De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAAROM HEBBEN WIJ DAARAAN NIET EER GEDACHT?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAAROM HEBBEN WIJ DAARAAN NIET EER GEDACHT?

9 minuten leestijd

Kerkdiensten voor geestelijk gehandicapten.
Er loopt een man langs de straat.
Zijn bewegingen zijn wat houterig en onbeheerst, zijn gedragingen vreemd. Wat hij stamelt is nauwelijks verstaanbaar en als we hem wel verstaan, horen wij kindertaal uit de mond van een volwassene.
Ouderen zeggen voorzichtig, bang om iemand te kwetsen, dat hij niet is als anderen.
Kinderen vinden, dat hij „zo raar" doet. Enkelen zijn schuw voor hem en anderen — maar niet alleen kinderen! — maken hem tot het mikpunt van eindeloze plagerijen. Als dan hun slachtoffer — want dit is hij! — tot het uiterste getergd, iets zegt of doet, dat niet door de beugel kan, wordt men te meer in zijn mening versterkt: „toch anders als de anderen".
We kennen allerlei woorden om deze mensen aan te duiden.
Nog niet zo lang geleden noemde men in een Drents dorp de school voor deze kinderen de „gekkenschool". Overal in het land hoort men nog spreken van achterlijk, om van erger woorden nog maar te zwijgen. Men beseft niet half, hoe deze namen de kinderen — vaak — en de ouders — altijd — ten diepste wonden op een van de teerste plekken van hun leven.
Telkens kiest men andere benamingen om dit onzegbaar leed niet zo wreed aan te duiden.
U hoort het woord oligophrenen. Of imbecielen.
Maar in korter of langer tijd krijgt ook dit nieuwe woord weer een klank, die pijn doet en soms zelfs niet vrij is van een zekere verachting.
Nu spreken wij van geestelijk gehandicapten en zwaar gehandicapten.
Gehandicapt zijn zij inderdaad. Soms zichtbaar en hoorbaar. Soms niet zo duidelijk waarneembaar, maar toch zijn zij „niet als de anderen".
Sommigen van hen gaan ook mee naar de kerk.
Ik waardeer de moed van de ouders, die hun kinderen, die zo zijn, meenemen naar het huis van God.
Soms met bijzonder smartelijke ervaringen.
Het kan zijn, dat hun kleine of grote kind rustig blijft, maar het kan ook zijn, dat hij min of meer luidruchtig is; hij kan niet zo lang stil zitten.
En als er gezongen wordt, zal hij heel vaak niet mee kunnen zingen; hij kent de woorden niet en de melodie evenmin. Zo wordt zijn zingen een uitstoten van klanken, meedeinend met wat anderen zingen maar ook er tegen in.
Ouders hebben de afkeurende blikken gevoeld van anderen. Meermalen hebben zij ook horen zeggen, dat men zulke kinderen beter kon thuislaten.
Och, de christelijke gemeente kan zo hard zijn!
En deze ouders, die, zoals een bekende schrijver het zei, een zenuw hebben, die bloot ligt, gevoelen dit dubbel erg.
Het gevolg kan zijn, dat men de kinderen nu maar thuis laat. Of dat de gehandicapten zelf niet meer mee willen naar de kerk.
