De financiële verhouding van kerk en staat
Gedurende een twintigtal jaren heeft een staatscommissie onder leiding van mr. G. E. van Walsum gewerkt aan een voorstel aan de regering, waarin de financiële verhouding tussen kerk en staat wordt geregeld. In 1815 is in de grondwet een bepaling vastgelegd waarin gesteld wordt dat „de tractementen, pensioenen en andere inkomsten van welke aard dan ook, thans door de onderscheiden gezindheden of derzelver leraars genoten wordende, aan diezelve gezindheden verzekerd blijven. Aan de leraars welke tot nog toe uit 's lands kas geen of een niet toereikend tractement genieten, kan een tractement toegelegd of het bestaande vermeerderd worden". Dit artikel is nooit gewijzigd maar bij de "geleidelijke geldontwaarding hebben geen correcties in de salarissen plaats gevonden, terwijl bovendien de kerken die na 1815 zijn ontstaan buiten deze regeling zijn gebleven.
De commissie van Walsum heeft nu voorgesteld om met erkenning van de historische financiële aanspraken van de kerken een nieuwe regeling te ontwerpen gebaseerd op de huidige omstandigheden en opvattingen, waarbij voor alle kerken een gelijke rechtsbedeling geldt. De commissie pleit derhalve voor een uitkering aan alle kerken op grond van hun specifieke pastorale arbeid. De commissie motiveert dit door erop te wijzen dat de overheid na 1945 in toenemende mate ertoe is overgegaan voorzieningen te treffen voor sectoren die op het geestesleven betrekking hebben (wetenschap, onderwijs, opvoeding, kunst). Zo bezien komen de kerken volgens de commissie van Walsum ook voor die voorzieningen in aanmerking. Concreet stelt de commissie een tcrtale jaarlijkse bijdrage aan de kerken van ƒ 50.000.000 voor. Dat komt overeen met 16 % van de totaal uitgaven der kerken voor eredienst en zielzorg. Elk van de kerken ontvangt dan een bedrag dat in verhouding staat tot het aantal van haar leden.
Minister Witteveen heeft in een brief aan de Tweede Kamer bezwaren aangetekend tegen de conclusie en de motiveringen van de staatscommissie. Naar zijn mening behoort de geloofsovertuiging en de geloofsbeleving tot de persoonlijke levenssfeer van de mens, zodat de overheid de schijn moet vermijden door permanente subsidiëring van de kerken invloed te willen uitoefenen in de eigen sfeer van de kerken. De minister stelde daarom voor een regeling te treffen tot afkoop van de huidige uitkeringen, een gedachte die door de staatscommissie in haar rapport was afgewezen.
De synode van de Ned. Herv. Kerk heeft zich met algemene stemmen geplaatst achter de conclusies van het rapport van Walsum. In een concept standpunt bepaling dat aan de synode werd voorgelegd en dat voor september a.s. aan de regering moet worden overgelegd, werd gesteld dat het naar de overtuiging van de synode behoort tot de taak van de moderne staat om het welzijn van de bevolking in geestelijk, cultureel en maatschappelijk opzicht — en dat in de ruimste zin — mogelijk te maken en te bevorderen. Met nadruk werd gesteld dat het godsdienstig leven niet alleen maar tot de persoonlijke sfeer behoort, maar ook verwerkelijkt wil worden in het geestelijk, cultureel en maatschappelijk leven in de ruimste zin. Daarom zou het discriminatie betekenen wanneer in onderscheiding van andere uitingen van geestelijk, cultureel en maatschappelijk leven, de kerk van uitkeringen van staatswege zou worden uitgezonderd.
De meningen van de synodeleden liepen nogal uiteen hoewel de eindconclusie voor allen gelijkluidend was en de gedachte van de minister, dat godsdienst tot het privé leven behoort, unaniem werd afgewezen.
Nadat ir. P. J. Baauw uit Velp de houding van de minister intolerantie tegenover de kerken had genoemd, onderstreepte drs. G. Plaisier (Ridderkerk) zijn bezwaren tegen de houding van de minister, maar tegelijkertijd signaleerde hij een horizontalistische tendens in het concept van de synodale commissie. Hij sprak in een bepaald verband van een „horizontaal aapje", een beest dat zich snel bleek te vermenigvuldigen. Want vanaf dat moment werd telkens zo'n aapje aangewezen.
