De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BOEKBESPREKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BOEKBESPREKING

10 minuten leestijd

„De Opstanding, ” themanummer van het Ger. Theol. tijdschrift, nr. 1 jrg. 1968; uitgegeven bij J. H. Kok, N.V., Kampen. Prijs ƒ 2,75.
In dit (honderd bladzijden tellend) themanummer van het Gereformeerd Theologisch tijdschrift over de Opstanding wordt achtereenvolgens door de volgende scribenten een bijdrage geleverd: dr. N. H. Ridderbos over de opstanding in het Oude Testament; dr. M. A. Beek over de opstanding in de apocalyptische literatuur; dr. B. Hartmann over de opstandingsgedachte in de antieke godsdiensten van het nabije Oosten; dr. R. Schippers over de opstanding van Jezus van Nazareth in het Nieuwe Testament; dr. D. Nauta over de opstanding van Christus in theologie en kerk der negentiende eeuw; en tenslotte dr. H. M. Kuitert over het geloof in de opstanding in de nieuwere theologie.
Wat betreft het eerste artikel komt bij mij vooral ten aanzien van de slotopmerkingen de vraag op, of het Oude Testament, waarin zoveel nadruk valt op het leven van de mens hier en nu, inderdaad dichter staat bij de moderne mens dan het Nieuwe Testament. De moderne mens, lezen we, heeft „moeilijkheden met elke verkondiging, die betrekking heeft op een leven na dit leven". Norbert Lohfink schreef: (blz. 18 van het onderhavige werkje) „Daarom zou men als christen niet wanhopig moeten worden, als men merkt, dat men met de waarheden van het hiernamaals niets meer kan beginnen". Zulke mensen behoeven blijkbaar niet zo heel veel te verschillen van de Oud-testamentische gelovigen. Mijns inziens is het zeer de vraag, of dit juist is. Er is minstens dit verschil: De Oud-testamentische gelovigen waren kennelijk minder gericht op een leven na dit leven (misschien inmiddels toch meer dan wel eens geponeerd wordt), omdat zij in dat stadium der Godsopenbaring daarover minder konden weten. Wat God hen ervan openbaarde hebben zij echter met grote gretigheid geloofd. Die God, Die het zo goed maakte hier en nu, zou hen, naar hun diepste geloof, niet verlaten, ook niet als zij grafwaarts moesten. Dat is wat anders als wanneer men uit rationalistische en/of materialistische overwegingen vandaag geen raad meer weet met het geloof in de opstanding. Juist het pastoraat zou deze overwegingen moeten ontmaskeren.
Bovendien is het de vraag, of het geoorloofd is, ook pastoraal gezien, het Oude Testament, los van het Nieuwe, in onze tijd te laten functioneren als een voorbereiding op het Evangelie (het volle Evangelie). Men loopt dan gevaar de twee verbonden uit elkaar te halen, waarbij zelfs de gelovigen a la het Oude Testament nog wel eens de voorrang zouden kunnen krijgen boven hen, die naar het woord van Calvijn en wat meer is vanuit de volheid van de Godsopenbaring dit leven (met alle ernst) beleven als praeparatio aetemae vitae (voorbereiding op het eeuwige leven). Als één ding voor ons als moderne mensen nodig is, dan is het juist dit.
Verder blijft het nog een grote vraag, of het juist is, wat in de tweede bijdrage (blz. 46) te lezen is, nl., dat het geloof in de opstanding voor mensen pas laat en dan aan de rand van het Oude Testament ontstaat. Overigens ontvangen we in dit boekje een uitnemende informatie inzake de vragen rondom het opstandingsgeloof. Ik denk aan de zeer lezenswaardige artikelen van dr. R. Schippers, dr. D. Nauta en dr. H. M. Kuitert tenslotte. Jammer alleen, dat we in het laatste artikel een besliste bestrijding van de opvattingen der moderne theologen tevergeefs zoeken. Verspiritiualisering, versocialisering van de opstandingsboodschap en van het hele Evangelie, is, dunkt mij, een minstens even groot gevaar als dat van „het spooksel, waarin de opstanding als een „nudum factum" (een naakt feit) wordt beschouwd." (blz. 99) Liever dan „in alle explicaties van de nieuwere theologie een (meer of minder duidelijk) legitiem aspect" te ontdekken (zoals dr. Kuitert meent te moeten doen), liever dan uit te gaan van het „nieuwe Testament als een geloofsgetuigenis" (blz. 82), had ik nadruk gelegd willen zien op het openbaringskarakter van het Schriftgetuigenis, waardoor alleen de moderne critiek een onherroepelijk halt kan worden toegeroepen. God heeft Zijn Zoon uit de doden opgewekt. En toen dat geschiedde werden zelfs de wachters bij het graf (in hen is de oudste critiek op de opstanding vertegenwoordigd) als doden. Dit „naakte feit" alleen is bij machte zelfs het ongeloof de schrik op het lijf te jagen. Uiteindelijk blijkt bij alle nieuwe inkleding van gedachten ten aanzien van het opstandingsgebeuren toch weinig veranderd te zijn vergeleken bij de vorige eeuw. Daarom kunnen we ook nog steeds ter harte nemen, wat mevrouw Bosboom Toussaint, „als een stem uit het midden der christelijke gemeente" uitsprak (blz. 80): „Wat mij aangaat, er zijn ongerijmdheden, die ik mij niet laat opdringen, zelfs niet, al worden zij van de hoogste katheder met al de majesteit van het gezag der onfeilbare wetenschap gepredikt. Als ik dan op het gezag der apostelen geene wonderen mag aannemen, kan men althans niet van mij vergen op het gezag van gewone mensen, al zijn ze ook bedeeld met buitengewoon vernuft en buitengewone habiliteit, de vermetele ontkenningen aan te nemen, waarmee zij de Gemeente komen verrassen — die, als men ze wel beziet, niet eens met het oog van den Christen, maar eenvoudig met den blik van 't gezond verstand nog het allermeest verwondering wekken door de zonderlinge inconsequenties, waartoe zij verlokken".

