UIT DE PERS
Prediking en gemeente.
In het orgaan van de Chr. Geref. Kerken „De Wekker" schrijft prof. W. Kremer een serie artikelen over de vraag: „Wat beïnvloedt de prediking? " Hierin gaat hij onder meer in op het ambtelijk karakter van de prediking, als bediening van het Woord in het midden van de gemeente, de vergadering van hen die behoren tot het Verbond der genade. Kremer zegt hier schone dingen over de relatie Verbond en prediking. Op zichzelf zijn het geen nieuwe dingen, maar het is goed er telkens weer aan herinnerd te worden, hoezeer Verbond en prediking elkaar raken, hoezeer de rechte, bijbelse aandacht voor het Verbond aan de prediking een bijzonder karakter geeft.
God de Here zelf trekt deze kring van het verbond. En tot deze kring komt Hij op bijzondere wijze met Zijn Woord. Daardoor is er een bijzondere verhouding ontstaan. God zelf bindt ons daardoor in zijn belofte, zijn eis, zijn onderwijzing, die Hij bevestigt met de tekenen van het verbond. Psalm 25 : 10.
Betrokken in dit verbond zijn we tot een volk Gods in verbondsmatige zin geworden, zie Ps. 95 : 7, Ps. 100 : 3 e.a. pl.
Dit geeft van Gods kant een bijzondere aanspraak tot ons: wij worden aangesproken als: mijn zoon, mijn dochter, mijn volk. Juist omdat de Here zijn gemeente betrok in zijn bijzondere heilsbemoeienis spreekt Hij haar te ernstiger aan.
Dit geeft aan de prediking in de gemeente een zeer bijzonder karakter, omdat dit verbond een heel bijzonder uitgangspunt voor de prediking geeft. De Here heeft eerst tot hen, die tot het verbond behoren gezegd: Ik ben uw God en de God van uw zaad. In navolging van Petrus mag de prediker op grond daarvan zeggen: U komt de belofte toe en uw zaad.
De gemeente is een beloftegemeenschap, een voorrecht dat haar van Godswege geschonken is. De onvergelijkelijk schone aanduiding, die ons doopsformulier daarvan geeft, mag nimmer uit het oog verloren worden.
De zendingsprediking, komt eveneens op uit de bewogenheid Gods over de gevallen mens maar heeft niet, gelijk in de gemeente, het verbond tot achtergrond. Daarom is de inzet van deze arbeid ook anders. Zij brengt geen ander evangelie maar wel op een andere wijze.
De preek in de gemeente richt zich ook niet tot wat men „de moderne mens" noemt, die bij zijn gesloten wereldbeeld leeft en voor wie bijzondere verbondsbemoeienis Gods met de mens een absurditeit is. Deze kleinzoon van de verloren zoon heeft het bloed van het N. Testament onrein geacht.
In de gemeente wordt het Woord bediend d.w.z., met het verbond als uitgangspunt, wordt verkondigd, in alle veelzijdigheid, die het heeft, wat de sprekende verbondsGod tot ons zegt.
Alleen een preek, die volledig opkomt uit het spreken van de God des verbonds, wordt door God erkend als de juiste prediking. De preek dient daardoor ten volle beïnvloed te worden. «
Geen verbondssysteem.
Uiteraard is met het woord „verbond" niet alles gezegd. De Gereformeerde theologie is er de eeuwen door mee bezig geweest het rechte zicht op dit alles te bewaren. Wat is de relatie tussen verbond en verkiezing? Hoe zit het met de roeping? Wat betekent Paulus uitspraak, dat het niet alles Israël is, wat Israël genoemd wordt? Terecht waarschuwt Kremer er voor de Schriftgegevens te persen in een verbondssystematiek.
Niet dat er een verbondssysteem gepreekt wordt. Geschiedt dit, dan wordt naar een of andere zijde toch weer tekort gedaan aan de veelzijdigheid van de belofte Gods. Daarbij dient bedacht te, worden dat de natuurlijke gesteldheid van het zondaar zijn niet weggenomen is door het feit dat wij kinderen des verbonds zijn. Aan het zijn in het verbond wordt niet de behoudenis verbonden. Denk hier aan het gesprek van Christus met Nicodemus.
