De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

12 minuten leestijd

Hoofdstuk V, artikel 13 Wanneer ook het vertrouwen der volharding wederom levend wordt in degenen, die van de val weder opgericht worden, zo brengt dat in hen niet voort enige dartelheid of veronachtzaming der godzaligheid, maar een veel grotere zorg, om de wegen des Heeren vlijtiglijk waar te nemen, die van tevoren bereid zijn, opdat zij daarin wandelende, de verzekerdheid van hun volharding zouden mogen behouden, en opdat het aanschijn des verzoenden Gods (waarvan de aanschouwing den godvruchtigen zoeter is dan het leven en waarvan de verberging bitterder is dan de dood), om het misbruik van zijn vaderlijke goedertierenheid niet wederom van hen afgekeerd worde, en zij alzo in zwaarder kwellingen des gemoeds vervallen.

De zekerheid behouden.
De ware gelovige ontvangt ook zekerheid. Hij is overgegaan uit de staat der natuur en der overtuiging in de staat der genade. Christus heeft hem uit de wateren van de toorn Gods opgegrepen en de gelovige heeft de armen om Zijn Borg en Zaligmaker geslagen. In de harten der gelovigen werkt God bij onderscheidene trappen en met ongelijke mate verzekering van hun volharding, want van hun verkiezing, aan de hand van de vruchten der verkiezing in het Woord Gods aangewezen als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid enz. Naarmate Gods kinderen nauwer leven, groeit in hen het vertrouwen, dat de Heere hen niet zal verlaten noch begeven. Hun goede werken, hebben de strekking, dat elk gelovige bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten van Gods genade verzekerd wordt. Maar als nu de zonde weer de overhand krijgt? Dan worden zij opnieuw met bange vrees beladen. Het kan alles nog wel eens zelfbedrog zijn geweest, vrezen zij. Hoe kan het met genade gepaard gaan, dat de zonde zo overwint. God zal hen wel moeten verstoten. Dat zijn geen makkelijke dagen. Dan is de zekerheid der volharding verre. Dan zijn de vastigheden weg genomen. David drukt dit zo uit, dat zijn beenderen verbrijzeld zijn en hij bidt: Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verblijden, die Gij verbrijzeld hebt. Een echt kind des Heeren krijgt door elke nieuwe zonde-infectie een heilige vrees voor de ongerechtigheid. Na een operatie hoor je iemand wel eens zeggen: wanneer ik het geweten had, hoe het gaan zou, had ik mij nog wel eens bedacht. Ik laat mij nooit weer voor dit opereren. Het is mij hard tegengevallen. Zo iemand heeft een grote schrik gekregen vanwege de pijn, die hij moest lijden. Zo krijgt Gods kind door de zonde veel pijn en daarom veel schrik.
Men moet niet denken, dat de vergeving en de genade zo maar geschonken worden. God vergeeft in een weg van schulderkentenis, schuldgevoel en schuldbelijdenis. Dat zijn zeer smartelijke zaken, nog eens: verbrijzelde beenderen. Is het wonder, dat Gods kind zich heilig voorneemt: dit eens, maar nooit meer.
Petrus heeft zich zeker voorgenomen zijn Meester nooit meer te verloochenen en David had aan ene Bathseba genoeg. Daarom trachten Gods kinderen om met groter ijver in Gods wegen te wandelen. Als de Heere het nog eens met hen proberen wil - om het zo te zeggen - dan willen zij graag in Gods wegen wandelen om daarin de Heere in gunst te aanschouwen. David zegt: „Verwerp mij niet van Uw aangezicht en neem Uw Heilige Geest niet van Mij".
