De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

U VRAAGT.....

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

U VRAAGT.....

8 minuten leestijd

Tijdens het uitspreken van de zegengroet in de Eredienst wordt door sommige dominees slechts één hand opgeheven. Welke motieven voeren deze predikanten hiervoor aan?
Natuurlijk is het aan de gemeente opgevallen: het opheffen van één hand bij het uitspreken van de zegengroet aan het begin van de dienst. Een enkele oudere is het maar meest jongere predikanten zijn het, die zich hierin onderscheiden van de anderen (de meesten), die de beide handen opheffen, zoals dat in het verleden, algemeen gebruikelijk was.
Aan sommigen zal dienaangaande wel eens enige uitleg gegeven zijn. Veel meer zullen er zijn, die zich met de vraagsteller afvragen, wat eigenlijk de reden is van deze wijziging? Het stellen van deze vraag is eigenlijk op zichzelf al een verblijdend teken. Men bewijst er immers mee te willen begrijpen, wat er in de kerkdienst gebeurt, ook aan liturgische handelingen. En dat is altijd goed. Maar al te vaak is op het liturgisch handelen te weinig bezinning geweest. Klakkeloos werd het één en ander overgenomen, zonder dat er verder nagedacht werd over de zin ervan.
Iets dat geslachten lang gewoonte is geweest, is echter vanwege de traditie nog niet zonder meer goed te noemen. Het zou dus kunnen zijn, dat een bepaalde liturgische handeling de toets niet kan doorstaan, naar blijkt bij nadere bezinning. Dan moeten we haar ongetwijfeld wijzigen. Het oude is niet goed omdat het oud is, en het nieuwe niet verkeerd onidat het nieuw is.
Daarbij is bezinning op elk onderdeel van de liturgie een goede zaak, ja zelfs noodzakelijk. De dienst des Heeren stelt zonder meer deze eis. Onze handelingen in de kerkdienst moeten verantwoord zijn. We hebben dus een antwoord te geven op de vraag, hierboven gesteld, wat ik dan wil trachten te doen.
De vraag, waarom het hier gaat is, of de formule, die na het votum uitgesproken wordt, als groet moet worden gewaardeerd, of als zegen. Hebben — zoals wel eens schertsend is gevraagd — de éénhandigen gelijk, of de tweehandigen? We kunnen ook vragen: Dient bij de zegengroet aan het begin van de dienst de klemtoon te vallen op het groeten of op het zegenen?
Zij, die het groeten willen benadrukken, beroepen zich op de apostolische groet, zoals we die vinden in de aanhef van de brieven, b.v. Rom. 1 : 7 en 1 Kor. 1 : 3 (genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus). Ook worden wel de woorden gebruikt van Openb. 1 : 4.
Zij hebben daarbij de kerkelijke traditie wel mee. De opening van de godsdienstoefening met de groet van de bisschop (vrede zij u! of de Heere zij met u!) is bekend van Chrysostomus af (4e eeuw). Deze groet is in aansluiting op de Joodse groet, waarvan Christus na zijn opstanding zich ook heeft bediend (Luk. 24 : 36; Joh. 20 : 19).
Als ik het wel zie, ligt de zaak echter toch niet zo duidelijk en eenvoudig als degenen, die aan het groetgebaar de voorkeur geven, wel denken. Ik ben er nog steeds niet van overtuigd, dat dit gebaar de meest juiste en meest zinvolle liturgische handeling is. De geschiedenis mag tenslotte niet het laatste woord opeisen. En over de apostolische groet is ook nog wel wat te zeggen. Het gaat daarbij voluit om de apostolische zegengroet, die niet zonder meer zo maar te vereenzelvigen valt met het ambtelijk woord en het ambtelijk gebaar aan het begin van onze dienst. Ik denk niet, dat de apostel bij het neerschrijven van deze woorden zijn hand heeft opgeheven. — Verder: hij schreef zijn brieven naar de vorm dier dagen. Maar de groet wordt bij hem verdiept tot het overdragen van de zegen Gods in Christus, in zijn apostolische volmacht. Daarom was zijn groet dan ook voluit zegengroet.
Naar mijn gevoelen komt dit laatste onvermijdelijk in de schaduw te staan door met het opheffen van één hand de groet zo te beklemtonen.
Daarbij komt nog dit: Het gaat er toch om tot uitdrukking te brengen het komen Gods door zijn dienaar tot zijn gemeente. Ik mag toch veronderstellen, dat men bij het opheffen van één hand niet zonder meer denkt aan het gelovig groeten van elkaar, zij het dan in diep geestelijke zin. Ook zij, die één hand opheffen, willen toch de gedachte vertolken, dat God de gemeente groet met zijn zegen en vrede over haar.
Maar dat wordt m.i. niet het meest zinvol tot uitdrukking gebracht in het groetgebaar (opheffen van één hand) als ambtelijke handeling. Voor mijn besef komt het enigsoortige van het groeten Gods, dat inhoudt zijn overmachtig komen met zijn zegen tot de gemeente (zijn Woord is een daad), niet genoeg uit de verf. Het wordt m.i. bij het opheffen van één hand niet op gelijkwaardige wijze in de ambtelijke handeling vertolkt.
