De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk V, artikel 13 Wanneer ook het vertrouwen der volharding wederom levend wordt in degenen, die van de val weder opgericht worden, zo brengt dat in hen niet voort enige dartelheid of veronachtzaming der godzaligheid, maar een veel grotere zorg, om de wegen des Heeren vlijtiglijk waar te nemen, die van tevoren bereid zijn, opdat zij daarin wandelende, de verzekerdheid van hun volharding zouden mogen behouden, en opdat het aanschijn des verzoenden Gods (waarvan de aanschouwing den godvruchtigen zoeter is dan het leven en waarvan de verberging bitterder is dan de dood), om het misbruik van zijn vaderlijke goedertierenheid niet wederom van hen afgekeerd worde, en zij alzo in zwaarder kwellingen des gemoeds vervallen.
Zorg voor de wegen des Heeren.
De reformatie leert op grond der Heilige Schrift, dat de gelovigen zalig worden op grond van het geloof alleen, zonder de werken der wet. Het geloof omhelst Christus en aan deze gelovige rekent God toe de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus. God schenkt en rekent deze toe zonder enige verdienste van de gelovige, uit louter genade. De goede werken van de gelovige komen als grond der zaligheid niet in aanmerking. Zij maken ons niet rechtvaardig voor God en zijn ook geen stuk van de gerechtigheid van de gelovige. De rechtvaardigmaking, de vrijspraak dus van schuld en straf, vraagt niet hoeveel zonden iemand gedaan heeft of hoeveel goede werken. God vraagt alleen naar het geloof in Christus, of iemand door een waar geloof met de Heere Jezus verenigd is. Hij hoeft ook daarna geen enkel goed werk meer te doen om zijn zaligheid te verdienen en de gelovige kan ze ook door zijn zonden niet verliezen. Alle man, die de vrije wil leert, zoals roomsen en remonstranten en wie ook, vinden dit een zeer bedenkelijke leer. Zij menen, dat dit betekent, dat een waar gelovige hier een vrijbrief in kan en zal vinden om het met Gods geboden niet nauw te nemen. Dat is een gedachte, die men in de geschriften der reformatoren niet aantreft en die op een verkeerde veronderstelling berust. Roomsen en remonstranten gaan er van uit, dat in de gereformeerde leer de rechtvaardigmaking niets verandert bij de gelovige. Zij hebben er blijkbaar geen erg in, dat aan het geloof in orde de wedergeboorte voorafgaat, die een verlichting van het verstand en een overbuiging van de wil betekent. De gelovige blijft, zo zeggen de roomsen b.v. vaak van Luther, bij de reformatie precies zoals hij in zijn onbekeerde staat was. Er heeft geen vernieuwing plaats. De remonstranten gaan daar ook van uit voor de gereformeerde leer en vergeten te bedenken, dat in de gelovige de Heilige Geest komt wonen en dat deze inwoning een heel nieuw leven meebrengt aan lusten en begeerten, woorden en daden.
Als de zondaar overgaat in de staat der genade uit de staat van de natuur en der overtuiging, wordt de wil vervuld met de begeerte om God te dienen en te verheerlijken. De hartstochten worden gezuiverd om de zonde te haten, de genegenheden gebogen om de Heere te kiezen en zijn dienst van harte en zuiver te beminnen. Christus is niet alleen tot rechtvaardigmaking doch niet minder tot heiligmaking geschonken. Luther is wel zeer gekant geweest tegen de verdienstelijkheid der goede werken, maar niet tegen hun noodzakelijkheid. Het geloof ontvangt niet alleen vergeving doch ook genezing. Daar blijft een oude mens, doch dan komt ook een nieuwe mens op. Zoals de catechismus zegt: de bekering is een sterven van de oude, en een opstaan van de nieuwe mens.
De Schrift, die door de reformatoren hierin trouw gevolgd is, spreekt van een nieuwe schepping, een wedergeboorte, een telkens opnieuw actueel aandoen van de Heere Jezus Christus, een vernieuwd worden van dag tot dag. Een christen is een mens, wiens leven radicaal veranderd is. Hij is overgegaan uit een toestand van dood en slavernij in die van leven en vrijheid, door het scheppend machtswoord van God. Dit almachtige en herscheppende werk van de Geest gaat op een persoonlijke en individuele wijze in het bestaan der gelovigen in. Vanuit deze genezing, herschepping, wedergeboorte verder denkende, is het uitgesloten, dat de belijdenis van de vergeving der zonden om niet en van de rechtvaardigmaking van de goddeloze de gelovige al dieper en dieper in de zonde zou neertrekken. Die gevallen is, krijgt pijn. Zo begint het. En hoe langer die val van de wedergeborene of het liggen in die gevallen toestand duurt, hoe groter die pijn wordt en hoe dieper de verootmoediging. David vertelt hiervan in het begin van Psalm 32. Wanneer nu Gods kind bij herhaling genade bij God heeft gevonden, wat zal deze gunst anders uitwerken dan een grotere zorg om niet opnieuw van de wegen Gods weg te dwalen. Uit de nieuwe mens vloeien begeerten voort om in Gods wegen te gaan. Doch daar is, ook de oude mens. Wie in de macht der zonde is verstrikt, zal deze oude mens pijnlijk gewaar zijn geworden. Zo ontstaat een vrees voor herhaling na de verlossing. Vandaar het gebed, dat Jezus Zijn volk leerde bidden: „Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze". Dat is heel wat anders dan dartel leven. Het is een ingespannen krachtsontplooiing om niet weer in zonde te vallen. Want dat zal de bedoeling van deze bede wel zijn! Onze Vader, die in de hemelen zijt, laat de duivel het niet opnieuw van mij winnen, doch bevrijdt mij van zijn kracht. Op deze wijze werken ook de mislukkingen in ons leven mee ten goede. Zij maken gespannener op de geboden des Heeren. De nieuwe mens stelt zichzelf niet de wet. Hij leidt ook uit de situatie, waarin hij verkeert, de wil Gods niet af. Neen, hij houdt de situatie in het licht der wet.
