De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Omsluierde en ontsluierde heerlijkheid (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Omsluierde en ontsluierde heerlijkheid (1)

8 minuten leestijd

„En wij allen, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heer en als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde heeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heer en Geest” (2 Cor 3 : 18)

In dit laatste vers van 2 Cor 3 geeft Paulus een samenvatting van wat hij in heel dit hoofdstuk beklemtoond heeft over de heerlijkheid van de nieuwe bedeling, boven de oude, die van het Oude Verbond boven het Nieuwe Verbond. En het onderscheid tussen die twee bedelingen typeert hij in de zin van minder (O.T.) en meer (N.T.) heerlijkheid. In beeldspraak zouden we dit kunnen weergeven als een verschil tussen de maan en de zon. Ook de maan geeft hetzelfde licht door als de zon, maar toch heel verschillend.
En omdat er in de gemeente van Corinthe het gevaar bestond om het licht van de nacht te stellen boven dat van de stralende dag, stelt hij het scherp, door het onderscheid aan te geven in de woorden: letter—geest; dood—leven; verdoemenis—rechtvaardiging. Immers het O.T., de bediening van de Wet, houdt het doodvonnis in. Niemand kan aan de eis „doe dat en gij zult leven" beantwoorden. En zo dreigde de dood. Wie kan bestaan? Een zaak waar we voor komen te staan, mee geconfronteerd worden, wanneer de Heere met ons in het gericht gaat.
Maar toch straalde ook in dat eerste, wat de Heere gaf, de heerlijkheid des Heeren, maar in mindere mate. De heerlijkheid weerkaatste het van het recht des Heeren, de heiligheid en onkreukbaarheid Gods.
De Heere komt ook aan Zijn eer in de bediening van het vonnis van de dood aan de mens. De Geest des Heeren leert het ook nu nog beamen „Gij zijt volmaakt. Gij Zijt rechtvaardig, Heer', Uw oordeel rust op de allerbeste wetten". Deze onthulling van de heerlijkheid accentueert de afstand tussen God en de mens. Zij riep heel sterk de vraag op naar een fundament, waarop de mens toch zou kunnen bestaan. De openbaring van de heerlijkheid zelf gaf daarop echter geen antwoord. Daarom is in vergelijking bij wat de Heere nu onder het Nieuwe Verbond doet, de O. Testamentische heerlijkheidsmanifestatie ver de mindere. „De wet is door Mozes gegeven, maar de waarheid en de genade zijn door Jezus Christus geworden".
De apostel werkt dat nu nog nader uit, door te zinspelen op wat hij in het voorgaande heeft opgemerkt over Mozes, die op bevel des Heeren de berg Sinai had beklommen en daar wonderlijke dingen beleefde. De Heere zelf, de God van Israël, kwam naar beneden in een wolk en trok aan Mozes' aangezicht voorbij onder het uitroepen van Zijn eigen grote Naam. En als hij straks uit deze presentie des Heeren terugkomt bij het volk en Aaron, zien zij, dat de huid van zijn gezicht glanst vanwege de weerkaatsing van de heerlijkheid des Heeren, die hij op de berg aanschouwd had.
In die glans op Mozes' gezicht nu, ziet Paulus een beeld van de heerlijkheid van de oude bedeling. Die was maar tijdelijk van aard, voorbijgaande, in overeenstemming met het uitwendig-vergankelijk karakter van heel die bedeling. Bovendien was het niet mogelijk om lang naar die glinstering op Mozes' gezicht te kijken, zonder er door verblind te worden. En het was ook onmogelijk dat deze heerlijkheid op anderen werd overgedragen.
Daarom concludeert de apostel, dat veel uitnemender en heerlijker is de bediening van de bedeling van de nieuwe dag, waarin de Geest van Christus, de rijkdom en de vreugde van Gods kinderen is geworden.
Er was nl. in de bediening van de Wet iets dat vanzelf sprak, want dat de Heere de zondaar straft is het gevolg van Zijn heilig recht. Maar dat de zondaar het volle leven ontvangt is een wonder. Dat een zondaar eeuwig veroordeeld wordt is recht, maar dat diezelfde zondaar niet alleen gratie krijgt, maar een gerechtigheid onder de voeten krijgt, op grond waarvan hij ook naar heilig recht vrijgesproken móet worden, is buiten alle wet. Met kennis van deze zaken, komt over onze lippen „Hier weidt mijn ziel met een verwonderend oog". Het kan een armoede aan Geest verraden als wij de meerdere heerlijkheid van de Nieuwe bedeling, in haar onopvallende majesteit, niet kunnen onderkennen, want als natuurlijke mensen treffen we bij de Sinaï weliswaar veel aan, maar als wij uit de Heilige Geest leven zullen wij deze meerdere heerlijkheid van de nieuwe dag, die minder te zien geeft, liefhebben.
