De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

14 minuten leestijd

Jodenhaat in Polen
In het communistische Polen is de kleine joodse minderheid (15 a 20.000 op een bevolking van 30 millioen) weer het slachtoffer van de anti-joodse hetze. Het anti-semitisme steekt blijkbaar telkens weer de kop op. Niet alleen in Polen. Onlangs maakte „Trouw" melding van antisemitisme onder de negers in Amerika, Voorts denke men aan publieke opinie ten aanzien van het Israelisch-Arabisch conflict.
Men vraagt zich af: Vanwaar deze uitingen van anti-semitisme in een land als Polen? In „Hervormd Nederland" van 26 april schrijft Ds. S. P. Tabaksblatt (in 1902 in Polen geboren) over de achtergrond van dit Poolse anti-semitisme.
De schrijver wijst op de historie: De middeleeuwse kerk zag de Joden in Polen als een gevaar. Vandaar de opsluiting in ghetto's en de pogroms. Al te zeer was de kerk de trouwe dienares van de overheid om de gelovigen tegen de joden op te hitsen. De Poolse bevolking is in een proces van eeuwen vergiftigd door de jodenhaat. „Het antisemitisme is haar tot tweede natuur geworden", schrijft ds. Tabaksblatt. Daar heeft Hitler op een verschrikkelijke manier gebruik van gemaakt.
En daar maken de communistische machthebbers weer gebruik van. Moskou is immers bitter teleurgesteld in de houding van de staat Israël ten aanzien van het conflict Oost-West.
De tegenwoordige machthebbers in Moskou, die een zware strijd hebben te voeren tegen het China van Mao Tse Tung en de neigingen tot onafhankelijkheid van sommige communistische staten, laten hun misnoegen tegenover de staat Israël op ondubbelzinnige wijze kennen.
Dit laten zij blijken door openlijk partij te kiezen voor de Israël vijandige Arabische staten en een monsterachtige toerusting van deze in hun strijd tegen Israël.
Dat hun hulp voor de Arabieren niet veel baatte en dat Israël tot nog toe bij elk treffen met de Arabische landen die hulp voor zichzelf incasseerde, ligt de heren niet erg lekker. Israël is voor hen niet alleen een potentiële kracht die voor hen verloren is gegaan, maar tevens een macht waarop volgens hen het westerse blok kan rekenen.
In de strijd der machten zoeken zij hun woede tegenover de staat Israël te koelen niet alleen door openlijk de Arabische kant te kiezen, maar tevens een zgn. ideologische strijd te voeren tegenover het „Zionisme", dat de schuld voor het ontstaan van de staat Israël draagt . . .
In deze strijd ziet men elke jood als een potentiële Zionist. En aangezien men niet zomaar een oorlog tegen de staat Israël kan ontketenen, wordt een strijd gevoerd tegen de „Zionisten" in die landen waar zij voor de machthebbers in Moskou zijn te bereiken. In Rusland zelf worden de joden zeer in het oog gehouden. Bovendien is daar sinds de revolutie van 1917 reeds een derde generatie van joden geboren, die naar men mag aannemen van het „Zionisme" niet veel afweet, of niet wil weten.
Maar in de communistische satellietstaten is het nog niet zover. Daar zouden nog Zionisten te vinden zijn en dezen zijn een gevaar voor de communistische heilstaat. Tegen hen moet worden gestreden.
En nu is het merkwaardige: in geen der andere communistische landen is van een optreden tegen de joden iets te merken. Wel zijn er anti-joodse maatregelen in Polen! . . . Daar kan het anti-semitisme zich weer laten gelden. Daarbij is het aantal joden van geen belang. Het hoeven er geen drie-eneen-half miljoen te zijn. Daar zijn nauwelijks 20 duizend joden ook voldoende. Het zijn twintigduizend „Zionisten". Daarom: red het communisme en sla de joden! . . . Precies zoals het vroeger was: „sla de joden en red Polen!" Of, zoals het ook tijdens het tsaristische Rusland was: „bjee zjidow, spassaj Rossiejoe!" sla de joden en red Rusland! ...
Zo voert het tegenwoordige Kremlin een strijd tegen de joden daar waar zij kunnen worden geraakt — in Polen . . . De heren in het Kremlin weten, evenals Hitler en zijn nazi's het wisten, dat zij in Polen op de volledige medewerking van een antisemitische bevolking kunnen rekenen . . .

De diepste achtergrond
Dit opkomend antisemitisme is een schokkende zaak. In het orgaan van de Protestantse Unie „De Vrije Natie" van april jl. signaleert ook ds. Gerssen deze zaak. Waarom konden deze dingen zo snel terugkeren, vraagt hij? Zijn de joden alleen maar pionnen op het politieke schaakbord en waarom juist zij?
