De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze verhouding tot de R.K. kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze verhouding tot de R.K. kerk

14 minuten leestijd

Uit verschillende Synode-verslagen kunnen de lezers reeds op de hoogte zijn gesteld van de inhoud en de strekking van een Concept van een nieuw Herderlijk Schrijven van de Synode van onze kerk over Onze verhouding tot de Rooms-katholieke kerk. De bedoeling van dit artikel is een nog wat bredere informatie daarover te verstrekken. Sinds hooguit een paar jaar bestaat er een zogenaamd Hervormd-Rome-Beraad, dat zich intens bezighoudt met de verhouding van de Ned. Hervormde Kerk tot de R.K. kerk. Voorzitter hiervan is prof. Bronkhorst, secretaris dr. C. P van Andel Azn. Om hen heen staat een bredere commissie, die mede verantwoordelijkheid draagt voor het concept dat vooral door dr. Van Andel geschreven werd. Diegenen die al jaren met het wel en wee van onze kerk hebben meegeleefd kunnen weten dat er reeds in 1950 een eerste Herderlijk Schrijven van onze kerk betreffende de R.K. kerk is uitgegaan. Het was de tijd waarin zich nog geen veranderingen in de R.K. kerk aankondigden. De verschillen tussen beide kerken kwamen dan ook in dit Herderlijk Schrijven van 1950 duidelijk aan de dag. Het was een goed stuk, niet hatelijk, wel eerlijk. In 1961 volgde er een nieuw Schrijven van onze Synode met betrekking tot de R.K. kerk. Het was het geschrift dat tot titel kreeg: Reformatorische houding jegens de Rooms-Katholieke kerk en haar leden. Het was geen eigelijk Herderlijk Schrijven, de ondertitel sprak van Richtlijnen. In 1961, dus het jaar waarin deze Richtlijnen verschenen, was in Rome zelf alles reeds druk in de weer met het oog op de komst van het Tweede Vaticaanse Concilie, dat een jaar later, oktober 1962, in eerste zitting zou bijeenkomen. De Hervormde Synode gevoelde zich geroepen in verband met deze nieuwe situatie een woord tot haar eigen leden én de leden van de R.K. kerk in ons land te spreken. De inhoud van de Richtlijnen was bezadigd; zij zal naar het oordeel van velen reeds in die tijd te weinig echt oecumenisch geweest zijn; volgens anderen echter was zij reeds teveel toegeeflijk, bepaalde tegenstellingen wat vervagend. Thans zijn we nog geen 8 jaar verder, en lag er opnieuw op de Synodetafel een Concept over dezelfde materie. Wij geven toe: in die 8 jaren is er heel wat gebeurd. Het Vaticaanse Concilie behoort al weer 4 jaar tot het verleden, wij leven al weer enige jaren in het zogenaamde post-conciliaire tijdperk. En behalve dat het kwam in ons eigen land tot het bijeenroepen van een Pastoraal Concilie, dat sinds kort haar vierde plenaire vergadering achter de rug heeft. Op dit Concilie waren tal van protestantse theologen aanwezig, niet slechts als „waarnemer", maar als „deelnemer". Dat schiep als vanzelf een hele reeks persoonlijke contacten. Er is dan ook op het ogenblik veel theologen-verkeer, over en weer. Wie wil komen tot een beoordeling van het Concept, waar het in dit artikel over gaat, zal al deze gegevens mede in rekening moeten brengen. Waarbij ik dan ook nog wil wijzen op wat er op het zogenaamde „grondvlak" allemaal reeds gebeurt. Op dezelfde zitting van de Synode waarin het bedoelde Concept besproken werd kwam ook nog ter tafel een verslag van de secretaris van het al genoemde Hervormde Beraad, van de orientatiebezoeken die hij had afgelegd bij de moderamina der Provinciale kerkvergaderingen. Wie dit verslag leest staat er versteld van hoezeer er reeds op tal van plaatsen oecumenisch geëxperimenteerd wordt. Heus niet alleen onder de studenten worden er gezamenlijke eucharistievieringen gehouden, ook in „gewone" gemeenten. Er is een gemeente waarin predikant en priester om en om het Woord of het sacrament bedienen. In de provincie Groningen is men van plan een oecumenische gemeente te stichten, met een soort dubbel lidmaatschap, de P.K.V. van Groningen steunt het plan. Zo zou er nog veel meer te noemen zijn. Duidelijk is dat er in toenemende mate een streven zich ontwikkelt in de richting van één grote evangelische kerk in ons land, waarin mogelijk ook de Nederlandse kerkprovincie van de R.K. kerk zal