Aansluitend aan deze gedachtenlijn, zegt de apostel nu verder, dat „wij allen" met ongedekt gezicht de heerlijkheid des Heeren als een spiegel aanschouwen. Dat „wij allen" ziet in eerste instantie op de dienaren van het nieuwe verbond, want het is immers de uitnemendheid van de door hen ontvangen bediening boven die van Mozes.
Maar de kring van dit „wij allen" wordt steeds wijder, want dit voorrecht vallen al de gelovigen van de nieuwe dag ten deel. De werkingen van de Geest en het aanschouwen van de goddelijke heerlijkheid zijn nu het deel van alle gelovigen. En het gebed van Mozes, dat al het volk des Heeren, profeten mocht zijn, is verhoord. Nu staat er, zegge en schrijve niet maar één man voor Gods aangezicht, Mozes, maar nu is er een volk, dat de berg des Heeren mag beklimmen. Nu is daar een vrije toegang op een verse en levende weg van het bloed van Christus en nu is daar een verkregen volk, een heilig volk, dat geroepen is tot Gods wonderbaar en heerlijk licht. En nu klinkt het appèl om met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon der genade om geholpen te worden en genade te ontvangen ter bekwamer tijd. Hier gaan de bronwellen des Heeren vloeien. Het hart dat om leven roept kan hier zijn vervulling vinden. Het gebed „gun leven aan mijn ziel" behoeft niet meer tevergeefs te worden opgezonden.
Wanneer er nu door Paulus vervolgens gezegd wordt, dat wij die heerlijkheid des Heeren aanschouwen „met ongedekt aangezicht" dan is dat een zinspeling op het feit, dat, toen Mozes met zijn nog glinsterend gelaat tot het volk sprak, zijn gezicht terwille van het volk bedekte en die bedekking weer wegnam bij het betreden van de tabernakel om God te ontmoeten. Aan die omhulling van Mozes' gelaat heeft de apostel echter een andere gedachte verbonden nl., dat deze omhulling van Mozes, tot op vandaag toe, ligt op het hart van de Joden, wanneer „Mozes" (d.i. de wet) en heel het Oude Testament door hen wordt gelezen,
Die bedekking nu, waardoor zij de heerlijkheid des Heeren in de Schriften van het Oude Verbond niet in staat zijn te onthullen, wordt nu weggenomen door Christus, of — wat hetzelfde is — door Christus' Geest. Waar de Geest van Christus werkt, wordt telkens, wanneer iemand tot bekering komt, de bedekking weggenomen (vs. 16) Paulus wist het uit eigen ervaring. Met welk een ijver had hij niet het O.T. bestudeerd, maar hij had Christus er niet in gevonden. Op de weg naar Damascus vielen hem de schellen van de ogen en werd zijn verstand verlicht en zijn hart vernieuwd. Hij getuigt daar in het volgende hoofdstuk van „de God, die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods, in het aangezicht van Jezus Christus". En hij weet, dat dit nu een voorrecht is van allen, die in waarheid geloven. Dan gaan we verstaan de juichtoon van Johannes „wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd — vol van genade en waarheid". Waar de Geest des Heeren is, is vrijheid. Daar worden de banden van onwetendheid verbroken, wordt het hart bekeerd en valt de sluier weg, waardoor het zien van Christus' heerlijkheid belemmerd wordt.
Zo is het bij de Jood en zo is het in feite ook bij de Griek, bij ons, want die bedekking, die verhindert Christus' heerlijkheid te zien, is tenslotte de macht van het ongeloof, en aan die macht zijn wij allen, van nature, onderworpen. Maar waar de Geest van Christus werkt, wordt de macht van het ongeloof verbroken en dan staan we, bij het lezen van de Schrift, bij het horen van het Evengelie, met ongedekt aangezicht voor die spiegel, waarin de heerlijkheid van Christus wordt getoond.
Wij allen — dat zegt, dat dit geen vreemde zaak voor u mag zijn. Wij allen — dat betekent ook, dat hier voor niet één kind des Heeren een uitzondering kan worden gemaakt. Daarom werkt het ontdekkend werk van Gods Geest altijd heen naar het zien van Christus' heerlijkheid. Hoe wordt Hij de parel van grote waarde, die met zijn stralen de aandacht van de gelovigen boeit. Die Geest werkt zó onthullend, dat het deksel van eigen hart wordt weggenomen. Maar niet minder onthullend is Hij bezig om Christus Jezus te verheerlijken.
Hebt u deel aan die heerlijkheid en bent u daarop ingesteld? Arm bent u, als u er wel onder leeft, maar met gesloten ogen. Bedenk, dat u nu nog leeft onder het rijke woord, dat God Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen wil geven, die Hem met hartelijk zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.
D.                                                                                            Anth. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Omsluierde en ontsluierde heerlijkheid (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's