Ons artikel spreekt van wegen, die te voren bereid zijn. Deze uitdrukking doet denken aan Efeze 2 : 10: Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in de zelve zouden wandelen". Welke zijn deze wegen? De apostel heeft te voren prachtige dingen gezegd over de souvereine genade Gods in Jezus Christus. De uitverkorenen zijn overgebracht uit de dood naar het leven, uit de dwaling van het heidendom naar het ware geloof. Zij waren eerst kinderen des toorns en dood in zonden. Daar was niets goeds in hen, dat Gode aangenaam kon zijn. Maar toch zijn zij begenadigd. De grond van deze overbrenging is louter Gods barmhartigheid, de grote liefde, waarmee God Zijn volk heeft liefgehad. De apostel roept uit: Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme”.
Zalig worden is uit genade en het is door het geloof. De zaligheid is een gave, want het geloof is de grote gave Gods, waardoor wij Christus aannemen, die de zaligheid is. Horen er dan geen werken bij ? Vers 9 zegt, dat de goede werken niet aan de zaligheid voorafgaan en niet de voorwaarde zijn om in Christus te mogen geloven, maar wel de vrucht van de nieuwe schepping. Gods kinderen zijn niet nieuw gemaakt uit hoofde van hun werken, maar deze laatste zijn een vrucht van de nieuwe schepping, evenals het geloof. Overigens valt de uitspraak wel op, dat God de werken heeft voorbereid. De weg der goede werken is ten diepste niet een weg van de mens naar God, maar van God naar de mens. Waarin bestaat die voorbereiding? Die bestaat in de inwendige, krachtdadige, onwederstandelijke roeping. Daardoor wordt het hart immers overgebogen om het goede te willen en te doen. Het is de inwoning van Christus, die de gelovige voortdrijft om te begeren naar al Gods geboden te leven. Daarom zegt de catechismus, dat het onmogelijk is, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Luther zegt er van: Waartoe ieder ding geschapen is, dat doet het zonder wet en dwang. De zon schijnt van nature, zonder bevel; de pereboom draagt uit zichzelf, zonder dwang. Drie en zeven móeten niet tien zijn; zij zijn het al. Het is niet nodig, dat men tot de Heere God zegt, dat Hij goed moet doen, want Hij doet het zonder ophouden van Zichzelf uit, gewillig en gaarne. Alzo behoeft men de rechtvaardige niet te bevelen, dat hij goede werken moet doen, want hij doet het toch al, zonder enig gebod of dwang, omdat hij een nieuw schepsel is en een goede boom".
De goede werken zijn dus voorbereid, doordat de gelovigen toebereid zijn. Paulus handelt niet over werken, die boven of buiten de mens in de eeuwigheid b.v. gedaan zijn, maar over de genade, die de heiligmaking werkt. Alle bereidheid der gelovigen ligt in dit voorbereiden Gods besloten. Zij zijn bereid, gereed tot de dienst, tot de onderwerping aan het heilig gebod, dat nu de regel van hun leven is. Men kan ook zeggen, dat God de dankbaarheid werkt. De gelovige is wedergeboren, herschapen, vernieuwd, opdat hij in goede werken zou wandelen. De heilige wandel is een vanzelfsprekendheid, maar ook een eis. De mens is in de genade niet een stok en een blok. De genade maakt werkzaam, doet bidden: „Verberg uw geboden voor mij niet", en maakt bevreesd voor de zonde. Is een gelovige in zonde gevallen en weer opgericht, dan leeft het nieuwe deel op om met meer begeerte te zoeken de dingen die boven zijn. Dat is een gevolg van het feit, dat de genade Gods in de werkelijkheid van hun leven heeft ingegrepen en hen vernieuwt ook door de ondervinding van hun altijd nog bestaande oude natuur en door de ondervinding van Gods onveranderlijke genade. Deze genade maakt niet dartel in de zonde. „Maar (zij brengt wel voort) een veel grotere zorg, om de wegen des Heeren vlijtiglijk waar te nemen, die van te voren bereid zijn".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's