Men zou hier drieëerlei relatie met elkaar kunnen vergelijken. Wij zijn kinderen van Adam, voluit zondaar voor God. Dat wij kinderen van Abraham (het verbond) worden doet ons kind van Adam zijn niet te niet. Ja, het verbond stelt dat ten volle in het licht en gaat daarvan in de veelzijdigheid der belofte juist uit. Het verbond spreekt ons juist aan als kinderen van Adam. En tegelijk predikt het de weg tot het kindschap Gods in Christus Jezus. En om dit laatste gaat het. Wie in de Zoon gelooft heeft het eeuwige leven. En dit geloof is persoonlijk, niet allereerst gemeentelijk.
De gemeente is beloftegemeenschap, door de goedwillendheid Gods over ons, maar zij moet ook geloofsgemeenschap worden, dit moet niet alleen, maar mag en kan ook weer uit de vervulling van de belofte Gods. De preek, die beïnvloed wordt door de werkelijkheid van het verbond Gods, verkondigt de noodzaak van de totale vernieuwing, maar tegelijk de belofte daartoe van God uit.
Nu mag juist in de preek, die beïnvloed wordt door deze (schriftuurlijk-confessionele) visie op de gemeente, doen zien hoe wij juist in het verbond — en dat geeft er een bijzonder karakter aan — van God uit benaderd worden. De Schrift spreekt over het komen Gods tot ons heil als over „bezoek". Inderdaad dat is het: hoog bezoek. Wee, wie er geen acht op geeft!
Men heeft het wel eens zo gezegd dat het verbond opkomt uit en rust in de bijzondere kwaliteiten van God. Ik meen dat dit juist is.
Maar dan moet de gemeente ook — om zo te zeggen — van God uit benaderd worden in de preek. Tot slot van dit artikel daarover een enkele opmerking.
God de Here zoekt in het verbond de mens. Paulus zegt dat God door hem bad. Inderdaad de preek moet door deze bewogenheid Gods gedragen worden. Hij bidt, dringt en dreigt. Hij wekt op, waarschuwt en vermaant ons. Daarom heeft Hij er recht op dat we Hem te voet vallen, ons voor Hem verootmoedigen. Hem zoeken met ons ganse hart en van Zijn genade begeren te leven. Dit is noodzakelijk niet alleen, maar het mag ook en het is bovendien rijk om voor zulk een God onze schuld te belijden.
Het past in de gemeente eigenlijk niet die God niet lief te hebben en te voet te vallen. En Hij neemt het ernstig. Denkt u maar aan de man, die zonder het bruilofskleed het koninklijk feest wilde meemaken.
God de Here wil verkondigd zijn als een God, die Zelf ons heil werkt. Juist het verbond staat in het teken van het goddelijk „Ik zal", waarvan het O. Testament zo vol is. Gods werk is altijd eenzijdig in wat Hij vóór ons doet en wat Hij in ons werkt. Het is alles van Hem en door Hem. Hij verkiest, Hij verzoent, Hij herschept, Hij maakt ons van harte willig en bereid om van Zijn heil goed te leven.
Niet minder is God de Here een God die aan Zich verbindt tot een nieuwe gehoorzaamheid. Hij stort de liefde uit in de harten. Hij maakt ook bedroefd over wat wij zijn (en niet zijn). Hij schenkt de lust om in zijn wegen te wandelen doordat Hij dit tot een vreugde voor ons maakt. Ja, ook mag de God des Verbonds gepreekt worden als de God, die alle beloften vol maakt en door dit vertrouwen op Hem, wordt uit het geloof de hoop geboren, die zich richt op de toekomst.
Verleden, heden en toekomst komen dan te liggen onder de wijde koepel van Gods verbond en woorden, waaruit God zelf leert leven. En door deze werkelijkheden Gods, mag, ja moet, de preek beïnvloed worden.
Graag attenderen we op dit evenwichtige geluid van de apeldoornse emeritushoogleraar.
De eigenlijke gronden van de verontrusting.
Het in de vorige persschouw genoemde boek van prof. dr. G. C. Berkouwer heeft ook de aandacht getrokken van prof. dr. H. N. Ridderbos. In de rubriek „Van week tot week" in het Geref. weekblad (uitgave Kok, Kampen) gaat hij in een tweetal open brieven aan prof. Berkouwer in op dit boek.
