DE PRIESTER EN ZIJN DIENST
„En een ieder priester stond wel alle dag dienende en dezelfde slachtofferen dikwijls offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen; maar Deze één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende . . .” Hebreen 10 vs. 11 en 12a.
Hemelvaart ligt in het verlengde van Goede Vrijdag. Wanneer Christus heengaat tot de Vader, heeft Hij het werk gedaan, dat Hem werd opgedragen. Hemelvaart is de kroon op het werk; hemelvaart roemt het volbrachte werk van Christus. Daarom is het zo vreemd niet, dat wij de gelegenheid waarnemen om nog eens bij dat werk stil te staan. Gaan we er niet al te gauw aan voorbij? Dat is toch echt de bedoeling niet; de brief aan de Hebreen heeft het er uitvoerig over, de schrijver kan er niet over uit!
Christus wordt vergeleken met de priesters onder het oude verbond. Hij wiep in hen zijn schaduw vooruit; welnu, Hij is het lichaam van de schaduw, als Hij heengaat, wordt alles vol. Want het is des Vaders welbehagen, dat in Hem al de volheid wonen zou.
De priesters. Het is een meervoud, het zijn er meer dan één, het zijn er heel veel. Ieder van hen staat dagelijks in de gewijde dienst, die de Here verordend had. De een deed dienst naast de ander; zij wisselen elkaar ook af; hoe zou één alleen, alle offers kunnen brengen. De een deed dienst na de ander; zij volgden elkaar ook op. Als een priester uitvalt, neemt een ander zijn plaats in, de dienst gaat door. Heeft een van hen voor het laatst geofferd, het laatste offer is het nooit. Dat bestaat eenvoudig niet onder het oude verbond. ledere dag, het staat nooit stil.
Dezelfde offers werden meermalen gebracht, naar het voorschrift des Heeren. Er is in de wet herhaaldelijk sprake van: gedurig, zelfs al zou geen mens iets tot het altaar brengen, werd er toch geofferd. Het morgenoffer en het avondoffer zijn daarvan het voorbeeld. Wie daar over nadenkt, vindt de dienst vermoeiend, benauwend eigenlijk. Kwam het dan nooit in orde met de ongerechtigheden, was de zaak van de zonden dan nooit aan de kant? Het bloed dat door het heiligdom gutst, wordt een brede stroom. Het voortdurende heeft iets van het vergeefse: die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen. Werkelijk wegnemen, zodat ze niet meer gevonden worden. Dat kan niet, want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt. De noodzaak van verzoening door voldoening, van plaatsvervanging, werd duidelijk aangetoond, maar de kracht om de zonden weg te nemen, ontbrak. Dat lag niet aan de priesters, zij deden hun plicht. Dat ligt aan dat: nimmermeer. Nooit of te nimmer was het offer definitief.
Wij staan daar wat vreemd bij te kijken; heel dat bloedig gedoe, en dan nog eindeloos. Het is dus een hopeloos werk, houdt er maar mee op. Wat mij betreft, hoeft het niet. De zonden? Waar de zonden genoemd worden, worden wij bij onze naam genoemd: zondaren. Zo spreekt God ons aan, wij zijn op deze naam niet gesteld, en zo wij die al dragen, tillen we er niet te zwaar aan. Zondaren zijn kinderen des doods, als de zonden niet weggenomen worden. Dat kunt u zien, bij het altaar, aan het dier dat leegbloedt. Er moet daarom iets aan gedaan worden. De priesters storen ons in onze rust: opzij, de dienst gaat door. En we gaan op zij, wel wat bezwaard over de zonden, die God blijkbaar zo ernstig neemt.
