UIT DE PERS
In memoriam prof. dr. M. J. A. de Vrijer
De dag voor Hemelvaartsdag is in de hoge ouderdom van 87 jaar van ons heen gegaan prof. dr. M. J. A. de Vrijer, rustend hoogleraar aan de R.U. te Utrecht en vele jaren in de kerkelijke wereld een dominerende figuur.
Gaarne willen we in dit persoverzicht plaats geven aan een sympathiek geschreven artikel van dr. J. J. Buskes in de rubriek „Terzijde" in „In de Waagschaal" van 7 juni j.l. Professor de Vrijer is met name voor de ouderen geen onbekende figuur. Velen die hem persoonlijk nooit gekend hebben, hebben een duidelijk beeld gekregen van zijn werk als pastor in de Amsterdamse binnenstad in het boek „Dertig jaar domineese" van Mevr. de Vrijer-Struis.
Zijn boeken over Smytegelt en Schortinghuis hebben aandacht gevraagd voor de betekenis van de nadere Reformatie in een tijd, toen men daar vaak bitter weinig waardering voor opbracht. Dr. Buskes schrijft naar aanleiding van het heengaan van De Vrijer het volgende:
De bloem valt af!
Als ooit de waarheid van dit bijbelwoord met de handen te tasten is geweest, dan bij de begrafenis van wie voor mij altijd dominee de Vrijer is gebleven. Indien hij, voordat hij professor werd, gestorven was, zou de Oude Kerk van Amsterdam bij zijn uitvaart stampvol hebben gezeten. Maar hij werd zeven en tachtig en was de laatste jaren op een voor zijn kinderen en vrienden trieste wijze uitgeschakeld. Er was maar een handje vol mensen in de Kerk van Heemstede. Ik zag twee kinderen van grutter Das uit de Twijnstraat in Utrecht, een merkwaardig gereformeerd man, een trouwe vriend van dominee de Vrijer, de voormalige commissaris van de koningin, mr. J. Cramer, en zijn zuster, twee kinderen van dr. Cramer, een niet minder merkwaardig hervormd man, directeur van het hervormd diaconessenhuis in Utrecht, een niet minder trouwe vriend van dominee de Vrijer, de oude dominee A. Adriani, evenals de Vrijer een aristocraat van de geest, ir. H. Voorham, de trouwe medewerker uit de Amsterdamse jaren... tot mijn verdriet geen enkele kerkelijke hoogleraar. Dr. de Ru vertegenwoordigde de synode en dr. Hartdorff de gemeente Amsterdam.
Een ogenblik dacht ik, dat ik in de kerk degene was, die het eerst „college" van dominee de Vrijer ontving, als jongen van elf jaar op het christelijk gymnasium van Utrecht, waar dominee de Vrijer van Odijk bijbelse geschiedenis en geloofsleer gaf. Dat begon voor mij in 1911 en duurde tot 1917. Ik vergiste me. De enige aanwezige hoogleraar, professor Bakhuizen van den Brink, kreeg al godsdienstonderwijs van de Vrijer in 1909. Denkt u zich dat even in: dat is zestig jaar geleden. Ook deze bloem is afgevallen, maar hoeveel jaren heeft hij gebloeid.
Van al de leraren van het Utrechtse gymnasium leeft de figuur van dominee de Vrijer — naast mijn wiskundeleraar Spijkerboer, de oom van onze redactiesecretaris, en mijn onvergetelijke geschiedenisleraar van Melle — het sterkste in mijn herinnering. Een volstrekt eigen karakter en een oorspronkelijke geest, die ons jongens van vijftien, zestien — in 1919 verscheen zijn „De dominee en z'n jongens" — vertelde over Pascal en Kierkegaard en dat deed op een wijze, dat je nooit meer van Pascal en Kierkegaard loskwam.
Het is dominee de Vrijer geweest, die in mij, die dokter wilde worden en nog als student in de medische faculteit werd ingeschreven, het verlangen wekte, dominee te worden. Niet, dat hij daar op uit was. Te goed wist hij, dat dominee zijn niet van zelf spreekt. Schreef hij niet jaren geleden een artikel „En toch dominee"?
Ik noemde hem een aristocraat van de geest. Dat was hij. Wanneer hij, jaren later, na een gesprek afscheid van me nam, zei hij: „Hoogachting aan uw vrouw". Bij ieder ander zou zo'n afscheidswoord mij geïrriteerd hebben. Bij de Vrijer paste het. Het was zijn stijl en zijn niveau. En het heeft mij altijd weer verwonderd — die verwondering werd tot een blijvende dankbaarheid — hoe hij hen, met wie hij zich verbonden wist, hun leven lang vergezelde op hun levensweg. Op hoogtepunten en dieptepunten in je leven kwam er een brief van de Vrijer en dan was hij voluit pastor.