Op een zeer omzichtige wijze, zoals we dat van Ridderbos gewend zijn, benadert hij dit complex van vragen. Men kan de vraag stellen of een dergelijke omzichtigheid altijd gewenst is, en men zou zelfs een wat kloeker, profetischer geluid willen horen. Het schrijven van Ridderbos maakt n.l. hier en daar de indruk dat hij zich vooral toch niet wil vereenzelvigen met bepaalde groepen verontrusten in de Geref. kerken, en dat hij echt niet de bedoeling heeft bepaalde progressieve figuren of groepen in gebreke te stellen. Zijn uitgangspunt is immers dat verontrusten en niet-verontrusten, progressieven en radicalen elkaar de kerkelijke gemeenschap niet mogen opzeggen.
Dat is een schoon uitgangspunt, waarbij alleen de vraag bovenkomt: En als de verschillen nu eens zo groot zijn, dat ze de fundamenten der kerk raken, wat dan? Ongetwijfeld zal Ridderbos ten antwoord geven, dat dat zeer beslist niet het geval is, dat de verschillen gedragen worden door een gemeenschap, die meer is dan een klank, en dat we elkaar op die gemeenschap (leden van één familie) mogen aanspreken. Het zou een boeiende zaak zijn deze benadering van de verschilpunten binnen de Geref. kerken eens te vergelijken met de modaliteitenvisie zoals deze in de Hervormde kerk bij velen schering en inslag is.
Overigens zijn de punten die in het geding zijn belangrijk genoeg. Het is frappant dat Ridderbos, die in zijn eerste brief zich nogal kritisch uitlaat tegenover de verontrusten (zij zouden de zaak waarvoor zij opkomen meer kwaad dan goed doen door te strijden met oude wapens), dezelfde punten opsomt, die ook in een blad als „Waarheid en eenheid" telkens gesignaleerd worden.
De betrouwbaarheid van de Schrift.
De Kamper Hoogleraar noemt drie dingen. Allereerst is hij van mening dat binnen de Geref. kerken allerlei denkbeelden en interpretaties ingang vinden, die aan de betrouwbaarheid van de Schrift afbreuk doen en zo het gezag van de Schrift ondergraven.
Het gaat daarbij immers niet slechts over zaken, waarvan wij mogen zeggen, dat het niet tot de bedoeling of de aard van de Schrift behoort ons daarover allerlei „informatie" te willen geven („de Bijbel is geen boek van"... enz.), maar ook over datgene, dat met de betrouwbaarheid van de Schrift als grond en fundament van ons geloof ten nauwste samenhangt. Ik denk hier niet alleen aan de kwesties rondom Gen. 1—3 en de wending, die deze dingen krijgen, nu hetgeen in de Bijbel het „door één mens binnenkomen van de zonde" wordt genoemd steeds meer vanuit een evolutionistische beschouwing (óók van goed en kwaad) geïnterpreteerd schijnt te worden. Ik denk ook aan andere, m.i. niet minder vèr strekkende vragen, als bijv. die van de betrouwbaarheid van de evangelieën t.a.v. het beeld, dat zij ons van Jezus' aardse leven geven. Was Jezus zo, gelijk daar van Hem wordt getuigd of is dat im Groszen und Ganzen het ideale beeld, dat de discipelen van Hem hebben gevormd? Was Hij, ook naar eigen getuigenis, de aan Israël Beloofde, de Messias en had zijn dood heilsbetekenis volgens zijn eigen Zelfopenbaring (bijv. bij de instelling van het H. Avondmaal) of is dit alles vrucht van gelovig nadenken van de latere gemeente, maar geen betrouwbare overlevering en getuigenis van wat zij van Hem gezien en gehoord hadden? Ik schrijf dit wat uitvoerig, niet om een hele discussie over deze dingen te ontketenen, maar om aan te geven, hoezeer m.i. de betrouwbaarheid van de Schrift thans op een veel ingrijpender en wezenlijker manier in geding is, dan met de enkele naam „tijdgebondenheid" onderdak gebracht kan worden. Hier ligt m.i. ook de telkens opduikende vraag of er in het algemeen nog wel van een zeker betrouwbaarheids-apriori der Schriften gesproken kan worden dan wel of het feit, dat iets in de Schrift staat op zichzelf nog geen enkele aeanspraak op historische betrouwbaarheid kan maken, niet méér dan wanneer wij bijv. met joodse of middeleeuwse wonderverhalen te doen hebben. Maar als wij dan nochtans met elkander belijden — zoals ik overtuigd ben dat wij willen doen — „ten derde dage opgewekt uit de doden", kan dit dan nog zijn grond vinden in de betrouwbaarheid van diezelfde Schriften, waarvan de beelden, die zij van de historische Jezus bij ons oproepen, volgens de nieuwere opvatting geloofs-interpretatie zijn?