Zouden we zelf maar eens aan de slag gaan! Er zijn geen priesters meer, toegegeven; maar menigeen neemt de dienst op eigen gelegenheid waar. Voor wij het weten, staan we tussen de priesters en bij het altaar. Onze godsdienst is dan nauw verwant aan de dienst der verzoening onder het oude verbond. Ik bid, ik lees, ik luister, ik belijd, ik neem mij voor, ik . . . Even zoveel offers die ik breng. Wat verwacht u er van? Toch niet, dat het de zonde wegneemt? Nimmermeer! Het mag soms schijnen, dat het wat uithaalt, het is echter van korte duur. Wat 's ochtends bereikt wordt, is 's avonds weer mislukt. Wat worden we daar moe van, als we er tenminste echt mee bezig zijn. U zou er graag eens bij gaan zitten, maar dat staat de wet u niet toe. Het is niet om er bij te gaan zitten, het is om er mee aan de gang te blijven. Het is om er bij neer te vallen, en dan het vonnis te horen over al die drukte en heel die dienst: die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen.
Maar Deze! Draaien we niet langer om de zonde heen, keren wij ons tot Hem, Die uit de schare van priesters te voorschijn treedt, onze enige Hogepriester. Inderdaad, Deze, dat is er maar Eén. Niemand naast Hem, Hij kan het alleen wel af. Niemand na Hem; Hij sterft immers niet meer. Hij leeft in eeuwigheid.
Maar Deze. Het is net alsof wij uitgenodigd worden Hem onze volle aandacht te geven. Al die andere priesters zijn plotseling nergens meer te zien. Dat is waar ook; het is grote Verzoendag. Nooit was het stiller in het heiligdom als op die dag. De priesters moesten het heilige verlaten, als de hogepriester er binnen ging, met het bloed. Hij deed die dag alleen dienst. Zo doet Christus alleen dienst! Hij verwijdert allen, die Hem in de weg zouden lopen, en alles trekt zich samen op Hem. Machtige aanblik: Christus de enige Hogepriester. Mensen, ga toch aan de kant, daar komt Hij aan.
Maar déze heeft een slachtoffer voor de zonden geofferd. Weer dat: één, en met nadruk. De enige priester brengt het enige offer. Het grondwoord van de genade: Hij alléén. Dat zet ons er buiten, met al het onze. Daarom strijkt de genade de natuur tegen de haren in. Ik moet toch ook wat doen, ik moet van het mijne wat tonen? Eén slachtoffer voor de zonde; en dat heeft Hij gebracht. De verzoening der zonden is geen optelsom: die deed dat en die dat. Zij slaat uitsluitend op de noemer van Christus Jezus, en het getal dat hier heerst is: één.
Wat een offer is dat geweest; het werd niet meer herhaald, nooit meer. Het behoefde niet aangevuld en niet vervolgd te worden. Hij heeft zichzelf Gode onstraffelijk opgeofferd. Hij, de vorst des levens, ging in de dood. Hij heeft Zijn leven afgelegd, dat was het offer. De vlam van Gods toorn heeft Hem verteerd op het altaar van het kruis. En Hij offerde het niet voor zichzelf. Hij bracht het voor anderen.
Eén enkele offerande. Dat was voldoende, omdat het afdoende was. De zonden zijn er door weggenomen. Wat nimmermeer kon, kwam in één keer tot stand. Hallelujah, lof zij het Lam. De tekst is vol tegenstellingen, het is net een fijn geslepen edelsteen, waarin het licht fonkelt op ieder vakje en ieder kantje. Hoe heerlijk is toch dat priesterlijk werk van Christus. Alles zinkt, daarbij vergeleken, in het niet. Gelukkig maar, want alles kon niets klaar maken. Hij volbracht het. Hebt u het al uit handen gegeven? Het is gevaarlijk, om naast Christus en na Christus met eigen werk te komen aandragen, eigen offers te brengen. U doet daardoor te kort aan deze Ene. Het onze heeft geen recht en geen kracht, nu Hij het zijne heeft geofferd.
Hij vaart op ten hemel. Hij gaat in, in het heiligdom, niet met handen gemaakt, maar in de hemel zelve, om daar te verschijnen voor God. God aanvaardt Hem en Zijn dienst. Te verschijnen voor ons. Voor allen, die al doende. Hem in het oog kregen, en van schrik de dienst staakten. Van vreugde ook. Hem aanbidden. Hem de eer van Zijn naam geven. De enige naam onder de hemel tot zaligheid gegeven. Dat is hemelvaart vieren.
L. K.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's