HOEVER ZIJN WE....?
I.
In het laatste nummer van het tijdschrift Concilium (april 1969) staat een kort maar krachtig artikel van de alom bekende r.k. theoloog Hans Küng.
Küng dringt er in dit artikel sterk op aan dat het oecumenisch praten nu maar eens over moet gaan in een oecumenisch handelen. Teveel wordt er gepraat, schrijft hij, en te weinig wordt er gehandeld. Hij wekt dan vervolgens op tot moed: moed tot denken èn tot handelen, moed tot het experiment.
In die fase schijnen wij dus nu in de oecumene gekomen te zijn. Het praten kan dóórgaan, maar wat wel zo belangrijk is — of zelfs belangrijker — is dat het tot daden komt, dat men de eenheid der christenen en der kerken gaat realiseren. Ook vele jongeren dringen daar heel sterk op aan.
Het komt mij voor dat wij in de naaste toekomst, ook in ons eigen land en in onze eigen kerk, met deze aandrang, deze pressie steeds meer te maken zullen krijgen. Dat wij met de oecumene inderdaad in een nieuwe fase zijn gekomen zal ons met de maand, in elk geval met het jaar duidelijker worden.
Nog niet zo heel lang geleden werd er, ook in onze kring (althans in jongerengroepen), ijverig over gediscussieerd of de Wereldraad van kerken soms iets méér bedoelde te zijn dan alleen maar een gespreks-centrum waar de kerken en de christenen elkaar konden ontmoeten. Er waren er die dit laatste: de Wereldraad is alleen maar een gesprekscentrum, vurig verdedigden. Het lijkt mij toe dat de geschiedenis intussen wel geleerd heeft dat èn de Wereldraad èn heel de oecumenische beweging heel wat meer bedoelt en nastreeft. Zij is een geweldige stuwkracht naar een feitelijke eenwording van de kerken, en het blijft daarbij niet bij woorden maar het komt tot daden.
Sinds het Tweede Vaticaanse Concilie is hierbij ook de R.K. kerk betrokken. Haar afwijzende houding uit vroeger jaren ten aanzien van de Wereldraad en de oecumenische beweging in het algemeen heeft zij laten varen. Het meest duidelijk bewijs daarvan is wel het Decreet over het oecumenisme, een van de officiële stukken van het genoemde Concilie.
Welnu, het is mede op de basis van dit Decreet dat men thans, in het zogenaamde na-conciliaire tijdperk, zo vurig pleit voor het stellen van oecumenische daden. Daarbij meent men te spreken en te handelen in de lijn en in de geest van dit Decreet. Wel moet men toegeven dat het Decreet daartoe slechts een eerste stoot heeft gegeven, en dat de eisen van nu ten aanzien van een oecumenisch handelen veel verder reiken, maar dat neemt niet weg dat men zich toch op dit consiliestuk blijft beroepen.
Het gevaarlijke (althans in mijn oog) van deze situatie is, dat de krachtige drang naar een kerkelijke eenwording van een aantal reformatorische kerken met de R.K. kerk of beter: een bepaalde provincie daarvan, niet slechts van één kant komt, maar van twéé kanten. Ook aan protestantse zijde neemt de bereidheid toe om op de basis van Vaticanum II over te gaan tot dit experiment, al bepleit men dan wel een eenwording in verschillende stadia.
Wij denken hierbij natuurlijk in de eerste plaats aan wat zich de laatste maanden heeft afgespeeld in de kringen der studenten. Maar het zou onjuist en onbillijk zijn alleen maar aan hen te denken. Het streven leeft in veel breder kring. En het ziet er dan ook naar uit, dat wij tot op de kerkelijke vergaderingen toe er spoedig meer over zullen horen.
Dit heeft ons ertoe gebracht eens na te gaan wat er nu in feite precies staat in het al genoemde Decreet. Is daarin nu werkelijk een deugdelijke basis gelegd voor vergaande oecumenische daden? Zijn wij op grond van wat hier door de R.K. kerk officieel beleden wordt, werkelijk zo ver gekomen dat wij elkaar niet alleen de broederhand kunnen reiken, maar ook kunnen zeggen dat er toch eigenlijk geen kerkelijke kloof meer behoeft te zijn?