Ja, pastor was hij, in zijn prediking en zijn wijkwerk. In dit opzicht heeft hij in Amsterdam diepe sporen getrokken, rondom de Oranjekerk en de Oude Kerk, waar hij in zijn stijl en op zijn niveau op de wallen de gemeente van Jezus Christus representeerde en door hoeren en souteneurs als representant van deze gemeenschap dankbaar en in liefde geaccepteerd werd. Er zijn er geweest, die geprobeerd hebben het hem na te doen en het werd een grandioze mislukking.
Als theoloog en kerkelijk hoogleraar ging hij zijn eigen weg op een in de letterlijke betekenis eigenzinnige wijze. Kerkgeschiedenis was voor hem de geschiedenis van levende mensen. Zijn theologische studies zijn biografieën: Regius, van Balen, van Lodestein, Smytegelt, Schortinghuis, Gunning. Hij had „Heimwee naar onze gouden eeuw" (zo luidt de titel van een opstel van de Vrijer in Bronsveld's „Stemmen voor Waarheid en Vrede" van 1919). In een tijd, waarin men in de hervormde kerk bepaald niet enthousiast werd, als de namen van Schortinghuis en Smytegelt vielen, schreef hij eigen-zinnig, maar in wezen heel zinnig, over deze figuren uit de na-reformatorische tijd.
Tegen de draad in was hij een methodist, een piëtist en een mysticus — men leze zijn gebundelde meditaties — vroom in de edelste zin van het woord, achttienkaraats.
Maar deze mysticus stond met beide voeten op de begane grond en leidde vele jaren als voorzitter de vakvereniging van de hervormde predikanten en dat in een tijd, waarin velen dat maar een bedenkelijke, immers ongeestelijke zaak vonden.
Een van zijn beste boeken vind ik nog altijd „De Gereformeerd-Ethischen". Het verscheen in 1919. Het boek vond weinig weerklank en kwam niet tot zijn recht, al heeft het velen, waartoe ik mijzelf reken, geholpen boven de in die tijd in kerkelijk Nederland oppermachtige tegenstellingen uit te komen. Het boek verscheen te vroeg. Ik durf beweren, dat het nu — ik denk daarbij vooral aan de verhouding van de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken — actueel is, al is het natuurlijk in menig opzicht verouderd en achterhaald.
Het thema van de Vrijers intreepreek in Amsterdam (1923) was: „Bewogen mensen". De Vrijer was in navolging van zijn Heer zo'n bewogen mens: „En dan, mijn vrienden, als God u bewoog, grijpt dan uw roeping. Onze tijd roept om bewogen mensen, maar die dan met goddelijke, standvastige bewogenheid".
Toen ik het bericht van het heengaan van dominee de Vrijer ontving, greep ik naar Huub Oosterhuis „Bid om Vrede" en las zijn dankgebed voor een overledene:
Wij danken U Heer God
voor deze mens die zo nabij en dierbaar was
en die nu is weggevallen
uit onze wereld.
Wij danken U
voor alle vriendschap die van hem is uitgegaan
en voor de vrede die hij heeft gebracht.
Wij danken U
dat hij door zijn lijden
gehoorzaamheid heeft geleerd
en dat hij, zo vergankelijk als hij was,
een mens geworden is om van te houden.
Ja, dat was dominee de Vrijer, een mens om van te houden.
Te grote soberheid?
De Amsterdamse dogmaticus, prof. dr. G. C. Berkouwer heeft een boek geschreven over verontrusting en verantwoordelijkheid, waarin hij het verschijnsel van de verontrusting in de geref. kerken en in andere kerken analyseert en peilt in zijn achtergronden. Zoals in elk boek stelt Berkouwer ook hier de zaak in brede verbanden, schrijft hij zeer voorzichtig, het een tegen het ander afwegend. Het is me hier niet te doen om een bespreking. Dat zal ongetwijfeld in dit blad nog wel gebeuren. We willen hier slechts aandacht vragen voor een gedeelte uit een eerste artikel over dit boek van dr. E. Masselink in het blad „Waarheid en Eenheid", een orgaan dat in elk nummer zijn verontrusting over de koers in de geref. kerken niet onder stoelen of banken steekt.
Geen wonder, dat juist dit blad aandacht schenkt aan Berkouwer's nieuwste boek. Zij zijn immers ten diepste de gesprekspartners, of zo u wilt het object van Berkouwer's boek.