participeren. Dit is een ontwikkeling die gezien wat er allemaal reeds op verscheidene plaatsen gebeurt naar het schijnt niet meer is tegen te gaan. Wanneer daar tegenin wordt gebracht dat de R.K. kerk toch nimmer haar eigen karakter kan verliezen, wordt geantwoord dat sinds Vaticanum II deze kerk grote mogelijkheden biedt aan een pluriforme gestalte in onderscheiden gebieden; zodat bijv. in Nederland wél kan wat elders in de wereld niet kan. Zoals ik in vorige artikelen reeds heb aangetoond zijn deze mogelijkheden naar mijn gevoelen toch begrensd, en staat het alleszins te vrezen dat bij een eventuele eenwording de R.K. kerk met de eigenlijke buit gaat slepen. Hoe dit ook zij, aangezien wij ons niet aan speculaties willen wagen laten wij dit verder liever rusten, niettemin één van onze hoofdbezwaren tegen het Concept zoals het op de Synode ter tafel lag is dat wij daarin beluisteren een geluid dat het voor deze eenwording opneemt. Het is naar ons gevoelen geschreven vanuit de idee, dat het naar een kerkelijke eenwording met Rome kan gaan en móet gaan. Toen wij als Hervormd-Gereformeerden daar ter Synode ons tegen verzetten, kwam daarop een zo emotionele reactie dat ons duidelijk werd dat wij inderdaad de goede (zij het pijnlijke) snaar getroffen hadden. Dit ter inleiding, nu enkele zakelijke opmerkingen over het bedoelde Concept. Er wordt in dit stuk uitgegaan van een geheel nieuwe situatie, waarin wij met de verhouding Rome-Reformatie, in ons land, zouden gekomen zijn, en waarin wij dus niet meer zouden kunnen volstaan met nog eens onze vroegere bezwaren tegen de leer en praktijk der R.K. kerk te herhalen. Ergens valt in dit verband de opmerking, dat „de berucht geworden woorden van antwoord 80 van de Heidelbergse Catechismus in onze situatie . . . niet meer van toepassing zijn". Zelfs het Herderlijk Schrijven van 1950 wordt als door de feiten achterhaald geacht. Ter Synode ging prof. Bronkhorst nog verder: Ook de Nieuwe Katechismus vertolkt al niet meer de huidige stand van zaken bij de roomskatholieken in ons land, hij is immers al weer 3 jaar oud. Tegen deze redenering is ingebracht, dat het Concept (en ook de uitspraak van Bronkhorst) teveel berust op louter persoonlijke contacten, met andere woorden dat hier toch wel heel erg individualistisch de R.K. kerk benaderd wordt. Als wij niet meer mogen afgaan op wat het Tweede Vaticaanse Concilie officieel heeft vastgelegd in haar documenten, zelfs niet meer op de Nieuwe Katechismus, dan zijn we overgeleverd aan de louter individuele impressies van prof. Bronkhorst en an­deren die doorlopend met diverse roomskatholieke theologen in ons land in contact staan. Wat betreft de Nieuwe Katechismus, deze wordt nog altijd door de massa gelezen als de vertolking van wat de R.K. kerk in ons land op dit ogenblik leert. En tenslotte, op het Pastoraal Concilie is door het episcopaat (de bisschoppen, en vooral kardinaal Alfrink) steeds weer gezegd, dat de band met de wereldkerk, dus met Rome en de paus buiten discussie staat. De vraag is nu of wij dit mogen negeren. Het lijkt ons toe van niet. Willen wij het Nederlandse rooms-katholicisme werkelijk serieus nemen, dan zullen wij ook met dit gegeven rekening moeten houden. Dan zullen wij dus de Nederlandse kerkprovincie niet mogen isoleren van Rome; dan zullen wij in onze beoordeling van de R.K. kerk in ons land ook de officiële stukken van Vaticanum II moeten verdisconteren. Doen wij dat niet, dan gaan wij (onuitgesproken) ervan uit dat de R.K. kerk in ons land een schismatieke groep is, dat wil zeggen: bezig is zich los te maken van Rome, terwijl deze kerk zélf steeds weer zegt dat zij dat pertinent niet wil. Vervolgens, er wordt in het Concept doorlopend ervan uitgegaan dat er niet alleen aan de kant van Rome, maar ook aan de kant van de Reformatie veel veranderd is of bezig is te veranderen. Eén voorbeeld: Was de reformatorische eredienst een typische woorddienst geworden, thans is men zich de betekenis van het sacrament aan het bewust worden. Nog een voorbeeld: het is de ontdekking van deze tijd dat de kerk er niet is terwille van zichzelf, dat haar krachtens haar wezen een dienende functie in de samenleving is toegewezen; ten