Het gaat er ons nu eens niet om de inhoud van dit Conciliestuk te vergelijken met wat er in voorafgaande tijden van de kant van Rome over de Reformatie en de reformatoren is gezegd. Wat dat aangaat, geven wij gaarne toe dat er enige vooruitgang valt te bespeuren; al zullen wij ook hier (zoals verderop zal blijken) zeker niet mogen overdrijven. Maar het is waar, de toon is vriendelijker geworden. Wij heten nu niet meer „ketters", maar „afgescheiden broeders", onze kerken worden „christelijke gemeenschappen" en misschien zelfs wel „kerken" genoemd, zij het met de nodige restricties. Er wordt met ons een „dialoog" bepleit en dat is iets anders dan een oproep tot polemiek. Deze kant is er inderdaad aan dit Conciliestuk, en we hebben er geen behoefte aan dat te ontkennen. Wel rijzen er echter bezwaren als men aan dit éne aspect teveel waarde toekent; als het gezien wordt als bijkans het enige in heel dit stuk. Het is ons gebleken dat men soms in de beoordeling van het Decreet blijft steken in de vergelijking met het verleden. En dat terwijl er toch heus wel meer in staat dan alleen die vriendelijke woorden. Zelfs zoveel dat die vriendelijke woorden in een zeer bepaald licht komen te staan.
Om te beginnen, wat ons bijzonder trof is dat in dit Decreet de Reformatie een scheiding (separatio) wordt genoemd. Over zo'n woord moet men beslist niet te vlug heenlezen. Vooral niet omdat in dit Decreet steeds weer zo nadrukkelijk gesproken wordt over de R.K. kerk als de Kerk van Christus. Voor een kerk met zulk een zware pretentie is er ternauwernood een ergere zonde denkbaar dan die van een afscheiding. Zij wordt de reformatoren dan ook zwaar aangerekend.
Dat dit werkelijk zo is blijkt hieruit dat in het Decreet juist ook in dit verband het woord zonde valt; er wordt gesproken over de zonde der scheiding (peccatum separationis). Ik vind dit geen kleine zaak.
Ik vraag me daarom ook af of het woord „gescheiden broeders" wel zo vriendelijk is als waar het steeds voor gehouden wordt. Zit er niet, juist omdat het gezegd wordt door een kerk die zichzelf ziet als de enig ware kerk, een verborgen aanklacht in, al is het dan niet tegen ons persoonlijk dan toch tegen de reformatoren met wie wij ons in geloof verbonden weten? Het woord „broeders" is vriendelijk, maar het woord „gescheiden" heeft een bijsmaak, het herinnert ons aan een scheiding die zondig zou zijn geweest.
Het is bovendien zeer de vraag of wij het met deze zienswijze ooit eens zullen kunnen zijn. Wij veronderstellen dat het iedereen bekend is dat de Reformatie zelf zich nooit als een afscheiding en zeker niet als een zondige afscheiding heeft gezien. Het opmerkelijke is juist dat de reformatoren het altijd hebben omgekeerd, zij zeiden: Niet de Reformatie is een afscheiding, maar Rome; niet wij zijn de kant van de sekte opgegaan, maar Rome.
Dat klinkt in onze oecumenische tijd natuurlijk verschrikkelijk onvriendelijk, toch zullen wij om deze woorden niet zomaar mogen heenlopen.
De grote vraag in deze kwestie is, naar welke maatstaf wij zowel kerk als sekte beoordelen. Is de kerk onze maatstaf of is de Schrift het. Dit verschil van maatstaf is er ook heden nog, na Vaticanum II. Wanneer in het Decreet over het oecumenisme de Reformatie een zondige scheiding wordt genoemd dan is dat naar de maatstaf van de kerk, te weten de R.K. kerk. Toen de Reformatie de spits van dit verwijt omkeerde, was dat naar de maatstaf van de Schrift en haar verkondiging. Wij mogen dus wel weten wat wij doen als wij genoemd Decreet aanvaarden als een deugdelijke basis voor het oecumenisch spreken en handelen; ongemerkt verwisselen wij de twee genoemde maatstaven. En dat zou onzerzijds neerkomen op een verloochening van een van de grondbeginselen van de Reformatie.
