De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

20 minuten leestijd

Naar aanleiding van een boekbespreking
Het boekje van prof. Kuitert, Verstaat gij wat gij leest brengt heel wat pennen in beweging. Enerzijds wordt het geweldig geprezen als hét antwoord voor de gemeente op de vraag naar het Schriftgezag en de Schriftvertolking. Anderzijds zijn er nogal wat critische reacties, met name van verontruste gemeenteleden, die zich bezorgd afvragen: Waar gaan we met deze visie naar toe.
In „Hervormd Amsterdam" van 10 mei heeft dr. C. Graafland zijn visie op Kuitert's boekje geschreven. Graafland acht het een onvruchtbaar en ongeestelijk boekje, dat het geloof van de gemeente niet bouwt, maar ondermijnt. Dat klinkt cru, maar zo schrijft Graafland:
Ik meen, dat het zo is. En ik mag het zo zeggen, omdat ik dan geheel blijf in de stijl van het boekje zelf. Daarin wordt de voorlichting van de gemeente op de wijze van, wat Kuitert noemt, de uitleg van gister chantage genoemd (blz. 33). Dat is nog al wat. Nu ga ik begrijpen, dat er zo geprikkeld tegen dit boekje is geageerd. De verontruste Arntzen heeft de naam om prikkelend de dingen te zeggen en dat wordt hem door velen in de Gereformeerde kerken niét in dank afgenomen. Maar Kuitert kan het ook. En ik vraag me af, of we op deze wijze, ook wat de toon betreft, de zaak dienen.
Wanneer Kuitert als de bedoeling van de Bijbel aangeeft, dat dit Boek gelezen wil worden om de daden en woorden van Jezus te leren kennen en door te geven, acht Graafland dit een te smalle scopus.
Kuitert heeft gelijk, als hij zegt, dat de bijbel gelezen moet worden met de bedoeling, waarmee hij gelezen wil worden. Alleen meen ik, dat het veel te weinig is als hij deze bedoeling omschrijft als het verstaan en het verder vertellen van de woorden en daden van Jezus. Dit is wel een centraal gegeven, maar de heilsopenbaring van God is veel meer omvattend. Het gaat om de daden van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en daarom gaat het om de mens en om Gods geschiedenis met de mens en de wereld in schepping, schuld en verzoening, en verlossing.
Maar wat vooral mijn tegenspraak oproept is, dat deze bedoeling als sleutel tot het verstaan van de Schrift door Kuitert wordt gehanteerd als een criterium, dat hem de vrijheid geeft om in de Schrift te schiften tussen wat historisch is of niet. Het komt er dan op neer, dat we alleen hoeven af te gaan op wat de bijbelschrijver bedoelt te zeggen, terwijl de vorm waarin hij het zegt kan beoordeeld worden met onze maatstaven, die wij mede ontlenen aan wat de moderne wetenschap aan gegevens ons biedt. Zo hoeven wij het scheppingsverhaal etc. niet meer te aanvaarden zoals het er staat. Het gaat slechts om: wat bedoelt de bijbelschrijver ermee te zeggen. Want de gegevens van de wetenschap beletten het ons dit verhaal letterlijk te nemen.
Maar als dat zo is, blijft de vraag dringen: waarom ditzelfde dan niet toegepast bij de opstandingsverhalen van Christus. Dat is toch ook in strijd met de gegevens van de wetenschap. En waarom dan hier niet gevraagd naar de bedoeling van de schrijvers, die dan daarop neerkomen, dat Christus in het leven van zijn volgelingen is blijven voortbestaan.
Natuurlijk doet Kuitert een poging om deze consequentie te doorbreken. Maar dit mislukt. Daarom is een theoloog als Bultmann wat dat betreft eerlijker. Als je op het één de regel toepast van: wat bedoelt hij te zeggen, dan ook op het ander. En daarom zie ik Kuitert c.s. momenteel op een tussenstation even halt houden. Maar het spoor, dat hij volgt, gaat verder.