Maar er is nog meer. Ik meen, dat we moeten uitgaan van het votum, waarin de gemeente bij monde van de dienaar zich voor Gods aangezicht stelt. Zij geeft haar samenkomst in handen van haar drieënige God. Zij stelt zich voor Hem, zij betuigt haar afhankelijkheid van Hem, voor zijn aangezicht. Daarmee opent de gemeente bij monde van haar dienaar haar godsdienstoefening. Vaak wordt hierbij gebruikt Ps. 124 : 8, soms met uitbreiding (tegen dit laatste wordt dan nog wel eens bezwaar gemaakt; enerzijds mogelijk terecht, als het om te veel franje gaat, anderzijds moet toch ook weer gezegd worden, dat een aanvulling als „die trouw houdt tot in eeuwigheid en niet laat varen de werken zijner handen" zeker niet bedoeld is als correctieve aanvulling op de tekst, en wel zeer gepast is als ambtelijk woord). Ook wordt wel een trinitarische formule als votum gebruikt (b.v. „Ons begin zij in de naam des Vaders en des Zoon en des Heiligen Geestes”).
In ieder geval opent de dienaar als mond der gemeente de godsdienstoefening met afhankelijkheidsbetuiging. Hijzelf is dubbel er bij betrokken, namelijk als dienaar in ambtelijke dienst en als lid der gemeente. Deze afhankelijkheidsbetuiging stempelt de samenkomst als samenkomst der gemeente Gods in haar publieke godsdienstoefening.
Zo is de samenkomst der gemeente geopend als ontmoeting van God en zijn gemeente in die zeer bepaalde zin van ambtelijke kerkdienst, waarin de dienst der verzoening ambtelijk gaat geschieden. Daartoe heeft zich ook de dienaar in de volkomen afhankelijkheid van zijn God voor diens aangezicht gesteld.
En in dit gehele verband der ontmoeting is nu op dit votum de zegen-groet het antwoord des Heeren, n.l. dat Hij met zijn gunst, genade en vrede in haar midden wil zijn. De dienaar is de mond Gods. De groet Gods is de zegen-groet Gods. God komt als de God des verbonds met zijn overweldigende zegen, de volheid van zijn onbegrijpelijke en ondoorgrondelijke genade door Christus in de Heilige Geest over de gemeente, die in zijn Naam vergaderd is.
Dat is de zin van het „Genade zij u en vrede van God de Vader, door Jezus Christus zijn Zoon, in de Heilige Geest".
Het ambtelijk gebaar, dat het best dit antwoorden Gods, dit komen van Hem met deze volheid, zinvol vertolkt is voor mij altijd nog het hoog opheffen der handen (met enigszins gestrekte armen) over de gemeente.
Deze zegen-groet, dit komen Gods is overweldigend groot. Ik mag zeggen, dat het uitspreken van deze zegen-groet en ook het ambtelijk gebaar daarbij tot vertolking van deze zegen-daadzaak Gods mij zeer dierbaar is en mij vaak door Gods goedheid op het ogenblik zelf reeds een zeer bijzondere sterkende zegen gegeven heeft tot de dienst des Woords en der gebeden, waartegen ik voor de zoveelste maal weer als een berg tegen op zag. Hoe menigmaal stroomden genade en vrede Gods voelbaar mijn hart binnen, juist daar, bij het begin. Ook mocht ik hetzelfde horen uit de mond van kinderen Gods.
Juist vanuit het votum krijgt de zegen-groet dus haar zeer bijzondere ambtelijke zin van zegen-groet Gods te zijn. We moeten in onze bezinning daarom m.i. het votum heel duidelijk laten meespreken.
Ziedaar, waarom ik de voorkeur blijf geven aan het opheffen der beide handen, en waarom ik het ook aanbeveel als de juiste liturgische handeling.
Als nu opgemerkt wordt, dat dan tweemaal een zelfde liturgische handeling wordt verricht, n.l. zowel aan het begin van de dienst als aan het einde ervan, vraag ik allereerst, of dat zo erg zou zijn? Maar het is geen doublure. Immers is de zegengroet toch weer iets anders dan het leggen van de zegen op de gemeente aan het einde van de dienst.
In de zégen-groet stempelt God zijn dienst der verzoening, die plaats zal vinden; in het leggen van de zegen op de gemeente geeft God zijn zegen mee voor de levensweg verder met al zijn bijzonderheden. Het onderscheid tussen deze beide ambtelijke zegeningen kan m.i. zo worden vertolkt, dat bij het leggen van de zegen op de gemeente de handen iets meer naar beneden gekeerd zijn en de armen iets meer gestrekt.
Ik wil eindigen met er op te wijzen, dat niemand hiervan een principekwestie mag maken. Zo mag niemand dit verschil zien en hij mag allerminst daarnaar oordelen of veroordelen. Er zijn middelmatige zaken, waarin vrijheid gelaten moet worden. Dat hebben we allen en een ieder wel te bedenken en te betrachten.
Nochthans acht ik het wel gewenst, dat er zo veel mogelijk eenheid in de liturgische vormgeving gezocht wordt.
Echter een ieder zij in eigen gemoed ten volle verzekerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

U VRAAGT.....

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's