aanzien van haar organisatie betekent dit dat van haar een dynamische bewegelijkheid ver­wacht mag worden. Kortom, er is aan beide kanten veel aan het veranderen. Waren er aan weerskanten in het verleden eenzijdigheden, verschillende accenten, thans groeien de standpunten naar elkaar toe. Men gaat elkaar, zo heet het, herkennen in de vragen die gesteld worden, in de onzekerheden die doorleefd worden, maar ook in éénzelfde geloof dat gericht is op eenzelfde doel. Wij zouden hier tegenin willen brengen, dan dit op ons de indruk maakt van een al te gemakkelijk naar elkaar-toe-praten van in wezen diep verschillende standpunten. Laat het waar zijn, dat ook in de reformatorische traditie zich eenzijdigheden hebben voorgedaan; laat het zelfs waar zijn dat het sacrament in de praktijk weleens teveel op de achtergrond kwam in vergelijking met de prediking, dan nog gaat het niet op om de hele tegenstelling te brengen op deze éne noemer van wederzijdse eenzijdigheden. Het sacrament zal in de reformatorische kerken toch immers altijd een heel andere waarde en functie hebben dan zij heeft in de R.K. kerk. In dit verband ook iets over de eucharistie (avondmaal). In het Concept wordt bijkans met enthousiasme geconstateerd, dat de transsubstantiatie (wezensverandering) een term is die het onder de Rooms-katholieke theologen in Nederland, wanneer zij het over het avondmaal hebben, vrijwel niet meer doet. Inderdaad, met name de Nijmegense hoogleraar Schillebeeckx heeft voorgesteld deze term door andere te vervangen. Hij doet dat echter vanuit een zeer bepaalde filosofische achtergrond. Wat ik van zijn boekje Christus' tegenwoordigheid in de Eucharistie (Bilthoven 1967) begrijp is niet dat hier de Schrift een nieuw gezag krijgt over de kerkleer, maar dat de ene filosofie ver­wisseld wordt voor de andere. En daar komt dan nog bij dat in Mysterium Fidei, een encycliek van paus Paulus uit 1965, deze leer met zoveel woorden wordt afgewezen, en duidelijk wordt gezegd dat de term transsubstantie moet worden gehandhaafd. Wegen wij nu het gezag van Schillebeeckx af tegen dat van paus Paulus, dan meen ik dat het toch wel een zeer hachelijke zaak is voor de Synode van de Hervormde Kerk om op deze nieuwe (maar afgewezen) visie als basis te bouwen aan een nieuwe verhouding tot de R.K. kerk. Dit brengt mij op het tweede punt dat ik aansneed, dat van het kerkbegrip. Onze ontdekking zou zijn, dat de kerk er is voor de wereld, dat het kerk-zijn gericht dient te wezen op de samenleving, dat de kerk een dynamische organisatie behoort te wezen, met andere woorden: de ontdekking van de functionaliteit van de kerk. Wij kunnen niet veronderstellen dat de Schrijvers van het Concept onbekend is, dat lang niet allen die tot de Hervormde kerk behoren deze visie op de kerk onderschrijven. De kerk is er óók voor de wereld, maar dat niet in de eerste plaats. Zij is er in de eerste plaats voor Hem, die haar Here en Hoofd is. Hij bepaalt welke gestalte zij behoort te hebben in deze wereld, tot in het organisatorische toe. Dat hangt niet alleen maar af van de wisselende situatie waarop de kerk — functioneel — ingespeeld zou moeten zijn. Het gaat ons niet om een kerk die buiten de wereld en buiten de moderne situatie zou staan, maar wèl om een kerk die wézenlijk kerk van Christus is en zich er ook niet voor schaamt om dat te zijn, zelfs niet al wordt zij door de moderne wereld er om veracht. Intussen, ook in verband met deze nieuwe visie op de kerk wordt in het Concept een toenemende eenheid van kerkopvatting geconstateerd tussen reformatorische en rooms-katholieke theologen. Immers, Vaticanum II heeft over de kerk gesproken als over het „volk Gods", een volk dat „onderweg" is. Met andere woorden: ook aan Rooms-katholieke zijde is oog voor het functionele van de kerk. Over de vroegere kloof heen kunnen thans de christenen van beiderlei confessie elkaar de hand reiken in een nieuw verstaan van de opdracht van de kerk in deze tijd. Nog één stap verder: zij kunnen nu samen op weg gaan! De scheiding tussen beide kerken wordt dan ook als onwezenlijk en schuldig ervaren. Bijna: het móet tot eenheid komen! Reeds heb ik opgemerkt dat deze functionele kerkopvatting