De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De „Profetie” in de Reformatietijd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De „Profetie” in de Reformatietijd

8 minuten leestijd

1: Luther
Deze verzette zich scherp tegen de scholastiek. Hieronder verstaan we de beoefening van de theologie in de middeleeuwen, waarbij de ratio, de rede, trachtte om het dogma der kerk aannemelijk en begrijpelijk te maken. En daarbij riep men de wijsbegeerte van Aristoteles te hulp, de Griekse heidense wijsgeer. Het grote bezwaar van de scholastiek was dat men drukker was aan het redelijk verklaren en uitpluizen van stellingen, dan dat men luisterde naar de bijbel zelf.
Luther verzette zich tegen de scholastiek, zoals die de studie aan de universiteiten beheerste. Anderzijds bestreed hij de wederdopers. Hij achtte het van grote betekenis, dat de predikanten de talen (Hebreeuws en Grieks) kenden, om zodoende de oorspronkelijke betekenis van de Schriftwoorden te kunnen verstaan. Zelf ging hij voor dat doel nog Hebreeuws studeren en liep hij college bij een van zijn collega's, hoewel hij zelf toen al professor was.
Nu trachtte Luther de noodzakelijkheid van de talenstudie te bewijzen uit I Cor. 14, het hoofdstuk waaruit immers ook de wederdopers hun zienswijze afleidden, nl. hun verachting van de talenstudie.
Om zijn overigens juiste zienswijze te kunnen staven uit I Cor. 14 verklaarde hij de gave der profetie als volgt: wanneer in I Cor. 14 over talen gesproken wordt, dan zijn dat de Hebreeuwse Griekse talen; niet allen in de gemeente van Cortinthe kenden die talen, sommigen wel. Hierop doorredenerend moet de gave van de „uitlegging der talen" dan wel dit zijn, dat iemand in de samenkomst kon vertalen, wat uit de Hebreeuwse of Griekse bijbelboeken werd voorgelezen. En de profeet is degene die opstaat na schriftlezing en vertaling: de profeet legt uit wat in vertaling tot de hoorders kwam.

2: Zwingli.
Deze Zwitserse reformator bewoog zich in dezelfde gedachtengang. Hij heeft in 1523 geschreven: Von dem Predigtambt. Daarin wil hij aantonen, dat de profeten heel anders gezien moeten worden dan de wederdopers deden. Hij ging daarbij uit van Efeze 4 : 11-14, waar staat dat Christus sommigen heeft gegeven tot apostelen en sommigen tot profeten en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars. Het uitvoerigst schrijft hij over de profeten. De wederdopers beweerden „dat deze profeten mannen waren die zonder studie of kennis van talen een stichtelijk woord spraken in de gemeente" (aldus H. H. Kuyper a.w. pag. 109).
Zwingli echter wil aantonen, dat deze profeten juist wel de talen kenden. Zijn gedachtengang was a.v.: daar was allereerst de gave der talen, waarvan Paulus in I Cor. 14 : 26-33 spreekt. Zwingli verklaarde deze passage op deze wijze: er waren in de gemeente van Corinthe enkele mensen, die de gave der talen hadden, d.w.z. die Hebreeuws kenden, en zij lazen dan uit het Oude Testament een gedeelte voor in het Hebreeuws (eerste fase); daarna vertaalde een ander, die de gave van de uitlegging der talen had, dit gedeelte (1 Cor. 14 : 27, 28, 1 Cor. 12 : 10) uit het Hebreeuws en het Grieks, zodat hij dus beide talen moest kennen (tweede fase); vervolgens stond een profeet op: die had de gave om het voorgelezen en vertaalde schriftgedeelte te verklaren. En deze profeten moeten dan volgens Zwingli zelf ook Hebreeuws en Grieks gekend hebben. De andere gaven, nl. talen en uitlegging der talen (d.i. vertaling) dienden om tot de hoogste gave te komen, nl. de profetie (d.i. uitlegging der Schrift, exegese).
Overgebracht op het kerkelijk leven van zijn tijd houdt dit in, dat — volgens Zwingli — degenen, die de bijbel uitlegden, de profeten in de eigenlijke zin waren. Hij noemt ze profeten, maar ook wel professoren of doctores.
H. H. Kuyper noemt deze redenering een inleggen van de gedachten, die Zwingli had, in de Schrift. En dat is waar. Wie I Cor. 12-14 onbevangen leest aangaande de verschillende gaven van talen, uitlegging en profetie komt tot een andere verklaring. Dan ligt het meest voor de hand om bij de „talen" of „tongen" te denken aan een bijzondere Geestestaal, die alleen door het charisma van de „uitlegging" kon worden verstaan en uitgelegd.
Zwingli wilde beslist zijn mening uit de Schrift aflezen om dan zo de wederdopers te kunnen afwijzen. Maar dit is wel duidelijk: bij Zwingli zijn „profeten" zoveel als professoren in de exegese. Deze profeten of professoren moesten door hun exegese aanstaande predikanten onderwijzen.
Verder valt bij hem onder profetie ook nog het charisma van de onderscheiding of beproeving der geesten (I Cor. 14 : 29 en 12 : 10). Maar degenen, die gave daarvoor hebben, mogen pas spreken na de profeten: deze gemeenteleden mochten kritiek uitbrengen of aan het gesprokene nog iets toevoegen.
Naar deze gedachtengang richtte Zwingli de theologische opleiding in: elke dag, behalve vrijdag en zondag, begon om 8 uur de „lezing": een student las een bijbelgedeelte voor uit de Vulgaat, de professor in het Hebreeuws las deze tekst in het Hebreeuws en verklaarde die in het Latijn, de professor in het Grieks las de tekst uit de Septuaginta en verklaarde die eveneens in het Latijn.
Deze lezing werd bijgewoond door predikanten en studenten. Als deze uitlegging der talen klaar was, begon het tweede deel: het volk kwam binnen en een predikant hield een preek in het Duits over de behandelde pericoop.
Zo was bij Zwingli — kort samengevat — de gave der profetie de gave van de uitlegging der Schrift (explicatio).

