De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Profetie in de Reformatietijd en daarna

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Profetie in de Reformatietijd en daarna

7 minuten leestijd

Wanneer we de gegevens bij Calvijn overzien, dan merken we het volgende op:
1. Volgens Calvijn gingen de nieuwtestamentische profeten steeds uit van de Schrift.
2. De bijzondere gave der profeten lag niet zozeer in het uitleggen van de Schrift maar ook — en vooral — in het toepassen daarvan op de omstandigheden, waar onder de kerk in een bepaalde tijd leeft. Vandaar dat Zwingli professoren in de exegese profeten noemde, en dat Calvijn dit niet deed.
3. Het is moeilijk om uit de verschillende plaatsen bij Calvijn een omlijnd beeld te krijgen van wat hij onder profetie verstond. Nu eens denkt hij aan bijzondere mensen, die God in een bepaalde tijd doet opstaan en die met bijzonder licht begiftigd zijn om de wil Gods uit de Schrift te verstaan; dan weer ziet hij de profetie als een gave, die in de nieuwe bedeling meer algemeen het deel wordt der ware gelovigen (denk aan Hand. 2 : 17).
Na het overzicht van de gegevens over de profetie bij de reformatoren willen we tenslotte nog wijzen op de invloed van de profetie, zoals Zwingli die in Zurich kende. Deze invloed was duidelijk in de vluchtelingengemeente in Londen, waar in het midden van de zestiende eeuw — tijd van geloofsvervolgingen — veel protestanten o.a. uit de Nederlanden hun toevlucht zochten. A. Lasco was daar de leidinggevende figuur.
Bij deze gemeente was de profetie bekend, zoals die door Zwingli in Zurich was ingevoerd. Was de profetie in Zurich zoveel als een theologische opleiding, dit karakter behield de profetie in Londen niet. De opzet van A. Lasco was het wel, maar men beschikte in Londen niet over de wetenschappelijke staf, die men in Zurich wel had.
Daardoor werd het accent verlegd van de wetenschappelijke exegese naar het aandeel van de gemeenteleden. In Zurich waren de gemeenteleden er ook reeds bij betrokken: in het tweede deel van de „lezing" mochten ze binnenkomen. Bovendien behoorde volgens Zwingli ook dit tot de profetie, dat de gemeenteleden op het door de profeten gesprokene critiek mochten uitbrengen.
In Londen kreeg de profetie langzamerhand de betekenis van het houden van een stichtelijke rede onder toezicht van de kerkeraad, om zich te oefenen in de dienst des woords (H. H. Kuyper, a.w. p. 302). Dit met de bedoeling om in die moeilijke tijden iets te doen aan de vorming van aanstaande predikanten. Er was een schreeuwend tekort. Maar toen de vervolging minder werd, konden de aanstaande predikanten worden opgeleid aan de universiteiten. En daardoor vervielen de „profetieën". Waar ze nog voorkwamen, kregen ze meer het karakter van de bij ons bekende „gezelschappen", maar dan in de goede zin van het woord, als samenkomsten van gemeenteleden met een predikant om de Schrift en de preek beter te leren verstaan, met toepassing op eigen geestelijk leven.
In Theologia Reformata (Jrg. XI. no. 4) komt een artikel voor van prof. Van der Linde over het Convent van Wezel (1568). In de Artikelen van Wezel — zo zegt hij — legt men „unieke nadruk" op het „ambt" der profeten.
„Onder die profeten verstaat men halfambtelijke mannen, sterk verbonden aan de kerkeraad, die in geval van nood hun advies inroept. Hun taak is, in de vergadering der gemeente schriftuitleg te geven naar het licht dat hun is verleend. Zij zijn geen catecheten, dus niet vergelijkbaar met onze godsdienstonderwijzers en zij zijn ook geen evangelisten in onze zin. Ze zouden eerder kunnen vergeleken worden met onze oefenaars, die dan ook al spoedig opkwamen toen de „profeten" niet werden gehandhaafd in de stand, die Wesel hun toedacht."
Tot zover prof. Van der Linde. Het is duidelijk dat hier een ontwikkeling te zien is in de opvatting over de profetie, die loopt van Zurich over Londen naar Wezel, een ontwikkeling waarbij de nadruk verschuift van de wetenschappelijke exegese in de richting van een stichtelijke toespraak. Wat „Wezel" hier bedoelde is niet verwerkelijkt. Latere synoden spreken niet meer over de profeten.

