De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEDAANTEVERWISSELING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEDAANTEVERWISSELING

9 minuten leestijd

„En wij allen, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid als van des Heeren Geest”. 2 Corinthe 3 : 18.

II.
„En wij allen, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid als van des Heeren Geest". 2 Corinthe 3 : 18.
De apostel Paulus heeft dus, zoals wij de vorige week zagen, de volle aandacht van de gemeente van Corinthe opgeëist voor het méér van de heerlijkheid van Christus in het Nieuwe Testament tegenover die van Mozes onder het Oude Verbond, want rondom Christus liggen de dingen anders dan rondom Mozes. De omhulling is weg. Er is een onbedekte Christus en er is een werking van de Heilige Geest, die de bedekking van ons zielsoog wegneemt om Christus in Zijn heerlijkheid nodig te krijgen en te kennen.
Maar die heerlijkheid wordt hier op aarde, ook al zijn we verlicht door de Geest, niet linea recta, van aangezicht tot aangezicht aanschouwd. Ze is nog verborgen, omdat Christus, in de staat der verhoging, nu in de hemel is en wij nog op de aarde zijn. Alleen de triumferende Kerk, allen die in de Heere ontslapen zijn, aanschouwen Hem regelrecht in Zijn heerlijkheid aan Zijns Vaders rechterhand, maar hier op aarde zien wij die heerlijkheid, aldus Paulus, nog door een spiegel.
Deze beeldspraak, die voor de Corinthiërs heel duidelijk was, omdat men in die stad, beroemde glad gepolijste metalen spiegels maakte. Zulke spiegels gaven slechts een matte weerkaatsing, zoals b.v. een zonnestraal in een spiegel niet de zon zelf is, maar die zwak weerkaatst. Zo zien wij ook in deze aardse bedeling slechts een vage weerkaatsing van de heerlijkheid des Heeren.
Met die „spiegel" wordt bedoeld het Woord Gods, waarin ons Christus in al Zijn schatten en weldaden wordt getoond. De Heilige Schrift, maar in de eerste plaats als Oude Testament, want dat was immers voor de Joden als een deksel, omdat hun ogen alleen maar gericht waren en bleven op de gesluierde Mozes. Paulus echter nu weet het uit zijn eigen leven, dat, toen die bedekking weggenomen werd, hij pas recht het O.T. begon te verstaan. En in zijn zendbrieven heeft hij helder getuigd van de heerlijkheid van Christus, zoals zij die, geleerd door de Geest, op de bladzijden van het O.T. beschreven vond. Maar daaraan zit ook verbonden het evangelie van de Nieuw-testamentische vervulling, zoals het door apostelen en evangelisten werd verkondigd en ook geleidelijk, evenals het O.T., werd te boek gesteld. Alleen van Christus uit wordt de betrekkelijkheid van de Oude Bedeling begrepen en zien wij de heerlijkheid van Mozes overgaan in Zijn heerlijkheid.
Rijk is het, wanneer naar deze ontdekking gevraagd wordt, omdat dan verstaan wordt, dat al wat aan Christus is, gans begeerlijk is. Verlangt uw hart die ontdekking van de volheid van Christus? Dan voltrekt zich het wonder van die Geest, wie het eigen is bedekkingen weg te nemen. Een openbaring wordt het, wanneer het deksel van eigen hart wordt weggenomen. De banden van onwetendheid worden verbroken, de sluiers moeten vallen, de gordijnen worden weggeschoven, hemelen worden geopend en Christus' heerlijkheid wordt aanschouwd.
En intens wordt begrepen, dat de Naam van Jezus, de enige Naam is, die onder de hemel tot zaligheid is gegeven en wij klimmen, net als een Mozes, de berg des Heeren op om tot de Heere te naderen. Dan gaat, voor wie verlost werd van het deksel, het alles leven, al is het niet alles tegelijk, maar toch telkens weer en telkens meer. Het is een opwassen in de kennis en de genade van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus. Ja, hier is waarachtig meer te zien dan op Sinaï.