Het is een hele worsteling om uit een diepe val, weer tot rust te komen. Als de gelovige de wegen des Heeren begint te verlaten en al langer in de zonde leeft, wordt het banger en donkerder van binnen. Het is echter niet zo makkelijk om zo maar ineens terug te keren. Maar als het dan al benauwder wordt, vraagt deze zich bekommerd af, of het nu niet verloren is. De zonde is nu voor hem een gevangenis, een zware gebondenheid. De vrucht hiervan? Het gebed: Heere, laat mij nooit meer in deze diepe donkerheid komen, laat mij de beginnende hoop en zekerheid mogen behouden, wil ze versterken. „Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in het binnenste van mij een vaste geest". Zo werkt de vergeving en de leer der volharding geen dartelheid, maar verlangen en gebed om de wegen des Heeren lief te hebben: Opdat zij daarin wandelende, de verzekerdheid hunner volharding zouden mogen behouden.

De vrees voor Gods ongenoegen, dat zo bitter is.
In artikel 13 wordt gesproken over een waar gelovige, die in verzoeking en aanvechting geen stand hield, maar door zijn vlees is meegesleept en ten val gebracht. Daar ligt hij nu. Hoe ligt hij daar? Als een gelovige, als een man, die nog bidt en Christus niet geheel heeft losgelaten. Want één zonde, hoe gruwelijk zij moge zijn, breekt niet terstond de band, waarmee wij met Christus verenigd zijn. Waardoor wordt die band — God verhoede dat het zover komt — dan gebroken? Door voortdurende onboetvaardigheid, het inwendig vermaak in het kwade, de verharding en de roem in het kwade, de zonde tegen de Heilige Geest, die zouden, als zij in de uitverkorenen konden voorkomen, van Christus geheel doen afvallen. Dus de gevallen gelovige valt niet geheel van Christus af. Doch allen geldt: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude" (Lukas 22 : 32). Daar staat geschreven: Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek niet uitblussen" (Mattheus 12 : 20).
Doordat deze band met Christus niet geheel gebroken wordt, kan er een wederoprichting geschieden, welke ook altijd plaats vindt. Maar dit gaat niet zonder dat de Heere eerst de mens het onwaardige en Godonterende van zijn zonde doet gevoelen. Daar komt een onderbreking van het gevoel der genade. De gelovige voelt zich eenzaam en in duisternis. God verbergt Zijn lieflijk aangezicht. En het is, zoals artikel 13 zegt, dat aanschouwen van het verzoend aanschijn Gods is zoeter dan het leven. Hoe heerlijk is het reeds voor het eerst de Heere Jezus in Zijn lieflijkheid te aanschouwen, hoe veel te meer is dan het verzoende aangezicht Gods dierbaar. Maar als de zonde bezit neemt van de gelovige, gaat er geschieden, wat in Hosea 5 : 15 staat: Ik zal heengaan en keren weder tot mijn plaats, totdat zij zichzelf schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn zullen zij Mij vroeg zoeken". Dit laatste betekent: ijverig zoeken, er vroeg voor opstaan. De Heere zegt in Jes. 57 : 17: Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid en sloeg hen; Ik verbergde Mij". Anderzijds klaagt de psalmist in Psalm 13 : 2: Hoe lang, Heere, zult Gij mij steeds vergeten; hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen? " Het is geen misverstand als het kind des Heeren zo klaagt.
Indertijd heeft A. Ritschl geleerd, dat de toorn Gods alleen maar een foutief gevoel van een mens was. Bij God was geen echte toorn en geen echt verbergen van Zijn aangezicht. Hij vergiste zich. God heeft altijd zijn gelovig kind lief, maar dit sluit de Vaderlijke toorn des Almachtigen niet uit. Hoewel God de Zijnen bewaart voor de eeuwige verdoemenis, zo laat Hij hun dezelve nog wel enigszins proeven. De verdoemenis bestaat in het missen van Gods aanschijn en in het gevoel van Zijn ongenoegen. Een onbekeerde weet niet wat het gemis van God is, omdat hij nooit ondervonden heeft wat zoetigheid in de gemeenschap met God is. Gods nabijheid gekend en gesmaakt te hebben en dan Zijn tegenwoordigheid te missen en Zijn rechtvaardig ongenoegen te voelen, dat is een hel in de ziel al is de mens nog buiten de hel. Daarom, als de kinderen Gods niet alleen de gemeenschap met Hem missen, doch ook gevoelen, dat de Heere Zich onttrekt, dan bezwijken zij. David zegt in Psalm 39: „Ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand". Dan houdt ook de Heilige Geest zich in met Zijn invloeden. Wat licht, wat troost, wat vreugde zouden zij dan hebben? Deze onderbreking van het gevoel der genade betekent dus voor de gevallen gelovigen niet een misvatting, doch een gericht over hun val. David overdrijft niet, wanneer hij smeekt niet te worden verworpen van voor Gods aangezicht. De volharding is dus niet een goedkeuren van de zonde en aan de kant van de zondaar veroorzaakt zij heus geen dartelheid. De Vaderlijke toorn moge in wezen iets anders zijn dan de Rechterlijke toorn Gods, in zijn uitwerking is de hand Gods, die kastijdt niet te onderschatten.