Het Koninkrijk Gods naar de Schriften, ds. L. A. F. Godschalk, met enkele bijdragen en öen woord ten geleide van prof. dr. A. W. Begemann, uitgave Stichting Uitgeverij „De Vuurbaak", Groningen 1968. Prijs: ƒ9, 25; ledenprijs ƒ 7, 50, — 188 blz.
De emeritus-predikant ds. Godschalk van Minnertsga (Gereformeerd) geeft ons in dit boek een bundel lezingen en preken, tot een goed leesbaar boek verwerkt. Het thema over „het Koninkrijk Gods", door hem jarenlang bestudeerd, vindt hier een oorspronkelijke uitwerking. Schrijver neemt zijn uitgangspunt (heel anders dan meestal geschiedt) in de schepping van de mens naar het beeld Gods, waarin de oorspronkelijke staat van het geschapen koninkrijk Gods op aarde z.i. gezien moet worden. De zin der geschiedenis is het koningschap van de mens (naar het beeld Gods) afspiegeling van het eeuwige koningschap van Godzelf. Na een lange interimperiode onder het Oude Verbond is dit koninkrijk Gods weer hersteld in de tweede mens Jezus Christus, geschapen naar het Beeld Gods en wordt het opgericht in de weg van wedergeboorte en vernieuwing van dit beeld Gods in de mens. Kerk en koninkrijk, niet hetzelfde, zijn toch nauw op elkaar betrokken.
Ondanks de redeneermethode, die helaas te weinig aansluit bij het eenvoudige woordgebruik van de Schrift, is het een goed leesbaar boek, dat getuigt van ijverige studie en doordenking van de problemen. Enkele vragen: 1) Is het Bijbels legitiem een onderscheiding te maken tussen „Gods Koninkrijk" en „Koninkrijk Gods"? Dit werkt op zijn minst verwarrend. 2) Deze onderscheiding loopt gevaar ergens uit te lopen op een scheiding in de twee naturen van Christus. Het éne accent van het beeld Gods en daarmee van de mensheid van Christus krijgt hier te zware nadruk. Het is toch duidelijk, dat in Christus juist ook „de eeuwige basileia Gods doorbreekt naar de stellige verwachting van de Oud-testamentische profetieën. 3) Maakt de kosmische betekenis van Christus als de Koning van het Koninkrijk der hemelen (Zijn heerschappij over de machten) ons niet duidelijk, dat het Koninkrijk Gods ruimer is dan het herstel van het beeld Gods in de mens? Het koningschap van de vernieuwde mens functioneert in het brede verband van het koninkrijk der hemelen, waarin aan Christus alle macht is gegeven.
Verder blijven er nog allerlei kleinere vragen over, waarvan slechts deze hier genoemd wordt: „Waarom redeneert de schrijver de dreiging van het z.g. proefgebod uit Gen. 2 weg? „Een dreiging vloekt met een heilig en volkomen beeld van God in de mens", zegt hij. Terwijl we toch uitdrukkelijk lezen, dat God tot Adam zegt: „Indien gij van deze boom eet, zult gij de dood sterven". Als de dood een oordeel van God op de zonde is, is dit woord ongetwijfeld een dreiging.
Overigens worden we door dit boek weer eens ernstig aan het denken gezet over een zaak, die de laatste tijd zo vaak aan de orde komt in kerk en theologie. Als zodanig bevelen we het u graag aan.
Z.                                               C. d. B.