Dr. C. P. van Andel had tegen het concept van de synodale commissie fundamentele bezwaren. Hij vroeg zich af of de kerk in een gesaeculariseerde samenleving recht op uitkeringen van Staatswege heeft. Wil de kerk in haar argumentatie t.o.v. de staat sterk staan dan moet zij haar argumenten ontlenen aan het sociale karakter van de kerk en zo aanknopen bij het cultuurbeleid dat de regering in toenemende mate volgt. Dr. van Andel keerde zich dan ook scherp tegen de invoering van art. 36 van de N.G.B, in de discussie, een element dat er door ir. Baauw uit Velp — naar hij later zei onbedoeld — in was gebracht. Dr. van Andel meende dat daaraan een verouderd denkpatroon ten grondslag lag. Prof. dr. K. Strijd ging nog verder door te stellen dat de kerk beter financieel los kon staan van de staat. Juist als de kerk vrij komt te staan krijgt ze extra stimulansen. Dan moeten bepaalde takken van werk maar vervallen en moeten b.v. maar kleinere kerken worden gebouwd of in het geheel geen kerken meer. Hij wees in dit verband op het — in dit blad al eerder besproken boek — van Hans Heinrich Brunner „Kirche Ohne llusionen", waarin hij een goede doorsnede getekend zag van de kerk van de toekomst. Overigens benadrukte Prof. Strijd ook dat hij in de concept standpuntbepaling van de synodale commissie een theologie over de overheid in de huidige situatie miste alsook de bezinning op art. 36 van de N.G.B.
Ds. F. H. Landsman bestreed de visie van Strijd door te zeggen dat het voortbestaan van de kerk een zaak is van Woord en Geest en dat we niet mogen vooruit lopen op situaties die eventueel komen zullen en zo als het ware het martelaarschap zelf gaan zoeken. Daarmee ging Ds. Landsman tevens in op de gedachte van Dr. van Andel dat de kerk ten opzichte van de overheid alleen sociale motieven moet laten gelden. Hij stelde dat de kerk het eigene van haar kerk-zijn moet handhaven en zolang dat mogelijk is haar geestelijk inspirerende functie binnen de samenleving moet blijven uitoefenen. Hij sprak in dit verband van bijkomende genade als de kerk ook in de samenleving op haar eigen wijze bezig kan zijn. Zou alleen het sociale van de kerk er maar zijn dan zou de kerk geen lang leven meer hebben.
Door Ds. Abelsma werd het door Dr. van Andel aangesneden punt betreffende art. 36 van de N.G.B, nog eens aan de orde gesteld. Hij benadrukte dat de kerk in gemeenschap met de vaderen haar geloof dient te belijden. Daarbij behoort ook art. 36, zelfs al is de kerk bijna tot niets gereduceerd. Op grond van het unieke karakter van de kerk binnen de samenleving diende de kerk zijns inziens haar aanspraken op uitkering te handhaven.
Ds. P. Koeman (Bruchem) knoopte daarbij aan door te stellen dat de scheiding tussen kerk en staat thans definitief dreigde te worden. De kerk moet echter ook nu de moed hebben om de overheid te blijven aanspreken als dienaresse Gods en ervoor te waken dat de kerk niet op één hoop wordt geworpen met andere organisaties. De kerk moet niet zodanige argumenten gaan hanteren dat instellingen als bijvoorbeeld het humanistisch verbond op dezelfde gronden aanspraken op uitkering kunnen laten geiden.
Prof. dr. A. F. N. Lekkerkerker wees er tegenover prof. Strijd nog op dat als we zo gemakkelijk de band aan de staat willen loskoppelen de lijn ook consequent verder getrokken moet worden en bijvoorbeeld ook moet worden afgezien van de opleiding van de aanstaande dienaren des Woords aan de Rijks Universiteit, een gedachte die hij overigens zelf verwierp.
Rest nog op te merken dat mr. van Walsum in de toelichting en verdediging van het rapport van de staatscommissie stelde dat het niet op de weg van de minister ligt om uit te maken hoe de kerk haar eigen taak ziet. Hij was verder met prof. Lekkerkerker van mening dat als de financiële band tussen kerk en staat werd doorgesneden dit ook op andere terreinen moest worden gedaan.
Tenslotte werd besloten de conclusie van het rapport van Walsum te aanvaarden en het concept terzake van de synode op sommige punten te herzien. Met name een passage waarin gezegd werd dat het in het huidige economische en geestelijke bestel voor de kerk noodzakelijk is dat door de staat voorzieningen worden getroffen, omdat anders het voortbestaan van het godsdienstige leven in zijn huidige aard en naar zijn legitieme karakter gevaar zou lopen, vroeg om een andere formulering. Nu werd teveel de schijn gewekt dat het voortbestaan van de kerk afhankelijk zou zijn van de staat.
H. J. v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's