De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk V, artikel 13 Wanneer ook het vertrouwen der volharding wederom levend wordt in degenen, die van de val weder opgericht worden, zo brengt dat in hen niet voort enige dartelheid of veronachtzaming der godzaligheid, maar een veel grotere zorg, om de wegen des Heeren vlijtiglijk waar te nemen, die van tevoren bereid zijn, opdat zij daarin wandelende, de verzekerdheid van hun volharding zouden mogen behouden, en opdat het aanschijn des verzoenden Gods (waarvan de aanschouwing den godvruchtigen zoeter is dan het leven en waarvan de verberging bitterder is dan de dood), om het misbruik van zijn vaderlijke goedertierenheid niet wederom van hen afgekeerd worde, en zij alzo in zwaarder kwellingen des gemoeds vervallen.
De uitverkorenen kunnen vallen
Over dit punt zijn gereformeerden en arminianen dat wel eens. Het is niet alleen, dat de gelovigen zondigen. Dat doen wij iedere dag. Maar het is ook zo, dat wij menigmaal zwaar zondigen. Voorts zeg ik: was het dit alleen maar: zij kunnen ook vallen. Dan krijgt men een zondige toestand, een leven in de zonde of een buitengewoon ernstige zonde. Van dat leven in de zonde is David een voorbeeld en van dat buitengewone is Petrus een voorbeeld. Het is ook zo, dat de gelovigen door hun zonden verdienen, dat zij geheel van de H. Geest zouden verlaten worden en in der eeuwigheid verloren gaan. Er is wel geen zonde, die Gods kinderen niet zouden kunnen bedrijven, behalve één. In dit laatste lag het verschil weer met de remonstranten. Deze leren, dat de gelovigen in alle zonden kunnen vervallen, geen uitgezonderd, dus ook in de zonde tegen de Heilige Geest. Dit laatste ontkennen wij. De tegenpartij leerde, dat de ware gelovigen door ieder werk des vleses het geloof verliezen, sommige voor een tijd, sommige in der eeuwigheid. De leerregels gaan uit van de bijbelse woorden, dat de kinderen Gods wedergeboren zijn uit onvergankelijk zaad, zoals 1 Petr. 1 : 23 te lezen geeft: Gij die weder geboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende woord van God." Johannes schrijft: Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet want Zijn zaad blijft in hem en hij kan niet zondigen, want Hij is uit God geboren". 1 Joh. 3 : 9. Het is duidelijk, dat deze tekst niet kan bedoelen, dat een gelovige nooit zondigt. Dat heeft Johannes zelf al uitgesproken in hfd. 1:8: Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet". In hoeverre zondigt dan de gelovige niet? In zoverre, dat hij het in de zonde niet kan uithouden. Hij zondigt niet zoals de wereld zondigt. Hij kan niet in de zonde leven. Men kan ook zeggen, dat de gelovige als zodanig niet zondigt, zoals Paulus zegt: Ik dan doe dezelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont". Daar blijft in de zondigende gelovige iets levend en werkzaam, dat vrij blijft van de zonde en een erger leven leidt. In onze tekst heet dat: Zijn zaad, het zaad, dat God in hem gelegd heeft. Zaad is dan het levensbeginsel, dit nieuwe leven, dat Gods Geest in de mens brengt bij de wedergeboorte. Door dit levensbeginsel kan de gelovige niet in de zonde blijven of leven, zoals de wereld. De Heere Jezus bidt voor hen, dat hun geloof in hen blijve. De kinderen Gods zijn tempelen des Geestes. Christus woont in hun harten door het geloof. Zij hebben de Geest der aanneming tot kinderen ontvangen. Er is dus tweeërlei levensbeginsel in hen: vlees en Geest. „Het vlees begeert tegen de Geest." Zolang de uitverkorenen in deze wereld zijn, in het land der vreemdelingschappen, worden zij niet volkomen wedergeboren. Daarom riep Paulus uit: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods". Dus kunnen de gelovigen tot allerlei zonden komen. Maar nu wat anders.
De gelovigen zondigen op andere wijze dan de wereld
Hoe zondigen de gelovigen? Zij zondigen niet als vijanden, maar als kinderen. Wanneer de goddelozen zondigen, heersen de zonden over hen. Zij zondigen met een onbeperkte lust en vermaak in de ongerechtigheid. Zij leven naar hun begeerlijkheden. De gelovigen echter zondigen menigmaal uit zwakheid. Zij zondigen in hun hart vanwege de vele begeerlijkheden, die hen treiteren, uitlokken om toch maar de ongerechtigheid te bedenken. Daar is een wet, een orde van zaken in onze leden, die wederspannig is tegen het goede. De begeerlijkheden voeren oorlog tegen de ziel. Petrus schijft in hfd. 2 : 11: Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke Isegeerlijkheden, welke krijgvoeren tegen de ziel”.