3: Calvijn.
Deze reformator dacht over het nieuwtestamentisch ambt der profeten heel anders van Zwingli. Hij zag het als een buitengewoon ambt (munus extraordinarium), dat God voor een tijd aan de kerk gaf, maar dat in ieder geval niet meer in de kerk bestaat in de vorm zoals Zwingli dit wilde.
In de tijd van Paulus waren — volgens Calvijn — de profeten degenen, die de gave hadden om de profetieën der Schrift, bedreigingen of beloften, tot tegenwoordig gebruik van de kerk toe te passen en zo de wil Gods te openbaren.
Zodoende kende Calvijn wel samenkomsten van predikanten, die geleken op die van Zwingli. Maar nergens noemde Calvijn deze samenkomsten met de naam „profetie", zoals Zwingli wel deed. Calvijn noemde ook nooit de professoren profeten, zoals Zwingli wel deed.
Overigens is het wel interessant — even terzijde — om te zien hoe grote waarde Calvijn hechtte aan de voortgezette studie van de predikanten. Alle predikanten van Geneve en uit de omgeving kwamen elke vrijdag bijeen in de kerk. Dat was verplicht. Daar werd een bijbelboek naar volgorde gelezen en door elk van de predikanten op zijn beurt verklaard. Doel van deze bijeenkomsten was: zuiverheid en eenheid in de leer bewaren.
Calvijn echter noemde deze bijeenkomsten nooit met de naam „profetie", zoals Zwingli wel deed.
We geven nu nog enkele gedachten van Calvijn over de profetie. In zijn commentaar op de Romeinenbrief schrijft hij bij Rom. 12 : 7 (hetzij profetie, naar de mate des geloofs): Er zijn er die onder profetie verstaan het vermogen om voorspellingen te doen, dat omstreeks de tijd waarin het evangelie begon verkondigd te worden in de kerk zich krachtig liet gelden, omdat de Heere toen de waardigheid en voortreffelijkheid van Zijn koninkrijk op alle manieren heeft willen aanbevelen . . . Ik geef er echter de voorkeur aan om hen te volgen, die dit woord in een ruimere zin opvatten en daaronder ook verstaan de bijzondere gave der openbaring, waardoor iemand in staat is om bij het bekendmaken van de wil des Heeren op bekwame en kundige wijze als uitlegger op te treden. Derhalve is profetie heden in de christelijke gemeente bijna niets anders dan het recht verstaan der Schrift en de bijzondere gave om haar uit te leggen, daar immers alle oude profetieën en alle openbaringen Gods in Christus en Zijn evangelie besloten zijn."
Bij I Cor. 12 : 10 schrijft hij: Onder de naam profetie versta ik de bijzondere en uitnemende gave om de verborgen wil van God uit te leggen, zodat de profeet is als een boodschapper van God tot de mensen.”
Bij I Cor. 14 : 5 blijkt dat Calvijn onder de „talen" uit I Cor. 12-14 verstaat de talen, die dienden om het evangelie onder alle volken bekend te maken. Dus: bestaande talen van verschillende volkeren. Calvijn dacht niet aan een onverstaanbare Geestestaal, zoals in de nieuwere exegese bijna algemeen wordt aangenomen.
Bij deze tekst spreekt hij over het belang van de studie van die talen, waaruit als uit de bronnen de zuivere waarheid der Schrift moet geput worden (dus: Hebreeuws en Grieks).
Bij Hand 2 : 17 (waar het spreken door de Geest in 't licht van Joëls woord een profeteren genoemd wordt) schrijft hij dat de apostelen door een plotselinge aandrijving des Geestes over de hemelse verborgenheden spraken op profetische wijze, d.i. goddelijk en uitgaande boven de gewone wijze. Daarom duidt de naam profetie niets anders aan dan een bijzondere en opvallende gave om te verstaan, alsof Joel zei dat er onder het koninkrijk van Christus niet slechts weinige profeten zouden zijn aan wie God Zijn geheimen openbaart, maar dat allen met geestelijke wijsheid zouden begiftigd worworden.
In de Institutie (IV 3, 4) schrijft hij over de buitengewone ambten, nl. apostelen, profeten en evangelisten: „Deze heeft de Heere in het begin van Zijn rijk opgewekt en wekt Hij ook nu en dan op, naar de noodzakelijkheid der tijden eist".
En even verder: „Profeten noemt hij (d.i. de apostel) niet alle uitleggers van Gods wil, maar hen die door een bijzondere openbaring uitblonken, zoals er nu of geen zijn, of, als ze er zijn, vallen ze niet zo duidelijk in het oog”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De „Profetie” in de Reformatietijd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's