Maar wat dan?
We kunnen over bijzondere diensten denken zoals we willen — dat is nu niet aan de orde — maar het ideaal blijft toch het gezin, dat naar de kerk gaat. Juist in de gemeenschappelijke kerkgang komt iets tot uiting van de eenheid van het gezin, de jongeren en de ouderen.
Nu kan men zeggen, dat kinderen niet alles begrijpen. Het is waar, maar zo moeten zij leren begrijpen. En inderdaad leren zij dat ook wel.
Maar deze mensen leren het niet, omdat zij dit niet kunnen leren. Zij blijven kinderen in het verstand.
Wat staat ons dus te doen?
Innig dankbaar mogen wij zijn, dat deze mensen nu de aandacht gaan krijgen ook in de kerk, die zij verdienen.
Al hebben we te bedenken, dat dit nauwelijks een deugd kan genoemd worden. Het is eer een ondeugd, dat we er niet eer aan gedacht hebben of er eer werk van hebben gemaakt.
Ik denk aan de katechisaties, die nu voor deze gehandicapten worden gehouden. Op de gewone katechisaties, als ze daar althans kwamen, zaten ze er bij, verveeld, vergeten, tot zij door hun gedrag de aandacht trokken en een vermaning kregen.
Nu zijn er in vele plaatsen aparte katechisaties voor deze leden van de gemeente. Meestal worden deze lessen gegeven door mannen en vrouwen, die weten hoe zij deze katechisanten moeten benaderen.
Het is heerlijk te mogen bemerken, hoeveel zij dan nog leren en blijken te begrijpen. Zelfs zo, dat velen van hen in de loop der jaren belijdenis des geloofs hebben afgelegd.
Meestal deed ik het dan zo, dat zij door hun eigen onderwijzers, aan wie zij gewend zijn en die aan hen gewend zijn, worden ondervraagd bij de „aanneming" en daarna tegelijk met de andere nieuwe lidmaten in het openbaar werden bevestigd. Ik zou er met de grootste nadruk voor willen pleiten, dat dit, waar dit nu nog niet gebeurt, zo spoedig mogelijk wordt ingevoerd.
Maar die kerkdiensten dan?
We zijn innig dankbaar — en dit woord is niet te sterk — dat nu in Veenendaal, Huizen, Zwijndrecht, Rotterdam en vele plaatsen meer ook kerkdiensten worden gehouden voor de geestelijk gehandicapten.
Niet minder verheugd — en beschaamd — zijn we door het feit, dat voor deze diensten een grote en groeiende belangstelling blijkt te bestaan.
Van de kant van ouders en verzorgers.
Van de mensen zelf, de jongeren en de ouderen.
Ik zie voor mij luisterend opgeheven gezichten.
Dit kunnen zij begrijpen!
In hun eigen taal, worden hun de grote daden Gods verkondigd.
Nu kunnen zij heerlijk meezingen, want de psalmen worden gekozen in overleg met hun onderwijzers, psalmen, die zij kennen.
Het is een dienst, aangepast aan hun bevattingsvermogen.
Een dienst ook, waar zij, die vaak zich moeilijk kunnen bewegen, kunnen komen, omdat op ruime schaal de mogelijkheid geschapen wordt om hen zonodig thuis te laten halen.