Men vraagt zich af hoe deze dingen zo snel weer konden terugkeren. Men had eerder kunnen verwachten, dat althans onze generatie met zo'n diep afgrijzen had kennis genomen van de misdaden van het Nazisme, dat men voorlopig een herleving van deze geest niet behoefde te vrezen. Het waren al te optimistisch te denken, dat Hitler het einde van het antisemitisme zou hebben bewerkstelligd, maar dat na hem tenminste een adempauze voor het joodse volk zou komen had men toch kunnen verwachten. De jodenhaat zit blijkbaar dieper in het menselijk hart dan wij zelfs hadden gedacht. Zelfs een vleugje redelijkheid schijnt daarbij geen kans te maken. Wie kan bewijzen, dat het handje vol joden, merendeels oudere mensen, dat in Polen is achtergebleven, een werkelijk gevaar zou kimnen betekenen voor het voortbestaan van de communistische staat? Is die staat dan zo zwak, dat deze boeman nodig is om hem te beschermen? Men schijnt ook te willen duidelijk maken, dat joden de hand gehad hebben in de „contra-revolutionaire" stroming in Tsjecho-Slowakije. Inderdaad: het is typisch joods om bezield te zijn door de hartstocht voor gerechtigheid en vrede in de samenleving. En in de strijd om deze waarden hebben zij vaak vooraan gestaan. Juist in de communistische wereld kan men dat weten.
Is men nu zover van het oorspronkelijk ideaal vervreemd geraakt, dat het hun nu als een misdaad in de schoenen geschoven kan worden? Of zijn de joden alleen maar pionnen die op het politieke schaakbord naar believen kunnen worden verschoven? En kunnen de machthebbers zich dat permitteren, omdat men het oproepen van het spookbeeld van „de joodse wereldmacht" toch altijd indruk maakt? Het blijkt in de praktijk duidelijk, dat wanneer men dit alleen maar anti-zionisme genoemd wil hebben daarmee in wezen de afkeer van de jood als zodanig worden gecamoefleerd. Dit zijn geen verschijnselen, die zich alleen maar in het Oosten voordoen. Waarom zijn allerlei links-georiënteerden permanent verontrust over wat aan het Westen kan worden verweten en blijkbaar nooit over wat in het Oosten gebeurt? Waarom worden wel betogingen gehouden tegen Griekenland en Portugal en bij mijn weten nooit tegen Polen en Irak? Is het uit de lucht gegrepen wanneer de joden deze zgn. genuanceerde beschouwingswijze als een gevaar beschouwen?
Toch: deze afkeer, deze onder telkens weer nieuwe namen terugkerende aversie van het joodse volk, is niet alleen maar raadselachtig. Het joodse volk wordt altijd als iets vreemd gezien. Dat heeft het gemeen met de God van Israël zelf. Hij wordt niet gevonden in de diepten van het menselijk hart, maar Hij komt vanuit zijn openbaring naar ons toe. En dat wordt door de natuurlijke mens met aversie ontvangen. En deze walging wordt op Israël, het volk dat alleen aan deze openbaring het bestaan te danken heeft, afgereageerd. Daarom zal het antisemitisme onder steeds nieuwe vormen voortduren zolang deze God geen erkenning in deze wereld vindt. Het joodse volk past immers in onze wereld net zo min als de God van Israël zelf. Het antisemitisme nope ons deze God, en geen ander, te aanbidden en te dienen.
Hier worden de diepste achtergronden aangeroerd. Zeker, wij zijn hier ook in het hart van vele vragen. Ze raken aan de theologische achtergrond van het bestaan van de staat Israël. Welke lijnen kan en mag men trekken vanuit het bijbelse getuigenis naar de huidige staat Israël? Sommigen pleiten voor een radicale scheiding. Israël is alleen maar een politiek fenomeen, dat met politieke maatstaven gemeten moet worden. Vanuit de Bijbel valt er niets over te zeggen.
Hoezeer we ook bedacht moeten zijn op al te vlotte conclusies vanuit bepaalde teksten naar de politieke realiteit, wij menen toch dat men het geding om Israël nooit los kan maken van de God van Israël, van Zijn geboden en beloften.
Juist het antsemitisme laat zien dat men met een simpele politieke verklaring niet uitkomt. Dat moge juist de gemeente van Christus, die in Israël is ingelijfd zich steeds weer voor ogen houden. Ons gebed vermenigvuldige zich: O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden!"

Pastoraal concilie over heden daagse geloofsbeleving
In het Geref. Weekblad (Kok. Kampen) van 18 en 25 april geeft Prof. dr. C. V. d. Woude een overzicht van de besprekingen op de vierde plenaire vergadering van het Pastoraal concilie. Ondermeer kwam het rapport over de hedendaagse geloofsbeleving ter sprake, en het rapport: „Vernieuwing van de geloofspraktijk in de kerk”.