God verlaat Zijn kinderen om enige ernstige zonde, om hun trotsheid, om hun gemakzucht in het geestelijk leven, om hun eigenwijsheid en die verlating is een zware kastijding. Maar van deze kastijding geldt, dat zij een vreedzame vrucht der gerechtigheid werkt.
Ons artikel spreekt ook van een opgericht worden uit de val. Opgericht worden is wat anders dan: opstaan. De wederkeer tot God gaat van de Allerhoogste uit. Het is niet de mens, die uit zichzelf wederkeert en een nieuwe gerechtigheid opbouwt om daarmee aangenaam te worden bij God. Het is Gods trouw, die in de weg van het verbergen van Zijn aangezicht doet gevoelen, dat het voor een kind Gods bitter en moeilijk is tegen God te zondigen. De kastijding werkt droefheid. Deze droefheid doet roepen tot God: „Straf mij niet (langer) in Uw toorn, kastijd mij niet (verder) in Uw grimmigheid". De psalmist klaagde: „Uw hittige toornigheden gaan over mij. Uw verschrikkingen doen mij vergaan". En dan is het antwoord des Heeren: „Ik zal niet eeuwiglijk twisten en Ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn; want de Geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb". De Heere zegt dus, dat Zijn gramschap tegen het volk niet altijd zal duren, want dan zouden de levens der mensen (hun geest en ziel) wegkwijnen vanwege de openbaring van het vertoornde aangezicht Gods. Dit wil de Heere niet, want zij zijn Gods maaksel. Maar zal de Heere nu wachten, totdat het volk zich bekeert? Dat zal niet helpen, zegt de Heere in Jesaja 57 : 17. Hij heeft Israël niet geslagen uit lust tot plagen, maar vanwege hun zonde. Wij lezen daar: Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid, en sloeg hen; Ik verborg mij en was verbolgen". Maar helpen deed het niet. Israël bleef ook onder de tuchtiging van God afgewend. Daar staat: Evenwel gingen zij afkerig henen in de weg huns harten". Wil dus de kastijding werken, zo moet de Heere er zelf aan te pas komen. Daarvan lezen we in Jes. 57 : 18: Ik zie hun wegen en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden en hun vertroostingen wedergeven, nl. aan hun treurigen. Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede dengenen, die verre zijn en dengenen, die nabij zijn, zegt de Heere, en Ik zal hen genezen".
Dus de Heere kastijdt Zijn volk. Dat is echter nog niet genoeg. De Heere moet er meer aan doen, willen zij terugkomen.