niet de onze kan zijn, en gewis ook niet de reformatorische in zijn oorspronkelijke vorm, ooit is geweest. Maar behalve dat, óók in de stukken van Vaticanum II is zij niet de enige kerkopvatting, en zelfs niet de eerste en voornaamste. In de Dogmatische Constitutie over de kerk gaat een andere, oudere kerkopvatting aan de nieuwe vooraf. Er wordt eerst gesproken over de kerk als het mystiek lichaam van Christus nr. 7 en 8) en dan pas over de kerk als volk Gods (nr. 9 e.v.). Volgens de eerste, en oudere opvatting heet de kerk een organisatie die hiërarchisch is opgebouwd; en in het tweede gedeelte van de Constitutie wordt dit allerminst losgelaten. Mijn bezwaar tegen het Concept dat wij als Synode bespraken is, dat dit gewoon verwaarloosd wordt; de betekenis van de hiërarchie binnen de R.K. kerk wordt schromelijk onderschat. Was daar meer rekening mee gehouden dan zou het hele Concept minder glad uitgevallen zijn. Nóg een punt. In het bedoelde Concept wordt zeer loffelijk gesproken over de Nieuwe Katechismus. Het lijkt of Rome geheel is overgeschakeld op een bijbels denken. De oude Roomse dogma's schijnen niet meer serieus genomen te worden. Zeker, er blijven nog wel vragen over, maar dat is dan ook alles. In dat stadium schijnen we gekomen te zijn, dat wij als christenen van twee verschillende kerken alleen nog maar wat vragen hebben te stellen! Ter Synode is er door meer dan één op gewezen, dat men die Nieuwe Katechismus niet al te gemakkelijk kan slikken. Al is het volkomen waar dat de specifiek Roomse dogma's niet al te geprononceerd er in naar voren treden, zij blijven niettemin alle toch overeind staan. Daarnaast — en ook dat is een belangrijk aspect — laat zich in deze Nieuwe Katechismus een duidelijk neo-modernistisch geluid horen. De R.K. kerk in ons land loopt naar twee kanten gevaar: er is het oude gevaar van het leren en praktiseren van de oude (onbijbelse) dogma's, als Maria's onbevlekte ontvangenis, Maria's hemelvaart, de pauselijke onfeilbaarheid, enz. én er is het nieuwe gevaar van een totale versecularisering en vermodernisering van leer en leven. Geen van beide gevaren worden in het Concept voldoende onderkend en aangegeven. Kortom, dit stuk is ons te glad, oppervlakkig en gemakkelijk. Niet dat er ook niet goede stukken in staan, dat zeker. Ook valt te prijzen de bijzonder prettige en goed leesbare stijl. Het is ook niet zó dat dit stuk reeds de kerk als reformatorische kerk zou ondergraven. Dan zouden wij de stand van zaken overtrekken. Niettemin, wij hebben ernstige bezwaren. Beloofd is dat, voorzover mogelijk, bij het herschrijven met de geleverde kritiek rekening zou worden gehouden. We zijn benieuwd wat daar van terecht zal komen. De hele strekking van het betoog zal wel niet gewijzigd worden. Dat betekent: wij krijgen een stuk in de kerk dat steun geeft aan het reeds genoemde streven naar een kerkelijke eenwording. Het zal dat streven zeker niet afremmen, maar eerder aanmoedigen. Naar ons gevoelen zou er best in onze tijd door onze Synode een Herderlijk Schrijven mogen uitgaan tot de R.K. kerk. Maar zulk een Schrijven zou dan moeten vertolken een bewogen bezorgdheid voor de gang van zaken in die kerk, waar zovelen, net als bij ons, alle koers kwijtraken. Zo'n Schrijven zou iets moeten laten doorklinken van een gezamelijke schuld en zou moeten zijn een oproep om gezamelijk weer opnieuw te luisteren naar het Woord van onze God, dat ook in déze tijd het enige licht kan zijn dat een lamp is voor onze voet, en de enige wegwijzer. Het getuigenis van de Schrift te laten horen is vanouds de kracht van de Reformatie geweest. Daar zijn we nóg toe geroepen. Wij zijn al menigmaal aan die roeping ontrouw geweest. Er is geen reden tot zelfverheffing. Maar wij zouden Rome er een dienst mee bewijzen wanneer wij helder en krachtig opnieuw onze eigen kerk én de R.K. kerk vermaanden tot bekering, gehoorzaamheid en trouw aan dat Woord dat blijft tot in der eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1969

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Onze verhouding tot de R.K. kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1969

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's