De binding aan de belijdenis.
In de tweede plaats noemt Ridderbos de kwestie van de kerkelijke binding aan de belijdenis. Terwijl we ons beraden over het hoe van de binding aan de belijdenis wordt z.i. door anderen het nut van de binding in twijfel getrokken.
Niet — laat ik dat er dadelijk bij zeggen — omdat men geheel indifferent t.o.v. de waarheid zou zijn, maar omdat men èn vanwege de zaak zelf (kan de Geest worden „gebonden"? ) én vanwege de oecumenische situatie en de toenemende relativering van alle kerkelijke grenzen, daarin geen enkel heil meer ziet. Op zijn minst schijnt in die gedachtengang een algemeen confessioneel moratorium geboden. Dat betekent natuurlijk, dat de gemeente al meer afhankelijk wordt van wat theologisch van dag tot dag gangbaar is en daartegenover ook min of meer weerloos wordt. Ik acht de tijd niet ver, dat wij ook in onze gereformeerde kerken de situatie krijgen, dat iedere gemeente — die daarop althans nog prijs stelt — zelf zo goed en kwaad als het gaat (bijv. bij het beroepingswerk, de interkerkelijke verbindingen, etc.) haar eigen confessionele koers moet gaan bepalen. En dat wordt dan onder de noemer gebracht van: hetgeen hier „kan", „kan" ginds misschien nog wel niet, maar wij kunnen toch moeilijk op elkaar wachten! Ja, alsof hetgeen hier en daar al dan niet „kan", zijn criterium niet meer zou behoeven te vinden in de kerkelijke confessie, maar in de mate van het conservatisme hier en van de progressiviteit daar! Ik begrijp natuurlijk wel, dat de problemen, die hier liggen niet eenvoudig zijn. Want wat moet tenslotte beslissend zijn, als wij het over confessionele standaarden hebben? Jij schrijft daar — voor mijn besef — indrukwekkende bladzijden over, als je het hebt over de allesbeheersende tegenstelling tussen wat „belijden" en „verloochenen" is. Maar deze tegenstelling is — dat laat je ook duidelijk uitkomen — in de Schriften tot aan de rand gevuld en gaat dwars door alles heen. Maar hoe menigmaal wordt in de praktijk op deze tegenstelling een beroep gedaan juist om verder iedere confessionele binding af te wijzen of althans te relativeren! En hoeveel moet een gemeente dan aanvaarden, ook verdragen, alvorens zij kan zeggen: En hier houdt alles voor ons op? Kunnen we ons hier met recht op de lange wegen van de Geest beroepen en zijn we er niet al te zeer getuige van (geweest), nationaal en internationaal, hoe daarbij wel de grote kerkelijke lichamen hun indrukwekkende gevels overeind houden, maar de gemeente achter die gevels òf verkommert òf haar heil elders is gaan zoeken?