Het is duidelijk dat dit geen zaken zijn, die alleen de Roomse kerk raken. Het gaat immers om de vragen van het geloofsleven in een wereld die al meer gestempeld wordt door het seacularisatieproces, een proces dat ook de kerken niet onberoerd laat.
Velen raken vervreemd van het geloof, terwijl ook de eredienst en het gebed hoe langer hoe meer in deze crisis betrokken raken. Het aantal van hen voor wie de uitingen van het kerkelijk leven geen betekenis meer hebben wordt steeds groter. Dat alles is in het rapport uitvoerig aan de orde gesteld. Prof. v. d. Woude schrijft in dit verband:
Een van de grondgedachten van het rapport was, dat er een veelvormigheid in de geloofsbeleving is. Er zijn gelovigen bij wie het intellectuele element overheerst, anderen bij wie geloven meer een praktische levenshouding is. Er zijn er die in geloof en liturgie grote waarde hechten aan continuïteit en herhaling, en anderen, die behoefte hebben aan steeds weer nieuwe prikkels en vormen. Er is verschil in gevoel voor „het mysterie". Sommigen bepalen zich tot de zichtbare wereld, anderen zien in elk gevaar en elke bloem reeds een openbaring van de „Onzienlijke". Ook in de houding t.a.v. het verleden en tegenover het gezag is allerlei verscheidenheid mogelijk, die weer aanleiding geeft tot verschil in geloofsbeleving.
Een andere factor, die tot verschil in geloofsbeleving kan leiden, is de gevoeligheid voor hedendaagse waarden. Ook het verleden heeft zulke waarden gekend en gelukkig is de waardering er voor nog niet verdwenen. Als zulke door het christendom geijkte waarden noemt het rapport „eerbied, trouw, zin van transcendentie, bestendigheid". Daarnaast zijn echter nieuwe waarden opgekomen, waardoor hedendaagse christenen zich sterk voelen aangesproken. Als zulke waarden werden genoemd solidariteit, die gevoelig maakt voor de oecumene en de verdeeldheid der kerk tot een pijnlijke ervaring maakt; verantwoordelijkheid, waardoor men soms op revolutionaire wijze zijn positie bepaalt ten aanzien van oorlog, ontwikkeling, rassendiscriminatie, revolutie; vrijheid, die bij de een leidt tot een zich losmaken van oudere taal en begrippen, vormen van eredienst en gebed, en omgekeerd een ander zal voeren tot een meer waarachtige trouw en bewuster kiezen voor de oude religieuze waarden; menselijkheid, die zich op christelijk niveau openbaart in een verscherpte aandacht juist voor de menselijke werkelijkheid van de Heer en voorts in een humanisering van het kerkelijk ambt en van de onderlinge verhoudingen tussen de gelovigen. Het heeft ook als gevolg dat de dienst van Woord en sacrament niet enkel wordt ervaren als een absoluut spreken en handelen Gods, maar als een uitnodiging tot antwoord, als een uitdiepen van het eigen menselijk spreken en handelen.
Ook in het geloven zelf ontdekt het rapport allerlei verscheidenheid. Geloof kan zijn een intellectueel aanvaarden van waarheden, die door het leergezag van de Kerk worden opgelegd. Het kan ook zijn een zich toevertrouwen aan een Persoon, aan wie men zich verbonden weet. Er doen zich echter in onze tijd ook nieuwe vormen van geloven voor. Als eerste noemt het rapport hier 't geloof als „eerbied voor het mysterie van het bestaan", dat a-dogmatisch is en waarvan het rapport erkent, „dat de unieke betekenis van Jezus van Nazareth hier niet duidelijk meer naar voren springt". Een andere nieuwe vorm is het geloof als „inzet voor de medemens". Deze gelovigen noemen zich nog christen omdat zij in Jezus van Nazareth en zijn bergrede het lichtend voorbeeld voor hun handelen zien. De vraag inhoever deze Jezus een historisch persoon is geweest, achten zij daarbij niet relevant. Het gaat om die Jezus, die hen in de Schrift toespreekt en oproept. Bij deze gelovigen is zelfs een duidelijke tendenz naar een „christendom zonder God" en een zich thuis voelen bij humanisten en marxisten, die zich mede willen inzetten voor een rechtvaardige maatschappij. Naast deze nieuwe vormen van „geloof" openbaart zich ook een „religieus agnosticisme", dat in het rapport ook wel „positief ongeloof" werd genoemd, tegen welke benaming echter bedenking werd ingebracht.