Dat is een zeer belangrijk punt. De bedoeling van de Schrift wordt critisch principe. En dat is in wezen hetzelfde als wanneer Duitse theologen als Kasemann en Marxen uitgaan van een canon in de canon. Alleen wat van Christus spreekt, van het heil in Hem, heeft geldigheid. De rest is tijdgebonden voorstelling, die ons niets te zeggen heeft. Terecht wijst Graafland aan dat men zich op deze wijze op een weg bevindt, die steeds verder van het Schriftgeloof afvoert.

De betekenis van de Heilige Geest
Graafland neemt het Kuitert ook kwalijk dat hij zo ongenuanceerd en oncritisch de uitleg van vandaag stelt boven de uitleg van gisteren. Hij bespeurt hierin een oppervlakkig vooruitgangsgeloof. Hebben Augustinus of Luther de bedoeling van de Schrift minder goed verstaan dan moderne exegeten?
En hoe zit het met de betekenis van het werk van de Heilige Geest in dit opzicht? Leidt de Geest dan niet in alle waarheid?
Inderdaad. En als Kuitert daarover gaat spreken, lezen wij gespannen. Maar wat viel dat tegen. Want het komt er bij hem op neer, dat wij mensen alle middelen moeten aangrijpen, waaronder die van de wetenschap een zeer belangrijke is, om de bijbel te gaan verklaren. En dan moeten wij geloven, dat de Heilige Geest ons daarbij geleid heeft.
Het woordje „geloven" heeft hier niet de betekenis van een werkelijkheidservaring, waarbij de Geest ons verlicht en onze ogen opent voor het heil van Gods openbaring in Jezus Christus, maar het heeft de betekenis van een conclusie achteraf, of van een hypothese vooraf. Wij gaan er gewoon vanuit. Maar wat werkelijk helpt is o.a. de wetenschap. Daar doen wij wat mee.
Hier blijft van de verlichting door de Heilige Geest niets meer over. En dat komt, en daarmee raak ik de achtergrond van Kuiterts denken, omdat Kuitert zoveel fiducie heeft in de mens, en dan niet zozeer de gelovende, maar gewoon de mens, dat hij fungeert als een mede-instantie van de Geest. Hier ontstaat een coöperatie tussen de Geest en de mens, die daarop neerkomt, dat de Geest accepteert, wat de mens in het verklaren van de bijbel gepresteerd heeft.

De wijsheid van de Geest
En dat betekent dat Kuitert onderschat de werking van de zonde in het benaderen van de Schrift als openbaringsgetuigenis van God. Paulus zegt in 1 Cor 2, dat het bij de wijsheid van de Geest om een wezenlijk andere zaak gaat dan bij de wijsheid van de toenmalige wetenschap (filosofie-Grieken en theologie-Joden). „Want de ongeestelijke mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is". (1 Cor. 2:14). En daar zal het dan ook wel aan liggen, dat een ongeleerde gelovige soms veel dieper de Schrift verstaat dan een geleerd theoloog. Het werk van de Geest is waarachtig iets anders dan wat de mens in zijn eigen verantwoordelijkheid met eigen middelen heeft verstaan van de Schrift. De Geest wederbaart de mens totaal, ook zijn inzicht en verstaan van de Schrift.

Zo bezien is er toch echt wel iets meer aan de hand dan dat in plaats van de uitleg van gister de uitleg van vandaag wordt gesteld. Het gaat om een wezenlijk andere benadering van de Schrift, het gaat om een ander Schriftgeloof. En dat wordt aangevoeld, vaak meer intuïtief dan beredeneerd.
We achten dit een waardevolle bespreking, waarin terecht op critische wijze ingegaan wordt op het boekje van Kuitert. Met name wat Graafland schrijft over het werk van de Geest, over de oncritische kijk van Kuitert op de wetenschap, over de mens als mede-instantie van de Geest betekent een fundamentele kritiek.