H. A. Visser: Met conflicten leven; Uitgave G. F. Callenbach, Nijkerk, 107 pagina's; ƒ6, 90.
In een aantal avondoverdenkingen voor de N.C.R.V. microfoon in de jaren 1967 en 1968 heeft Ds. H. A. Visser, Ned. Herv. predikant te Amsterdam, allerlei produkten van moderne literatuur besproken en gecommentarieerd vanuit de confrontatie met het evangelie. Zo werd één en ander besproken uit de werken van Erwin Sylvanus, Samuel Beckett, Miodrag Bulatovic, Iris Murdoch, W. F. Hermans, Edward Albee, Edward Bond, Harold Pinter, Ivo Michiels, Heinrich Boll, Franz Kafka, Klabund, Bertold Brecht, Arthur Miller, Jean-Paul Sartre en Luigi Pirandello.
Uit al deze stukken blijkt dat de schrijver zeer goed thuis is in de moderne literatuur, zodat hij kans ziet om in kort bestek een aantal hoofdlijnen te tekenen. Elk hoofdstuk eindigt steeds met een confrontatie van de betreffende literatuur met het evangelie. Die confrontatie valt soms in het nadeel van die litteratuur uit, soms in het voordeel. Maar we kunnen bepaald niet zeggen dat de inbreng vanuit het evangelie imponerend is. We menen dat het evangelie zo z'n eigen taal spreekt. Daarvoor behoeft de moderne literatuur niet model te staan. Die moderne literatuur kan ons wel iets doen zien van het eigentijdse denken. Maar te weinig wordt o.i. door de schrijver de tegenstelling tussen geloof en ongeloof belicht. De belichting is te genuanceerd, te veel zig zag, teveel een heen en weer tussen kerk en wereld. Ondanks de ongetwijfeld knappe compositie hebben we na lezing van dit boek dan ook niet kunnen zeggen dat we er het hart van het evangelie in hebben aangetroffen, d.w.z. het evangelie van genade voor goddelozen.
Het gaat ons ook te ver als allerlei Bijbelse figuren zonder meer naast figuren uit de moderne literatuur worden geplaatst. Zo b.v. Abraham naast Korckzak uit het werk van Erwin Sylvanus. Daarachter zit een visie op de Schrift die gaat in de richting van een actualisering in het heden, zonder dat het geheel staat in de Bijbelse kader van Verkiezing en Verbond.
En daarom wie iets over moderne literatuur wil lezen, vindt hier een aardig boek. Maar deze vertolking van het evangelie roept bij ons toch meer vragen op dan zij antwoorden geeft.

Reveil-Serie; Derde 10-tal preken; Uitgeverij Pieters, Oostburg, 292 pagina's; ƒ 7, 50.
In dit derde 10-tal preken, uitgegeven door de stichting „Smytegeltfonds" vinden we een preek van Wilhelmus a Brakel over Ef. 2 : 4-5, drie preken van Bernardus Smytegelt nl. over Jesaja 55:7, Lucas 12 : 32 en Spr. 23 : 26a, een preek van Jodocus van Lodesteyn over Matth. 24:12, van Abraham Hellenbroek over Matth. 27 : 45-49, van Koenraad Mel over Gen. 5 : 24, van Petrus Immens over 2 Sam. 12:13b, van Florentius Costerus over Rom 5 : 5b en van Johannes Beukelman over Joh 3 : 3. De oude schrijvers wisten de nood van het menselijk hart diepgaand te peilen, maar tevens lieten zij niet na het borgtochtelijk werk van Christus in al zijn rijkdom voor ogen te stellen. Bij het lezen van zulke preken valt de bloedarmoede van veel prediking in onze dagen te meer op. Deze predikers waren tenvolle bezig met de zielen die aan hun hoede waren toevertrouwd. Hun pastorale bewogenheid kom je op elke bladzijde van hun preken tegen. Dan moge elk van hen de accenten weer eens wat anders gelegd hebben, het geheel van hun prediking was toch gestempeld door het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. We zouden willen zeggen: lees deze preken. De uitgever heeft door een groot lettertype ervoor gezorgd dat ze ook gemakkelijk leesbaar zijn voor ouderen, die met kleinere letters wat moeite beginnen te krijgen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

BOEKBESPREKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's