Dr. Masselink begint zijn bijdrage met er op te wijzen dat de mens van nu, ook de kerk, geroepen is in déze tijd rekenschap af te leggen van de hoop die in ons is, en dat wij steeds weer ons aan Christus en Zijn Woord gevangen hebben te geven. De verontruste als de niet-verontruste mens wil zich altijd weer teveel laten gelden.
Voorts stelt dr. Masselink de vraag, waarom Berkouwer niet een summiere aanwijzing geeft, waarover men verontrust is, op welke wijze en of daartoe aanleiding bestaat. Is het niet te sober als Berkouwer alleen de naam van dr. Arntzen en dr. Schelhaas noemt? De actualiteit van de verontrusting wordt zodoende naar zijn mening — en we vallen hem daarin bij — versmald.
Ook acht dr. Masselink het een manco dat Berkouwer over de aanleiding tot verontrusting zoveel weglaat.
Zou het verder ook niet een te grote soberheid zijn van Berkouwer, dat hij over de aanleiding tot verontrusting zoveel weglaat? Nu hij toch een keer concreet werd over Arntzen, waarom dan ook niet wat meer gezegd over nog andere gegeven aanleiding?
Men kan toch zonder bijbedoeling de naam van prof. Kuitert noemen? Vindt ook Berkouwer niet dat Kuitert te gemakkelijk in de Bijbel allerlei moeilijkheden ziet, in zijn laatste boek „Verstaat ge wat ge leest? " Om die moeilijkheden dan weer te gemakkelijk op te lossen? Maakt Kuitert het de wetenschap (de historisch-litteraire wetenschap en de historische opgravingswetenschap) niet te gemakkelijk en Gods openbaring te moeilijk; stelt dat dit laatste kon?
Concludeert Kuitert niet te gauw uit Jericho's opgraving dat de muren eerder verwoest zijn dan de Bijbel verhaalt? En heeft Paulus op rabbijnenmanier in Rom. 5 over Adam gesproken; en nam Paulus geen historische Adam aan? En hoe sprak Jezus zelf over „van de beginne"? Als de genealogie (wetenschap over het ontstaan der volken) een ander begin ziet of veronderstelt aan het mensenleven, kan dan Kuitert zomaar een horde-bestaan in de beginne stellen?
Had Berkouwer in het algemeen in zijn grote soberheid aan de zgn. gemeentecahiers mogen voorbijgaan?
Dat Koole de verhalen van Goliath en Simson op het niveau van volksverhalen stelt en dat Baarda meent te kunnen schiften van Jezus zelf gezegd heeft en wat de gemeente Hem achteraf in de mond gelegd heeft enz. nogmaals in Cahiers voor de gemeente gepresenteerd, heeft dat ook Berkouwer niet verontrust?
Ik denk bij al die Schriftanalyses wel eens aan het woord van Pascal: „Volmaakte duidelijkheid zou aangenaam zijn voor de geest, maar schadelijk voor de wil. Daarom heeft God besloten „een verborgen God" te zijn. Daarom ook dient de trots van de menselijke geest te worden gebroken, het verstand te worden vernederd." Ja Pascal spreekt in deze paradox: „Er is niets zozeer in overeenstemming met de rede als de verloochening van de rede”.
We menen dat dr. Masselink hier vragen stelt die voor de toekomst van de geref. kerken van belang zijn. Men krijgt uit allerlei publicaties en ook uit gesprekken wel de indruk dat er in de geref. kerken een stroming is die zich eenzijdig kritisch opstelt tegenover Arntzen, Schelhaas c.s. en elke uitdrukking van hen aangrijpt om er de fiolen van toorn over uit te gieten, terwijl men naar de zijde van Kuitert, Baarda, Lever e.a. geen woord van protest laat horen. Daardoor moet een analyse van de verontrusting wel scheef uitvallen. Terwijl bovendien de verontrusten zelf op geen enkele wijze overtuigd worden. Immers men kan slechts dan verontrusting en verantwoordelijkheid zuiver stellen, als men de aanleiding tot verontrusting niet weg wuift, maar voluit naar voren brengt. De tijd zal uitwijzen of het boek van dr. Berkouwer ook een bijdrage zal leveren waardoor het gesprek met de verontrusten op gang komt, en waardoor de oorzaak tot verontrusting binnen de geref. kerken zal worden opgeheven. Voor de toekomst van de geref. kerken en van de reformatorische kerken in het algemeen in ons vaderland, een belangrijke zaak!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's