Nu is hiermee de kous echter nog niet helemaal af. Iemand die het Decreet zelf gelezen heeft zou ons kunnen tegenwerpen, dat er over de schuld der scheiding toch wel genuanceerder gesproken wordt. Het valt namelijk niet te ontkennen dat wij ergens lezen dat er bij het ontstaan van de Reformatie „aan beide zijden" schuld is gemaakt. De Reformatie krijgt dus niet alleen de schuld, ook aan de andere kant (u zult straks horen hoe dat zit) is er ook schuld gemaakt. Wij hebben hier die openlijke belijdenis, die, naar men zegt, zo nieuw was op Vaticanum II. De R.K. kerk zou anderen op dit Concilie voorgegaan zijn in het belijden van eigen schuld. Velen schijnen daar diep van onder de indruk gekomen te zijn.
Men moet het ons maar vergeven dat wij juist op dit punt 't Decreet heel scherp gelezen hebben. Het gaat hier namelijk over de kern van de zaak. Zou Rome — in dit Decreet — beleden hebben dat zij zelf heeft gefaald, en dan niet in bijkomstigheden maar in het verstaan en verkondigen van het evangelie, me dunkt dat er dan ruimte kwam voor een waarlijk oecumenische ontmoeting. Ik geef het echter ieder lezer te doen om dat ook maar ergens in dit Decreet aan te tonen. Juist op dit — zeer wezenlijke — punt is het Decreet zonder meer teleurstellend.
Wie de moeite neemt het zelf na te gaan zal ontdekken dat de kerk zélf altijd en overal buiten alle schuld wordt gehouden. Wie er ook bij het ontstaan van de Reformatie heeft gefaald, zij in elk geval niet. En zeker niet in haar leer en verkondiging, in haar verstaan van het evangelie. Zeker, er zijn fouten gemaakt aan beide kanten, zo wordt gezegd, er is aan beide zijden schuld, maar nimmer en nergens wordt de R.K. kerk zélf daarbij betrokken. De schuld die hier wordt toegegeven wordt alleen toegegeven wat de leden der R.K. kerk betreft. Ik veronderstel dat misschien daar ook nog wel pausen uit die dagen toe gerekend worden, al staat dat nergens met zoveel woorden. Maar ook dan geldt die schuld hen persoonlijk, hun persoonlijk optreden, niet hun ambt. Bovendien, de schuld die hier beleden wordt betreft alleen verkeerde daden, en nooit de léér der kerk. Kortom, terwijl de Reformatie (in haar geheel) getypeerd wordt als een zondige scheiding, staat er in heel het Decreet over de R.K. kerk zelf geen enkel kwaad woord.
Heel deze kwestie heeft alles te maken met wat men Rome's waarheids-pretentie kan noemen, een pretentie waar ook op Vaticanum II geen afstand van is gedaan. Op meer dan een plaats wordt ook in het Decreet over het oecumenisme gesproken over de waarheid, en altijd is dat in directe verbinding met de R.K. kerk. Zo lees ik ergens dat deze kerk verrijkt is „met alle door God geopenbaarde waarheid en met alle genademiddelen". En op een andere plaats, waar eigen kerkvolk wordt opgewekt om trouw te zijn aan de waarheid, wordt daar onmiddellijk aan toegevoegd „in overeenstemming met het geloof dat de katholieke kerk altijd beleden heeft". Dat de R.K. kerk ook weleens ooit ontrouw kan zijn geweest aan de waarheid, komt zelfs niet eens in het gezichtsveld. In dit licht gezien kunnen wij ons er nog nauwelijks over verwonderen dat de Reformatie gezien wordt als een zondige scheiding. Maar waar wij intussen ons wél over verwonderen is, dat zovelen aan reformatorische zijde, die geneigd zijn de verworvenheden van Vaticanum II hoog te waarderen, hier blijkbaar nauwelijks nog aan tillen. Is de waarheidsvraag dan zó onbelangrijk en onverschillig geworden? Haar onderschatting is naar ons oordeel een van de meest vege tekenen van heel de huidige oecumenische situatie.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's