Overigens is niet ieder het hier mee eens. In het Amsterdamse kerkblad van 24 mei giet dr. Buskes fiolen van toorn uit over het hoofd van dr. Graafland. Het valt me wel meer op dat Buskes nogal geprikkeld reageert zodra er mensen zijn die Berkouwer of Kuitert aanvallen. Ik denk b.v. aan uitlatingen over dr. Arntzen en dr. Schelhaas in de rubriek Terzijde in „In de Waagschaal" van een aantal maanden geleden. Dat verheldert m.i. de discussie niet, als men bij voorbaat bepaalde gesprekspartners buiten spel zet door het hen kwalijk te nemen dat zij een bepaalde koers (i.c de koers van Berkouwer en Kuitert) afremmen of bestrijden. Buskes heeft veel kritiek op Graafland's bespreking. Hij meent dat Graafland Kuitert zelf niet aan het woord heeft gelaten en dat hij een vertekend beeld geeft van wat Kuitert bedoelt.
Onder meer schrijft hij:
Waaraan ontleent Graafland het recht om te zeggen, dat wie het verhaal van Genesis 1 vanwege de gegevens van de wetenschap niet letterlijk neemt, hetzelfde kan doen met het opstandingsverhaal? Dat is een even rechtlijnige en intellectualistische redenering als die van alle fundamentalisten: als de slang niet gesproken heeft en de twee bomen geen zintuigelijk waarneembare bomen zijn geweest, dan kan men ook de opstanding als niet gebeurd laten vallen. Deze redenering wijs ik af. De wetenschap kan ons veel zeggen over de wording van de wereld maar niets over de schepping (liever: over God als schepper). Evolutie is een wetenschappelijk begrip. Schepping is een geloofscategorie. Zo kan de wetenschap ons ook niets zeggen over de opstanding, niets voor en niets tegen. De wetenschap beweegt zich binnen de door ons waarneembare wereld, van welke wij in het geloof belijden, dat zij door God geschapen is en in stand gehouden wordt. Schepping en opstanding kunnen niet door wetenschappelijke gegevens worden aangetast. Wat wel kan worden aangetast is een bepaalde uitleg van Genesis 1, waarin bepaalde opvattingen over de wording der wereld met het gezag van Genesis 1 gedekt worden.
Daarom vind ik het niet aardig, maar eigenaardig en lelijk, dat Graafland zegt, dat Bultmann wat de opstanding betreft „eerlijker" is dan Kuitert. Hij weet het heel goed, welke suggestie er van het woord eerlijk in dit verband op de gemeente uitgaat. Maar heel zijn redeneren vanuit de problematiek van de uitleg van Genesis 1 in de richting van het evangelie der opstanding is voor mij, evenals stellig voor Kuitert, fout. Kuitert gaat terecht met, heel de christelijke kerk uit van het hart van de bijbel: de zelfopenbaring van God in Jezus Christus, die gestorven en opgestaan is. Dat is — dit ter zijde — trouwens in overeenstemming met de Heidelberger, die, sprekende over schepping en voorzienigheid, getuigt van de Vader van onze Heer Jezus Christus.
