Interkerkelijke samenwerking van gemeenten
Enkele weken geleden werd aan de kerkeraden en de classicale vergaderingen een voorstel tot invoeging van een nieuw artikel 3a in ordinantie 20 toegezonden. Dit voorstel wil in de toekomst de mogelijkheid scheppen van „interkerkelijke samenwerking van gemeenten". Bedoelde samenwerking gaat heel ver. Ze behelst o.a. het als regel houden van gemeenschappelijke kerkdiensten, de gezamenlijke verzorging van huis- en ziekenbezoek, catechese, etc. en niet het minst de beroeping van predikanten en het plegen van overleg over de keuze van andere ambtsdragers, ouderlingen en diakenen dus. Het besluit van een kerkeraad tot een dergelijke vorm van samenwerking behoeft de goedkeuring van het breed moderamen van de generale synode. Tot zover in het kort bovengenoemd voorstel.
Als motivering wordt gegeven het in de laatste jaren sterk toegenomen contact van de hervormde gemeenten met die van andere Kerken en de reeds bestaande praktijk van interkerkelijke samenwerking van gemeenten. Dit contact en deze samenwerking dienen naar het inzicht van de synode in enigszins geordende banen geleid te worden. Genoemd voorstel geldt nu als een richtlijn in deze.
Wat van dit voorstel te zeggen? Wel, dat het, in het algemeen gesproken, een stap verder is op de weg naar de ene, evangelisch-katholieke kerk in Nederland. Wie dit als het ideaal beschouwt op het terrein van de oecumene, zal dit voorstel van harte toejuichen en er vóór stemmen op de classicale vergaderingen en in de synode. Wie echter, op grond van de Heilige Schrift en in gemeenschap met de belijdenis van onze kerk, de gestalte en het gehalte van onze kerk in bijbels-reformatorische zin zoekt te verwezenlijken, zal dit voorstel betreuren en er niet mee kunnen instemmen. Wat aan breedte wordt gewonnen, gaat, als dit voorstel kracht van wet krijgt, aan diepte verloren.
Men houde zich goed voor ogen, wat dit voorstel concreet betekent. Als het wordt aanvaard, is legaal en officieel de weg vrij voor de meest nauwe samenwerking tussen bijv. een hervormde gemeente en een roomse parochie, een doopsgezinde gemeente, een remonstrantse gemeente, enz., of met al die gemeenten samen. Dan kan bijv. de parochieraad van een roomse plaatselijke kerk, of hoe zo'n orgaan ook heten mag, mee beslissen over de beroeping van een hervormd predikant. Eigenlijk is dit niet eens juist. In dat geval beslist de pastoor, want de roomse kerk kent niet onze presbyteriale kerkstructuur, maar de hiëarchische kerkvorm.
Als deze interkerkelijke samenwerking nu nog beperkt was tot de kerken van de gereformeerde gezindte in ons vaderland, zou er misschien voor te pleiten zijn, al blijven er ook dan nog genoeg bezwaren over. Maar zoals het voorstel er nu ligt, betekent het eenvoudig het einde van een plaatselijke hervormde gemeente als een reformatorische gemeente. Men gaat op den duur op in een groter geheel. Over de schriftuurlijkheid van een en ander wordt niet eens meer gerept.
Ja maar, de synode moet toch goedkeuring geven! Nu, dat geeft ons geen enkele garantie, dat er voldoende zekeringen worden aangelegd. De synode zelf is de grote promotor van de ene, evangelisch-katholieke kerk in Nederland.
Tenslotte. In de toelichting wordt gezegd, dat het wenselijk is voor bovengenoemde samenwerking enige richtlijnen te geven. Betekent dat, dat, als een bepaalde kerkeraad het nog heel anders wil, dit ook mogelijk is, omdat de inhoud van het voorstel alleen maar richtlijnen bevat? Wel, dan kan men net zo goed dit voorstel achterwege laten. Dan kan ieder doen wat goed is in zijn ogen. Dan kunnen we op de lange duur de hand lichten met de gehele kerkorde, zoals nu al in vele gevallen gebeurt. Dan is de chaos compleet.
Het is triest dit te moeten schrijven, maar de zaken liggen nu eenmaal niet anders. Des te meer versta elke afgevaardigde naar de classicale vergadering zijn verantwoordelijkheid in deze. Zolang als we kunnen, dienen we te blijven staan op post, waarop de Heere God ons gesteld heeft. Dat is onze roeping, zolang we ambtsdrager zijn in de Nederlandse Hervormde Kerk.
Putten C. J. P. Lam
Interkerkelijke samenwerking van gemeenten
In de laatste week van april ontving ik een voorstel tot invoeging van een nieuw artkel 3a van Ordinantie 20, gedateerd 25 maart 1969. Het moderamen van de generale synode verwacht, dat het in mei 1969 zal worden behandeld. De consideraties van de classes moeten vóór 1 juli 1969 binnen zijn. Er moet dus wel enige spoed worden betracht.
De bedoeling
In de toelichting schrijft het moderamen, dat het contact van de hervormde gemeenten met die van andere kerken in de laatste jaren sterk is toegenomen en dat het gesprek in vele gevallen tot verdergaande samenwerking leidt. Daarom heeft de generale synode gemeend, dat het wenselijk was hiervoor enige richtlijnen te geven.
Men kan dit initiatief om een eventuele samenwerking kerkordelijk te regelen, slechts toejuichen. Doet men dit niet, dan verdrinken we in allerlei, sterk uiteenlopende experimenten en is menigeen geneigd te doen wat goed is in zijn ogen. Een bindende richtlijn is in elk geval een goede zaak.