Maar, nu blijft het niet bij zien, hóe onuitputtelijk rijk ook. Want in deze confrontatie met de heerlijkheid van Christus, gaan we ontdekken, hoe totaal ongelijkvormig aan Christus wij zijn. Daarom voegt de apostel er, rijk bemoedigend aan toe, dat wij „naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid". Er vindt door het zien van deze heerlijkheid een grote verandering, een algehele metamorfose, een verwisseling van gedaante, plaats. Eens werd Christus gelijk gemaakt aan ons beeld, nu worden wij gelijk gemaakt aan Zijn beeld. Er gaat van dit „beeld" kracht uit. Een ieder die de heerlijkheid van Christus in de spiegel van het Woord door de Heilige Geest aanschouwt, kan Hem niet zien, zonder dat hij er de heerlijke invloed van ondergaat. Is er dan niet de hartelijke begeerte om niet alleen naar sommige, maar naar al Gods geboden te leven? Zou Christus dan niet gestalte in ons verkrijgen? Komt er niet hoe langer hoe meer een vermaak in de wet Gods, naar de inwendige mens?
Wie nu in Christus is, wordt niet enkel van dood weer levend, maar hij wordt zó levend, dat hij nooit meer verderven kan. Hij kan nooit meer in de geestelijke dood ondergaan. Er is geen afval der heiligen. Vaak openbaart zich in ons lichaam het verderf, bijzonder bij ziekte en ouderdom. Het lichaam wordt zelfs gezaaid in oneer. Maar het perspectivisch licht van de opstanding des vleses valt er overheen, want het wordt opgewekt in heerlijkheid. Vanuit onszelf kunnen wij alleen maar zeggen „wij worden afgebroken", maar, in Christus ingelijfd, mogen wij zeggen „wij worden veranderd". Die hoop mag al ons leed verzachten!
Zo valt er hier in dit leven al een glans over het leven van al de Zijnen, omdat Christus' beeld in hun leven weerkaatst wordt in die gedaanteverwisseling. Want, staande in de vrijheid van het kindschap Gods, zijn zij niet meer slaven der zonde, maar zijn ze met Christus tot koningen gezalfd en in die koninklijke vrijheid vertonen ze nu reeds een afschijnsel van de koninklijke heerlijkheid die Christus van de Vader ontving.
Neen, niet allereerst op onze uiterlijke verschijning, zoals bij Mozes, toen na de ontmoeting met God, de huid van zijn gezicht straalde. Want onze uiterlijke mens zal almeer vervallen. Maar de heerlijkheid des Heeren over ons wilsleven, over ons verstand, over ons gevoelsleven, over ons geweten. Kortom totale levensvernieuwing, want adeldom verplicht. In Hem zijn we gerechtvaardigd: de donkere schuld is weggeveegd. In Hem zijn we geheiligd: de vuile vlekken zijn weggewist. Ja, we zijn met Hem al in de hemel gezet. Hier borrelen de bronwellen des heils niet alleen tot rechtvaardiging, maar ook, en vooral tot heiliging van het leven en tot een volkomen verlossing.
Maar dan zal dit ook aan ons gezicht merkbaar moeten zijn. En wij mogen dat niet verbergen, zoals Mozes. Het stralen van zijn gelaat bracht voor de Israëlieten het gevaar, dat zij zich aan het voorbijgaande zouden hechten. Wat de Middelaar van het nieuwe verbond ons in Zijn beeld doet weerspiegelen, is eeuwig. Daarom behoeven wij ons niet te omsluieren, te maskeren. De glans blijft; we zien het soms bij stervenden als de ogen breken gaan.