W. a Brakel
In de „Redelijke Godsdienst" spreekt W. a Brakel over het profetisch ambt van Christus. In dat hoofdstuk heeft hij het ook over het profetisch ambt van de christen.
Hij schrijft daar: Hetgeen Mozes eens wenste (Num. 11 : 29): och, of al het volk des Heeren profeten waren! is in het N.T. boven het O.T. op een bijzondere wijze waarachtig geworden; want de gelovigen zijn profeten, niet om toekomende dingen te voorzeggen; hoewel wij geloven, dat de Geest der profetie, om toekomende dingen te weten, niet geheel ophoudt in de kerk; maar dat de Heere nu nog wel aan deze of gene van Zijn getrouwe dienstknechten zodanige dingen, die of hen zelf of straf over de vijanden der kerk, of verlossing, of verdrukking der kerk raken, openbaart, en dat op hen nu nog wel bekrachtigd wordt, hetgeen de Heere Jezus zegt (Joh. 16 : 13): toekomende dingen zal Hij u verkondigen. Nochtans zijn die openbaringen geen regels voor anderen, noch in leer noch in leven, noch ook van anderen die zaken zeker te verwachten. De natuur des mensen is genegen tot voorzeggen, de duivel kan zich veranderen in een engel des lichts, de voorzeggingen en uitkomsten somtijdens overeenkomende, voeren de mens van God af, en neigen hem tot bijgelovige voorzeggingen uit dromen en andere voorvallen, waardoor men licht in de strik raakt; daarom moet een christen zich wachten én voor genegenheid om toekomende dingen, buiten de bijbel te weten én voor verlangen naar openbaringen of voor acht te slaan op dromen en uitleggingen, of op andere voorvallen, alsof ze wat toekomstigs beduidden. Maar een christen, rustende in de voorzienigheid Gods, heeft geloof en leven te besturen naar de wet en het getuigenis, en als hij naar de regel wandelt, zo wandelt hij zeker en heeft vrede." Tot zover a Brakel.
Hij laat dan vervolgens zien dat het profetisch ambt van de christen hierin bestaat, dat hij de verborgenheden van het evangelie verstaat en dat hij anderen daarin onderwijst, waarschuwt, troost. (Redelijke Godsdienst I, pag. 440).
Uit het boven genoemde citaat blijkt:
1. a Brakel ziet iedere ware gelovige als profeet.
2. De gave van profetie in engere zin, nl. om toekomende dingen te weten, houdt niet geheel op in de kerk.
3. a Brakel is op dit punt zeer voor­zichtig en al wil hij de Geest niet binden, toch waarschuwt hij voor 't gevaar dat we verlangen naar toekomende dingen buiten de bijbel om, het gevaar ook van bijgeloof en zelfbedrog.
We kunnen deze opvatting van a Brakel waarderen. De Heilige Geest kan behalve het profetisch ambt van iedere ware gelovige nog bijzondere gaven schenken. Ik denk aan het woord van Christus in Matth. 10 : 19, waar Hij zegt: het zal u in die ure (nl. staande voor de rechters, om het evangelie) gegeven worden wat gij spreken zult; want gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Geest des Vaders, die in U spreekt.
Deze belofte is van onzegbare troost voor het persoonlijk leven, maar ook voor het geheel van de kerk en haar weg: daar kan de Heere bijzonder licht over geven. Maar dit zal — naar onze overtuiging — altijd zijn als het nodig is, en steeds in gebondenheid aan de Schrift en in overeenstemming daarmee. Dan zal daarbij steeds de openbaring Gods in de Schrift door de Geest worden toegepast op de bijzondere omstandigheden.
En dan is van groot belang te zien dat a Brakel de meeste nadruk legt op het profetisch ambt van de gelovige, dat ten doel heeft om ook anderen te leren en te zoeken hen tot bekering te brengen. Hij vertelt (Redelijke Godsdienst, pag. 443): „Ik heb door ondervinding, wat zegen door zes of acht dochters, die zich als profetessen ten dienste des Heeren overgaven, en iedereen, waar zij enige ingang konden maken tot kennis en bekering opwekken, wat zegen (zeg ik) de Heere te Harlingen (toen mijn gemeente) gegeven heeft."
We beëindigen hiermee dit historisch overzicht. Twee dingen springen naar voren:
1. Als we bijzondere openbaringen buiten de Schrift om zoeken, lopen we gevaar in valse profetie terecht te komen.
2. De ware profetie, in engere en ruimere zin, zal steeds ten doel hebben om „overvloedig te zijn tot stichting der gemeente” (I Cor. 12 : 39).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Profetie in de Reformatietijd en daarna

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's