie willen we enkele gedachten weergeven uit een recent verschenen boekje „Theologie und Revolution" (uitgave Herbert Reich, Evangelischer Verlag, Hamburg), waarin professor dr. A. J. Rasker over de theologische benadering van de revolutie schrijft. Professor Rasker is kerkelijk hoogleraar vanwege onze Nederlandse Hervormde Kerk en als we bedenken dat op de laatstgehouden synodevergadering uitvoerig gediscussieerd is over een nota van de Raad voor Kerk en Samenleving over de revolutie, een nota waarin dezelfde lijnen worden getrokken als door professor Rasker in dit boekje wordt gedaan, dan lijkt het ons van belang aan deze zaken aandacht te besteden.
Het eerste uitgangspunt in het genoemde boekje is de apostolaatsgedachte. De kerk is een functie van het apostolaat (de zending van Christuswege in de wereld). Het is God namelijk in de eerste plaats om de wereld en pas in de tweede plaats om de kerk te doen. Daarom komt de kerk vanuit haar apostolaatstheologie met de revolutie in aanmerking.
Maar dan wordt de revolutie ook als een positief verschijnsel gezien. Een en ander wordt bij voorbeeld geïllustreerd door te wijzen op de roeping van Abraham uit Ur en de uittocht van Israël uit Egypte. Dit zouden oerbeelden van de revolutie zijn en als zodanig voorbeelden voor de kerk van vandaag.
In de tweede plaats fundeert Rasker het legitieme van de revolutie in het wezen van God. God is de God die veranderingen wil, niet het bestaande. Hij grondt dit onder andere op Jesaja 43 : 19: ziet, ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult gij lieden dat niet weten? Ja, ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis.
In dit verband wordt ook de prediking van Jezus genoemd. Gods drang naar verandering zoals die in het oude testament naar voren komt wordt nieuw-testamentisch zichtbaar in de prediking van Christus en vervolgens ook van de apostelen. Daarbij worden kernwoorden uit de prediking van Christus en de apostelen omgeduid tot ethische, sociaal gerichte moties. Dat is bijvoorbeeld het geval met woorden als bekering (metanoia), roeping, verkiezing, wedergeboorte, vernieuwing door de Heilige Geest, hoop, liefde, gerechtigheid en barmhartigheid. Al deze woorden worden gevuld met een aards gerichte inhoud.
Ook de Heilige Geest, die de geschiedenis voortstuwt, wordt gezien in het licht van Gods drang naar verandering, waarbij dan het Rijk Gods gestalte krijgt in aardse verbanden, door aards recht, aardse vrijheid, aardse vrede en door het scheppen van een nieuwe maatschappelijke orde.
Zo krijgt de revolutie bij Rasker een wettige fundering in het wezen van God en als zodanig bepleit hij dat de kerk zich aan de zijde van de vernieuwing moet plaatsen en niet aan de kant van de gevestigde orde.
In dit licht bezien worden de Reformatoren Luther en Calvijn, als ook Groen van Prinsterer, als kampvechters van de bestaande orde getekend en als zodanig afgewezen. Ze hebben de behoefte aan sociale en politieke vernieuwing geloochend en de gelegenheid om in het voortschrijden van de geschiedenis een positieve kracht te zijn niet als een roeping van Godswege verstaan. Ook artikel 36 van de N.G.B. wordt daarom door Rasker afgewezen wanneer daarin gezegd wordt: En hierin verwerpen wij de wederdopers en andere oproerige mensen en in het gemeen al degenen die de overheden en magistraten verwerpen en de justitie omstoten willen, invoerende de gemeenschap der goederen, en verwarren de eerbaarheid die God onder de mensen heeft gesteld.
Tenslotte komt bij Rasker ook nog de verhouding tot het commimisme aan de orde, waarbij hij ook ingaat op het verschijnsel van de contra-revolutie zoals die in communistische landen soms de kop opsteekt. Hij ziet het Marxisme als gesprekspartner van het Christendom, vanwege de gemeenschappelijke strijd om de redding en toekomst der mensheid. Hij zegt dan ook: „Als we sympathie willen opbrengen voor het onderdrukte Tsjechische volk, is dat slechts in zoverre geloofwaardig als daar niet de heimelijke nevenbedoeling van uitholling van het communistische blok achter zit". De christenen in de communistische landen kunnen naar zijn mening vanuit de vrijheid die het evangelie hen schenkt, hun situatie verstaan en aannemen als een door God gegeven gelegenheid en roeping om in deze maatschappelijke ordening mee te arbeiden en de gemeenschap te dienen.
Tot zover de geachtengang van professor Rasker. Volgende week hopen we bij deze visie een aantal kritische kanttekeningen te maken.
H. J. v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's