Als „situatieschets” bevat dit rapport een goede tekening van de crisis waarin de geloofsbeleving verkeert. Maar men heeft het niet bij een situatie schets gelaten, maar ook een aantal pastorale aanbevelingen gegeven.
Het wees daarbij op de betekenis van de verkondiging, die moet uitgaan van het getuigenis der Schrift over Jezus Christus. Het erkende, dat er in de geloofsbeleving veelvormigheid is, en vroeg bijzonder aandacht voor het gesprek met die katholieken, die zich in de huidige geloofscrisis bekennen tot een religieus agnosticisme. Het bepleitte daarbij grote openheid in de dialoog en waarschuwde tegen eenzijdigheid en valse dilemma's. Het wil de weg open houden voor vernieuwingen en experimenten, doch merkte op, dat deze alleen vrucht kunnen dragen onder optimale condities en dus gepaard moeten gaan met toelichting, motivering en deskundige begeleiding. En het vraagt toepassing van deze pastorale aanbevelingen in de liturgie, het gebedsleven, vorming van jeugd en volwassenen, de zielszorg en de massa-communicatiemiddelen.
Hier rijzen allerlei vragen. Kan men op déze wijze spreken over veelvormigheid? Zijn de in het rapport genoemde typen van geloof naar de maatstaf van de Schrift gemeten acceptabel?
Ook op de genoemde vergadering zijn er t.a.v. van de veelvormigheid vragen gesteld. Er is toen verwezen naar 1 Cor. 12. Ook de Bijbel zou een zekere veelvormigheid het geloven kennen. Alles hangt hier echter af van de inhoud van het woord „veelvormigheid". Geloof dat niet meer betrokken is op de Drieënige God, Die Zich in Zijn Woord openbaart, maar hoogstens nog bestaat uit besef van solidariteit of eerbied voor het mysterie, mag toch niet de naam christelijk geloof dragen. Al ons spreken over geloofsbeleving moet toch zijn uitgangspunt nemen in dat wat het wezen en de kracht van het geloof is: het geloof in Jezus Christus, de Weg, de Waarheid, en het Leven.
Zeker, het op het Pastoraal concilie behandelde rapport wijst wel op de betekenis van de verkondiging die moet uitgaan van het getuigenis der Schrift over Jezus Christus. Anderzijds krijgt de veelvormigheid zoveel accent en wordt op een dusdanig positieve wijze gesproken over allerlei nieuwe vormen van geloof, dat het geheel m.i. zeer vezwakt wordt. Kan men, op deze wijze sprekende, er nog aan ontkomen dat men de poort openzet naar een religieus humanisme?
Afgaande op de verslagen van genoemde conciliezitting vrezen we toch dat het getuigenis en het appèl in deze pastorale aanbeveling te weinig door klonk. We menen dan ook dat dit rapport ergens symptomatisch is voor de weg die de Roomse kerk gaat in deze tijd. En we moeten helaas constateren dat het pleidooi voor vernieuwing en experiment, voor openheid en veelvormigheid zeer weinig of nauwelijks bijbels gefundeerd is.
We zeggen dat niet als buitenstaanders, die een hooghartig oordeel vellen. Want de vaagheid en de onzekerheid die op deze concilievergadering te bespeuren waren, komen ook op protestants erf voor.
Ook daar zijn allerlei crisisverschijnselen ten aanzien van de geloofsbeleving en geloofspraktijk. Ze hangen m.i. samen met de wijze waarop door velen binnen de kerk de saecularisatie toegejuicht wordt. Daardoor wordt de crisis alleen nog maar vergroot en zal de onzekerheid toenemen. De geloofscrisis wordt alleen maar overwonnen, wanneer de gedachten gevangen genomen worden door de gehoorzaamheid aan Jezus Christus en we ons aan Zijn getuigenis overgeven. Deze gehoorzaamheid is het geheim van de Heilige Geest, die zondaren overwint en inwint voor Jezus Christus. De crisis in de hedendaagse geloofsbeleving laat ons zien hoe zeer ons als kerken de bede past: Veni, Creator, Spiritus! Kom, Schepper, Geest . . . En tevens ook worden we herinnerd aan het apostolisch vermaan de Heilige Geest niet te bedroeven.
Wie zijn eigen hart kent, weet hoezeer er met betrekking tot de geloofsbeleving vragen kunnen rijzen. Het geloof is naar Luthers woord „een onrustig ding". Maar in die onrust wordt toch altijd weer de zekerheid gevonden buiten onszelf in Jezus Christus en het Woord van Zijn genadige beloften. Dat is de vaste grond, de inhoud van het geloven. En bij alle veelvormigheid inzake geloofsbeleving mag men deze toch niet losmaken van deze geloofsinhoud.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's