Een vreemde kerkdienst
Mag ik U vertellen, hoe wij dit in Rotterdam doen?
In onderdelen zal het elders wel iets anders gaan, maar dit maakt niet uit. Voor de dienst speelt het orgel en we zingen bekende verzen. Wat wij in onze diensten kennen als het stille gebed, wordt nu samen hardop gebeden: ernstig en blij klinkt het:
Gij ziet ons, lieve Heer, hier saam,
wij bidden U in Jezus naam.
Gij roept ons hier, o help ons nu
te luisteren naar het woord van U.
Geef mij Uw zegen, trouwe Heer,
dan zal ik zingen tot Uw eer. AMEN.
Nu volgen votum en groet, maar weer vertaald in de taal van deze mensen, eenvoudiger met meer gewone woorden.
Het votum luidt: Onze hulp komt van de Here, die hemel en aarde heeft geschapen, die ons altijd trouw blijft en ons nooit zal verlaten.
Dan gaan we zingen, een overbekende psalm, die bijna allen kunnen meezingen. Zei U, dat het niet helemaal zuiver klonk?
U hebt gelijk, maar zijn we dan vergeten, dat de Here uit de mond van kinderen en zuigelingen zich lof heeft toebereid?
Kinderen blijven zij, ook al gaat het haar bij hun slapen al wat grijzen. Hierop volgt de geloofsbelijdenis:
Wij geloven in de Here, onze God, die alles gemaakt heeft, de wolken, de bloemen, de vogels en de mensen..
Voor zover zij dit kennen, mogen zij hardop mee belijden.
Weer gaan we zingen.
Daarop volgt het gebed, waarin we onze schuld voor God belijden. Telkens wordt na het noemen van het kwaad hardop meegebeden:
Vergeef ons onze schulden, Here.
Vaak zal daarna een koortje zingen, maar dan een koortje gevormd uit deze mensen. Hen willen wij op allerlei manieren er zo dicht mogelijk bij betrekken. De schriftlezing vindt plaats; een enkele keer door een van hen.
Nu volgt de preek.
Ja, werkelijk de preek.
Het is onze opdracht om niet een verhaal te gaan vertellen, maar om een preek te houden. Gods Woord wordt verkondigd, maar we trachten het zo te doen, dat zij het van het begin tot het einde kunnen begrijpen.
Daarom zullen wij vaak gebruik maken van een voorbeeld. Of een voorwerp mee op de kansel nemen om het hun nog meer te verduidelijken.
Weet U, wat in deze preekdiensten nog meer op valt?
Dat U hier, ongekunsteld iets terug vindt van de prediking in de oude christelijke kerk. Daar werd immers ook de preek onderbroken door vragen en door opmerkingen van de gemeente uit. Dat gebeurt hier ook.
We stellen vragen, die meestal een antwoord vinden.
Het gebeurt meermalen, dat dit antwoord anders uitvalt, als de predikant had verwacht, maar hij gaat op dit antwoord in en vervolgt zijn preek.
We mogen zeggen: er wordt geluisterd, meegeleefd.
Misschien vindt U deze diensten, zeker als U dit leest, wat onordelijk. In werkelijkheid valt dit alles mee. Het is niet onordelijk, maar levendig, een gesprek met vraag en antwoord.
Maar het gaat om het Woord des Heren.
We hebben de opdracht om hen te spijzigen met het Brood des Levens, met voedzaam brood, maar we zullen de sneden zo dun moeten snijden, dat hun (geestelijk) kleine monden het kunnen eten.
De Here zegene deze spijze.
In deze diensten wordt ook gekollekteerd — weer — door de bezoekers voor wie deze diensten zijn.
Eén kollekte is tot dekking van de kosten.
De andere voor een bepaald nauw omschreven doel.
Door de week mogen zij zelf deze kollekte gaan afdragen. Natuurlijk niet, een kollekte van zeg ƒ 200 in twee bankbiljetten van honderd, maar zoals de kollekte was, een zak vol geld. Wie dit in ontvangst neemt, vertelt aan de brengers iets van de bestemming, waarvoor dit geld nu gebruikt zal worden. Begrijpend wordt er geknikt. Nu is het duidelijk: hun geld, dat zij gaven, is voor dat en dat doel.
De redaktie van de Waarheidsvriend heeft mij gevraagd om iets over deze diensten te vertellen.
Graag, heel graag heb ik dit gedaan.
Omdat ik dankbaar ben, dat wij deze diensten kunnen houden.
En om andere kerkeraden voor zo ver dit nog nodig zou zijn, op te roepen, om hieraan ook aandacht te gaan schenken.
Al te lang hebben wij als kerk dit verzuimd.
Achteraf vragen wij ons af, hoe dit mogelijk was.
Want ook deze jongeren en ouderen behoren tot de gemeente. Wat in het goede doopsformulier van de kerk van de kinderen wordt gezegd geldt ook van hen, die in zekere zin kind blijven.
Moge dan ook door deze diensten iets in vervulling gaan juist voor de geestelijk gehandicapten van wat zij 's-avond bidden:
Laat mij van die grote kudde ook een heel klein schaapje zijn.
Rotterdam                                                 C. A. Korevaar

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

WAAROM HEBBEN WIJ DAARAAN NIET EER GEDACHT?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's