Maar plezier van hun zonde en afwijkingen hebben zij niet. Alleen willen zij hun harde nek niet buigen. Dan zegt de Heere: Och, Ik zie het wel: zij zijn verdorven en zondig, maar zij zijn ook ellendig. En nu is de Heere, trots hun zonde, toch met ontferming bewogen. De Barmhartige zegt: Ik zal Israël genezen, dat is verlossen van zijn dwaasheid, zijn zonde en daaruit voortvloeiende nood. De Heere zal hen ook leiden, zodat Zijn volk, inplaats van op zijn eigen gekozen dwaalweg, nu wandelt op de rechte weg, die naar Sion leidt, voorts zal Hij inplaats van de doorgestane smarten, vertroosting schenken. Zo wordt Gods volk weer opgericht. Maar dan hebben zij heel wat doorgemaakt. De volharding der heiligen is geen rekensommetje. Deze leer maakt niet dartel, maar God maakt Zijn volk bedroefd en kastijdt hen onverbiddelijk. Voor wie zijn nu die zegeningen? Alleen voor de uitverkorenen. Daar staat in Jes. 57 : 19 nl. aan hun treurigen. God vervult Zijn uitverkorenen met blijdschap. Hij doet hen smaken de vreugde des heils ook na hun val. Maar dan zijn deze gevallenen eerst bedroefden geworden. God heeft Zijn aangezicht voor hen verborgen en dat was hun bitterder dan de dood. De belofte van zaligheid of wederoprichting is in de schuld altijd beperkt tot de vernederden, de vermoeiden, de bevindelijk zondaren, in dit geval, die niet ongevoelig zijn gebleven onder Gods slaande hand. Voor deze wordt de kastijding een werkmeesteres van gerechtigheid en niet van dartelheid.
Om op Hebreeën 12 : 11 terug te komen, daarin wordt gesproken van een vreedzame vrucht der gerechtigheid. Daar is eerst de kastijding. Die is in de context wel veroorzaakt door wat in vers 4 staat: Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde". De eindafloop van die kastijding is de vreedzame vrucht. Die vrucht bestaat in gerechtigheid. Wat betekent hier dit laatste woord? Gerechtigheid kan hier heel goed zijn: wandelen in Gods wegen, een lust om naar al Gods geboden te leven, ook uit vrees voor de kastijdingen en straffen des Heeren. De gevallen en gekastijde mens staat voor twee wegen. Hij aanschouwt nu het lieflijk aanschijn des Heeren weer. Er wordt immers gesproken van een vreedzame vrucht. Dat is een vrucht, die met de vrede in verband staat. De vrede is een toestand, een verhouding tussen God en mens. De kastijding geeft smart over de zonde, uitwerpen van de zonde. De gekastijde zondaar belijdt en laat de zonde. Daar houdt God op met kastijden. De mens geeft zich over, hij belijdt schuld, God verklaart, dat Hij weer goed op hem is. Het is nu vrede. En uit die vrede met God ontstaat het verlangen om voortaan in gerechtigheid te wandelen. Dat gaat echter niet van zelf. Daar kan veel kastijding zijn, en toch geen vrucht.
De vrucht is alleen bij degenen, die door de kastijding geoefend worden en geluisterd hebben naar vers 5: „Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet als gij van Hem bestraft wordt". De apostel zegt: acht niet klein: d.w.z. zet u er niet zomaar overheen, trek u de bestraffing sterk aan. Maar wordt ook niet moedeloos. Denk niet, dat het nu verloren is. Zolang God u kastijdt is het niet verloren. Het is veel erger als de Heere u laat wandelen naar het goeddunken van uw boze hart. „Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt God Zich jegens u als zonen". Dus niet kwaad worden over de straffen, maar vernederd worden, de zonde belijden en laten. Wie zo met God bevredigd is en op Zijn wegen teruggekeerd, komt weer voor de verzoeking te staan. Dan moet hij kiezen: de zonde ten bloede toe tegenstaan en de gunst des Heeren genieten, of zich laten verleiden en de toorn Gods wederom ondervinden. Voor dit laatste is een gekastijd en weer opgericht zondaar bang. Daarom hebben Gods gekastijde kinderen, die weer opgericht zijn niet een lust in dartelheid, maar een diepere zorg om in de wegen Gods te wandelen: „opdat het aanschijn des verzoenden Gods (waarvan de aanschouwing de Godvruchtigen zoeter is dan het leven, en waarvan de verberging bitterder is dan de dood) om het misbruik van Zijn Vaderlijke goedertierenheid niet wederom van hen afgekeerd worde, en zij in zwaarder kwellingen des gemoeds vervallen".
                                                              
L. V. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's