De christenen worden aangesproken als inwoners d.i. bijwoners, die in een volk wonen, zonder dat men medeburger is of burgerrechten heeft. Men hoort elders thuis. Dat zij elders d.i. in de hemel thuis horen moeten zij openbaren door een hemelse en niet een vleselijke levenswandel. Vleselijk is zondig-vleselijk. Die begeerten zijn fel en daarom gevaarlijk. Zij vallen op de ziel aan, om die te verderven. De ziel is het belangrijkste deel des mensen, zijn innerlijkste wezen en leven. Hierdoor doet een kind Gods het kwade, dat hij niet wil. Voorts doen zij de zonde niet alleen van binnen, doch ook van buiten, metterdaad. Gods kinderen verfoeien de zonde en doen ze. Zij worden overwonnen door het vlees of door vrees, als David en Petrus.
Omdat de zonde echter zo'n tegenstand bij hen vindt en door de werking van Gods Geest, kunnen zij niet in de zonde blijven.
Als ik nu stel, dat zij als kinderen zondigen, betekent dit, dat de gelovige niet zo ernstig zondigt? Wij belijden, dat er een groot onderscheid is tussen de zonden der uitverkorenen en der goddelozen. De eersten zondigen uit zwakheid en komen weer tot bekering, de anderen uit een vaste wil en begeerte en blijven zonder bekering.
Nochthans stelt dit zondigen Gods kinderen zeer schuldig. Zij hebben immers zoveel meer licht en genade ontvangen. De zonden dergenen die zoveel barmhartigheid verkregen, verdienen zwaar gestraft te worden. David beroept er zich in psalm 51 niet op, dat hij maar uit zwakheid gezondigd heeft. Het spreekt helemaal niet vanzelf, dat God hem weer genade bewijst. Het kan niet om iets van David zijn, dat de Heere zich over hem ontfermt. Hij heeft zwaar tegen God gezondigd, dat wil hij van harte belijden. De zonde is zo ontzettend, omdat zij bedreven is tegen de allerhoogste majesteit Gods. David belijdt voorts, dat God rechtvaardig is in zijn veroordeling van de zonde, gelijk zij door Nathan tot hem kwam. De koning beroept zich niet op zijn zwakheid en evenmin op het leerstuk der volharding. De volharding der heiligen wordt alleen in de weg van ware verootmoediging werkelijkheid. De ware boetvaardigheid leert de zondaar zichzelf te verdoemen en God te rechtvaardigen, zichzelf ongelijk en God gelijk geven. De prediking en de ondervinding van de volharding der heiligen maakt de gelovigen niet dartel of zorgeloos, doch ootmoediger en waakzamer.
De gereformeerde leer maakt niet dartel in het zondigen
Natuurlijk hebben de remonstranten meer dan eens gesteld dat de gereformeerde leer der volharding voor de Godvruchtigheid en de goede werken schadelijk en hinderlijk is; dat zij den gelovigen een vrij geleide geeft tot zondigen; dat zij alle heilzame zorgvuldigheid en zaligmakende vrees te niet doet, en, wat meer is, dat de zelve ten enenmale daartoe aangelegd is, om zachte kussens voor het vlees te maken, voornamelijk als daar geleerd wordt, dat de gelovigen door geen zonden of gruwelijke misdaden verlies van hun zaligheid kunnen lijden of ooit zullen lijden, en dat diegenen, die in enige schrikkelijke zonden vervallen zijn, alsdan niet kunnen sterven; maar dat zij noodwendig voor het einde huns levens zullen bekeerd worden. Artikel 13 verzet zich tegen deze aantijgingen. Zij gaan er ook teveel van uit, dat de leer der volharding een kwestie van redenering is en dat de wedergeboorte en het werk van Christus en de werking van de H. Geest van geen betekenis zijn. Hoe de gelovige reageert, als hij uit zijn val op komt, leert psalm 51, om het nog eens te zeggen. In de psalmen ziet men inderdaad Godskinderen in hun hart. Zij komen ook niet gemakkelijk van hun zonden af d.w.z. niet zonder verslagenheid en verbreking der harten. De Heere laat hen niet toe, dat zij dartel of zorgeloos hun weg gaan. Ten eerste kon David dit niet in de tijd vóórdat Nathan tot hem kwam. Volgens psalm 32 moet hij het toen vreselijk benauwd gehad hebben. Het beginsel van een nieuw leven was in David. Daardoor had hij geen rust. Maar dit was toch niet genoeg om hem tot vrede te brengen. Integendeel, hij kon niet heen of weer, totdat God ingreep. Maar toen moest hij zich volledig overgeven en verklaren: ik heb gezondigd tegen den Heere! Het betekende wel, dat hij zich naar waardigheid voor eeuwig verloren verklaarde. Dat was niet zomaar. De Heere greep dan ook onmiddellijk in bij monde van de profeet.