De lezing van het nieuwe artikel roept echter enkele vragen op, die een antwoord verlangen, omdat anders een zekere vaagheid of zelfs dubbelzinnigheid ontstaat, die verwarringen kan scheppen.
Welke kerkgemeenschappen?
De eerste vraag luidt: Aan welke kerkgemeenschappen heeft de synode gedacht? We lezen van kerkeraden, maar ook van besturen van kerkgemeenschappen. Bij kerkeraden zou men bijv. aan de Gereformeerde Kerken in Nederland kunnen denken. De benaming „besturen", „bestuursvergaderingen" en „voorgangers" van kerkgemeenschappen zou kunnen heenwijzen bijv. naar de Rooms-Katholieke Kerk of naar de Protestantenbond.
Roeping en benoeming van predikanten
Het derde hd van art. 3a spreekt bij de interkerkelijke samenwerking o.a. over „de beroeping of benoeming van predikanten, naar het bepaalde in artikel 3 dezer ordinantie".
Zou dit niet iets duidelijker moeten worden gezegd? Art. 3 van deze ordinantie zal dus wel Ord. 20, art. 3 zijn en, omdat het over plaatselijke samenwerking gaat, het 2de lid ervan. Maar in dit lid gaat het over bevoegdheid en beroepbaarheid, niet over de beroeping en benoeming. Bovendien gaat het in Ord. 20-3 over besluiten die de generale synode kan nemen, niet over besluiten van plaatselijke kerkeraden.
Heeft men bedoeld te zeggen, dat bij interkerkelijke samenwerking van gemeenten predikanten als bedoeld in Ord. 20-3 kunnen worden beroepen? Dus alleen predikanten van andere kerken dan de Ned. Herv. Kerk. En is bij zulk beroepingswerk de gewone orde van beroepen (Ord. 3, hoofdstuk III) volledig uitgeschakeld? Met andere woorden: Kunnen alleen predikanten van andere kerkgemeenschappen voor zulk een interkerkelijke samenwerking van gemeenten in aanmerking komen? En niet onze „eigen" herv. predikanten?
Andere ambtsdragers
Wat is er bedoeld met „het plegen van overleg over de keuze van andere ambtsdragers"? Nu er over besturen en bestuursvergaderingen gesproken wordt, is het duidelijk, dat men met opzet over „andere ambtsdragers" gesproken heeft en niet, zoals anders de gewoonte is, over „ouderlingen en diakenen". Andere ambtsdragers hebben we in onze kerk momenteel immers nog niet.
Betekent dit nu, enerzijds, dat de hervormde kerkeraad zal mogen overleggen inzake het beroepen en benoemen van kerkeraadsleden van een plaatselijke Geref. Kerk, maar ook terzake van het benoemen van voorgangers en bestuursleden van de Protestantenbond, alsmede als het gaat om de keuze van een pastoor of kapelaan van de Ropms-Katholieke kerk?
Betekent dit anderzijds, dat de hervormde kerkeraad inzake het beroepen van een predikant en het benoemen van ouderlingen en diakenen zal moeten overleggen met de kerkeraad van de Geref. Kerk, met het bestuur van de Protestantenbond en het Rooms-Katholiek kerkbestuur?
Dit is een zeer reële vraag! Want de interkerkelijke samenwerking in sommige gemeenten is al zó ver gevorderd, dat de dominee en de pastoor om beurten dopen, avondmaal bedienen en catechiseren. Het zou mij zeer verwonderen, als ook aan dergelijke situaties in het nieuwe artikel niet in de eerste plaats zou zijn gedacht! Graag helderheid dus. Want in de toelichting lees ik hierover niets.
De rechtspositie van de predikant
Een punt dat bijzonder de aandacht vraagt, is de rechtspositie van de predikant, die eventueel beroepen wordt. Als volgens lid 5 een overeenkomst tot interkerkelijke samenwerking „kan worden aangegaan voor een tijdsduur van ten hoogste vijf kalenderjaren", en als volgens lid 4c de overeenkomst „eventueel" kan worden opgezegd „binnen de termijn waarvoor de overeenkomst werd aangegaan", vraag ik: en die dominee dan? En zijn gezin? Staan ze dan op straat? Als zo'n predikant naar Ord. 20-3 is benoemd en niet volgens Ord. 3 (wat hiermee ook bedoeld moge zijn), is de financiële basis, waarop hij staat, toch wel zeer labiel. Terwille van deze man graag duidelijkheid.
Gemeenschappelijke kerkdiensten
Bij de „gemeenschappelijke kerkdiensten" staat, dat ook dit punt van de overeenkomst volgens lid 6 door het breed moderamen der generale synode moet worden goedgekeurd. Met nog een aantal zekeringen eromheen, als: oordeel van de raad voor het verband met andere kerken en van provinciale en classicale moderamina. Dat gaat dus wel met voorzichtigheid. Nu lees ik hier echter: „als regel" houden van zulke diensten. Betekent dit, dat een kerkeraad kan zeggen: ik leg dit artikel naast me neer, en kies voor Ord. 6, art. 2-2, want dan heb ik niets met al die brede moderamina te maken en ga ik mijn eigen gang? Als ik dan maar verzeker, dat het geen „regel" is, maar telkens een incidenteel, min of meer toevallig besluit? Ik stel me voor, dat, als we deze maas in de wet aanbrengen, menige kerkeraad er als een vis doorheen zal zwem men.
G. P. van Itterzon.
Met goedkeuring van de auteur overgenomen. Graag bevelen wij deze overwegingen aan de afgevaardigden aan.
Red.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's