„In gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid", dat is een gedaanteverandering van trap tot trap, een opklimming. Het is de ene heerlijkheid na de andere. Hoe nodig is het om ons te oefenen in deze verborgenheden van het geloof, zo wij Christus kennen. Maar nu moeten wij dat niet verkeerd opvatten. Gezien in het licht van heel de Schrift betekent dit niet, dat het geestelijk leven van de Christen maar ongestoord doorgaat van glorie tot victorie. Veeleer moeten wij dat zien vanuit wat onze catechismus belijdt nl. dat ook de allerheiligsten, zolang zij in dit leven zijn, maar „een klein beginsel dezer gehoorzaamheid bezitten". En die woorden vertolken de taal van Gods Woord en dat klopt met wat diezelfde Paulus aan de gemeente van Rome schrijft „als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij". Dit neemt echter beslist niet weg, dat dit kleine beginsel toch een uitermate grote zaak is. Zeker, in beginsel, ten dele, maar niet minder werkelijk daarom. Wie iets weet van de verdorvenheid van zijn hart, weet ook welk een reden tot lof en dank aan de Heere hij heeft, wanneer hij toch in dat hart een klein beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid aanwezig mag weten. Dat kleine beginsel is heerlijkheid. Een afschijnsel van Christus, bestemd, niet om voorbij te gaan als de glans van Mozes' aangezicht, maar om te blijven tot in eeuwigheid.
De apostel voegt er tenslotte nog aan toe „als van des Heeren Geest". Breder omschreven wil dat zeggen, dat die blijvende en toenemende verandering in stand blijft omdat deze overeenkomt met het feit, dat ze door de Geest des Heeren (d.i. van Christus) wordt gewerkt.
Dat betekent nog niet, dat alles wat de Geest van Christus werkt, voortduurt en blijvend van aard is. Denk, om iets te noemen, alleen maar aan de tekenen op de Pinksterdag, die weliswaar het werk van de Geest waren, maar die toch als tekenen zijn voorbijgegaan. Maar bij de verandering van de gelovigen naar Christus' beeld is dat anders. Dan is er niet alleen van een werk des Heeren sprake, maar van zo'n werk, waarop die Geest volledig Zijn goddelijk stempel van het onvergankelijke en onoverwinnelijke heeft gezet. Die Geest maakt woning in de gemeente om bij haar te blijven in eeuwigheid. Hij zal niet rusten voor Hij haar geheel vernieuwd heeft. Wel kunnen wij door onze zonde die Geest bedroeven en in Zijn werking belemmeren en het gebeurt maar al te vaak, dat er van verachtering in de genade valt te spreken. Maar toch heeft tegenover onze zonde en de verleidingen van de wereld en de boze invloeden van de Vorst der duisternis, de Geest het laatste woord. Hij is sterker dan al die boze machten en Hij verlaat niet wat Zijn hand begon. Zijn werk gaat door, totdat Hij in het uur van het sterven u geheel van zonden reinigt en op de dag der opstanding ook u met het nieuwe, geestelijke, verheerlijkte lichaam bekleedt.
Naar dat einddoel gaat de reis van Gods pelgrims. „Van heerlijkheid tot heerlijkheid". Misschien zegt u „maar zo ruim heb ik het niet, er is bij mij zoveel dat daarmee in strijd is". Als u dat tegen Paulus gezegd had, had hij wellicht geantwoord „zo ruim als dat schijnt te bedoelen, heb ik het ook niet"; ik moet ook wel uitroepen: „ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods". Maar ik ken ook het antwoord: „Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onze Heere". Door Hem en door Zijn Geest. En dan moge het zijn een ons hier zich waggelend en hinkend, zelfs kruipend over de grond voortbewegen (Calvijn). Maar dan voortbewegen. Het blijft toch „van heerlijkheid tot heerlijkheid", van kracht tot kracht, om uiteindelijk naar een andere heerlijkheid over te gaan, een heerlijkheid zonder zonde, zonder tranen, zonder enige omhulling. Een Hem kennen zonder enig gebrek, van aangezicht tot aangezicht. Is hiermee uw toekomst getekend?
Delft                                                   Anth. Gooijer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GEDAANTEVERWISSELING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's