Hier staat veel op het spel. De vriendelijkheid waarmee prof. Ridderbos deze dingen aan de orde stelt en de voorzichtige wijze waarop hij zijn critiek uit, nemen toch niet weg dat hij hier een gevaar signaleert waarbij het gereformeerd karakter van de kerk op het spel staat. Wanneer we dit lezen, dringt zich toch de vraag aan ons op: Zal men hier niet moeten kiezen of delen? Juist wanneer men zo scherp de gevaren signaleert — en we mogen Ridderbos daar dankbaar voor zijn, dat hij ze onder woorden brengt — kan men niet volstaan met de dingen alleen maar in discussie te brengen. Hier vallen beslissingen die het leven der kerk raken. Niemand zal een pleit willen voeren voor een „ketterjacht", en voor voortijdige tuchtprocedures. Maar als het blijft bij een vriendelijke gedachtenwisseling, een gesprek over de zaak, en als aan bepaalde ontwikkelingen geen halt wordt toegeroepen in een profetisch protest, dan is te vrezen dat op die discussies het gezegde van toepassing is: De honden blaffen, maar de karavaan trekt rustig voort.
Het gaat in dit alles immers om de substantie van het christelijk geloof.
Aantasting van het geloof.
Als derde signaleert Ridderbos de verschuiving van het persoonlijke naar het communale.
Dat alles spreekt voor mijn besef te sterker, naarmate wij — en dit is mijn laatste opmerking — ons bewust zijn, hoezeer in onze dagen hetgeen ik de substantie van het christelijk geloof zou willen noemen zich schijnt te verplaatsen van het persoonlijke naar het communale. Dat heeft, denk ik, alles te maken — en jij zou dat heel wat beter kunnen uiteenzetten dan ik — met de nieuwe totalitaire visies, die de wetenschap ons meent te kunnen geven op de ontwikkeling van het menselijk geslacht, d.w.z. met de nieuwe futurologie (met uitschakeling van alle eschatologie!) en de daarmee ten nauwste verbonden evolutieleer. Het maakt, dat wij allen, willens of onwillens, in die denkrichting worden opgenomen. In zekere zin heeft de gereformeerde religie voor dat alomvattende ook duidelijke affiniteiten. Wij zijn van huis uit nooit piëtistisch opgevoed. Maar steeds flauwer worden in dit totalitaire beeld de grenzen tussen kerk en wereld, steeds algemener wordt de plaats en betekenis van Christus, steeds socialer wordt het karakter, dat aan de bekering wordt toegekend, steeds belangrijker worden de structuren en steeds minder nadruk krijgt in deze gedachtengang de persoonlijke verhouding van de mens tot God. Vergis ik mij, als ik hierin een omwenteling zie, die het geloof in zijn diepste kern raakt en aantast? Reeds wordt ook onder ons geponeerd dat het bestaansrecht van de kerk afhankelijk is van de mate van haar kiezen voor nieuwe maatschappelijke structuren; wordt van de zending laatdunkend gesproken als een gemakkelijk surrogaat voor de (eigenlijke!) ontwikkelingshulp, worden bepaalde politieke inzichten als criterium gesteld van het ware kerkzijn, wordt de dienst der verzoening losgemaakt van de persoonlijke band aan Christus.
Wij herhalen de woorden: Vergis ik mij, als ik hierin een omwenteling zie, die het geloof in zijn diepste kern raakt en aantast? We menen dat Ridderbos zich daarin niet vergist. Maar als dit inderdaad zo is — en het is geen kleinigheid, wanneer één van de toonaangevende theologen binnen de Geref. kerken dit zo schrijft — dan moeten we nogmaals zeggen: Waarom dan toch zo omzichtig geschreven? Waarom dan toch die distantie van hen, die om deze redenen verontrust zijn over de gang van zaken, op grond van het argument, dat zij strijden met oude wapens. Wij zouden ook kunnen zeggen: Laat prof. Ridderbos naast hen gaan staan, nu hij immers zelf symptomen signaleert die het geloof in zijn diepste kern aantasten, en hen dan de goede wapens aanreiken.
En in alle bescheidenheid zouden we toch willen vragen: Kan iemand die deze gevaren aanwijst (aantasting van het geloof in zijn diepste kern) er nog aan ontkomen om bepaalde figuren in gebreke te stellen. Prof. Ridderbos schrijft in het begin van zijn tweede brief, dat dat laatste zijn bedoeling niet is. Maar de ernst waarmee hij in het vervolg de gevaren opnoemt doet ons vragen: Wat is dan wel zijn bedoeling?
De drie dingen die aangewezen worden zijn van een dusdanig belang, dat men hier toch zal moeten kiezen of delen, wil men niet de verdenking op zich laden de kool en de geit te willen sparen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's