Maar nu moet deze geweldige ondervinding, dit spreken en doen Gods geïntegreerd, ingepast worden in Davids beleven, gevoelen en wandel. Hoe moeilijk dit was blijkt uit genoemde psalm. Het geheim van Gods liefde en vergeving, de integratie van dit geheim in leven en loven, in doen en laten, in geloven en belijden van de koning vraagt een diepgaande ontdekking van wat er gebeurd is.
Sommigen menen, dat psalm 51 niet verenigbaar is met de woorden van Nathan: „De Heere heeft ook uw zonde weggenomen, gij zult niet sterven". Ik meen, dat dit te logisch gedacht is. De inleving van wat God eigenlijk bedoelde kostte meer tijd. Want al zou David niet sterven, wat zou er dan wel gebeuren? Daar zijn nog heel wat sterfgevallen gevolgd. Men denkt vaak veel te makkelijk over de toepassing van de genade Gods, alsof het een rekensom is. „Intussen is toch te verstaan, dat Nathans profetisch woord niet genoeg was om David aanstonds zulk een blijde zekerheid aangaande de vergeving zijner schuld te schenken als b.v. in psalm 32 tot uiting komt. In het algemeen is het begrijpelijk dat het korte woord „ik heb gezondigd tegen den Heere" hem niet genoeg was en hij daarna behoefte had om uit de verbrokenheid van zijn hart tot God te roepen. Bovendien was het ook door Nathan verkondigde woord der vergeving van zulk een aard, dat David toch wel behoefte moest gevoelen aan nadere bevestiging en aanvulling. Dat de Heere Davids zonde heeft vergeven wordt in Nathans boodschap nader aldus verklaard, dat David niet zal sterven. Daarnaast wordt echter de dood van het kind voorzegd; ook wordt de straf aankondiging van vers 11 vv. niet opgeheven. In dit alles lag toch opgesloten, dat het Goddelijk ongenoegen over Davids verschrikkelijke zonde nog niet ten volle van hem was weggenomen". Calvijn merkt dienaangaande op: „het is allerminst met de aard van het geloof in strijd, dat zij, die reeds in meerdere of mindere mate verzekerd zijn geworden van de genade Gods, evenwel met vuur en bekommering aanhouden in het zoeken van vergeving. Daarom hield David, ofschoon hij reeds van een deel zijner droefheid was bevrijd, evenwel niet op daarna nog nieuwe smarten te gevoelen, die hem dwongen smekend en met vrees zijn toevlucht te nemen tot Gods barmhartigheid. Want ofschoon God, ons vergeving belovende, ons vrijgevig tot de vrede nodigt, is het evenwel onze taak te bedenken, hoe zwaar Hij beledigd is geworden, opdat diepe smart in onze harten wone. Daarbij komt, dat wij met de kleine maat van ons geloof die volheid van genade, die wordt aangeboden, niet aanstonds ontvangen". Het is wel geheel in strijd met de werkelijkheid van het leven der kinderen Gods, als men stelt, dat het nieuwe leven, dat God hen in de wedergeboorte schonk, de zonde niet als een last zou doen gevoelen.
Daar is in het vlees van de gelovige lust genoeg om kwaad te doen, maar in hem is tweeërlei leven. In de wedergeboren mens zijn gelijk als twee beginselen, die tegen elkander strijden. Het ene beginsel is het zaad Gods uit 1 Joh. 3 : 9, dat in de gelovige blijft. Men heeft het grondwoord voor zaad ook wel overgezet als levenskiem. Er wordt iets gegeven in de uitverkorene dat blijft. Noem het de inwoning van Christus, noem dit het geloof, noem het de H. Geest als ondergrond, noem het 't werk Gods, dat het nieuwe leven schept en in stand houdt: er is iets in de gelovige. Maar dat iets is vast verbonden met God zelf. Het zaad is wel in de mens, doch niet van de mens. In elk geval, het is niet zo, dat van de wedergeborene gezegd moet worden: hoe meer volharding, genade, bewaring, opzoekende liefde, ontferming, hoe meer dartelheid en veronachtzaming der Godzaligheid. Het is wel omgekeerd. Hoe meer goedheid en genade het kind des Heeren ondervindt, hoe begeriger het wordt den Heere te dienen. Wat heeft David gebeden om een nieuw hart en een vasten geest. Terecht zegt ons artikel:
Wanneer ook het vertrouwen der volharding wederom levend wordt in degenen, die van de val weder opgericht worden, zo brengt dat in hen niet voort enige dartelheid of veronachtzaming der Godzaligheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's