Nog erger vind ik wat Graafland schrijft over Kuitert en de wetenschap. Alsof Kuitert ergens beweert, dat onze uitleg van vandaag „beter" is dan de uitleg van gisteren. Graafland's uitspraak: „Ik weet niet, wie ons dieper het geheim van de Schrift doet verstaan: Augustinus, Luther, Calvijn, Pascal of de modern kritisch-filosofisch geschoolde exegeet", is een uitvlucht. Met zo'n opmerking vlucht Graafland weg van de problemen, welke ons van Godswege in onze tijd gesteld worden. Als het waar is, dat Gods Geest ons in alle waarheid leiden zal, is zo'n opmerking ook misleidend. Karl Barth, die kritisch-filologisch geschoold was, is zijn leven lang met bijbelexegese bezig geweest. Heeft Graafland gelijk, dan had Barth het beter kunnen laten en zullen wij goed doen op te houden met het bedrijven van exegese. Wij kunnen immers volstaan met Augustinus, Luther, Calvijn en Pascal. Kuitert wil dat niet en dat niet, zoals Graafland suggereert, vanwege „een vooruitgangsgeloof, dat hem onbegrijpelijk optimistisch en oppervlakkig de huidige ontwikkeling doet aanvaarden", maar omdat hij gelooft in de levende God, die met ons op weg is en wil, dat wij in onze tijd en onze wereld het geheim van de Schrift zullen leren kennen, zoals de door Graafland genoemden het in hun tijd en hun wereld deden. Daarom vind ik het toch eigenlijk schandelijk, dat Graafland durft te beweren, dat Kuitert alle middelen aangrijpt (waaronder dan de wetenschap een belangrijk middel is) om de bijbel te verklaren en dan achteraf gelooft, dat de Heilige Geest hem geleid heeft: „Hier blijft van de verlichting door de Heilige Geest niets meer over". Dat gaat dan maar zo door: „Kuitert heeft zoveel fiducie in de mens en dan niet zozeer de gelovende, maar gewoon de mens, dat hij fungeert als een medeïnstantie van de Geest, een coöperatie, die daarop neerkomt, dat de Geest accepteert wat de mens in het verklaren van de bijbel gepresteerd heeft". Ik verzoek Graafland dringend, op welke uitspraak van Kuitert hij het aandurft deze zwaar geladen beschuldiging uit te spreken, op grond ook waarvan hij zegt, dat Kuitert „de werking der zonde in het benaderen van de Schrift als openbaringsgetuigenis onderschat". Ik kan met citaten laten zien, dat deze beschuldigingen kant noch wal raken.

Te grof geschut?
Ook gaat Buskes in op Graafland's uitlating dat een ongeleerd gelovige soms veel dieper de Schrift verstaat dan een geleerd theoloog. Hij acht dit een onjuist dilemma en een onzindelijke opmerking.
Vraag niet, hoeveel ongeleerde gelovigen heel hoogmoedige christenen zijn, die, als geleerde theologen, geleid door de Geest en gebruik makende van alle middelen (ook de wetenschap), ons nieuw inzicht in en over het bijbels getuigenis geven, dadelijk alarm slaan en op de wijze van Graafland over ondermijning van het geloof der gemeente spreken. In mijn preken heb ik, net als de geleerde De Hartog, wel eens gezegd, dat een eenvoudig gelovig moedertje het geheim van de bijbel soms beter verstaat dan de meest geleerde theoloog, maar als het gaat om de problemen, die Kuitert aan de orde stelt, liever nog: die door God in onze tijd aan de orde gesteld worden, vind ik het maken van zo'n opmerking onzindelijk. Maar ze doet het wel. Ik ken dat en ik hoor alle mogelijke ongeleerde gelovigen al dankbaar mompelen: „Goddank nog een enkele dominee, die de bijbel gelooft van kaft tot kaft". Dat succes is mij te goedkoop — succes en zegen zijn geen synoniemen — vooral als dan nog tenslotte door Graafland gezegd wordt: „Het gaat om een ander Schriftgeloof en dat wordt aangevoeld, vaak meer intuïtief dan beredeneerd".
Heeft Graafland met zijn artikel gelijk, dan zijn in onze Hervormde Kerk in Amsterdam negen op de tien dominees even ongeestelijk als Kuitert en behoren die negen op de tien tot de dominees, die het geloof van de gemeente niet bouwen maar ondermijnen, en wordt het hoog tijd, dat Graafland daar wat aan doet.
Maakt Graafland ernst met wat hij zegt, dan zal hij moeten erkennen, dat de Synode van Assen in 1926 gelijk heeft gehad, toen ze dr. Geelkerken afzette, al deed ze dat volgens hem op intellectualistische wijze, en dat de laatste Synode, die Assen ongedaan maakte, een heel gevaarlijke beslissing heeft genomen. Ontkent hij dat, dan vraag ik hem in alle ernst, of de Synode van Assen in wezen niet dezelfde bezwaren tegen dr. Geelkerken had als hij tegen professor Kuitert heeft.
Graafland beseft niet, dat hij bezig is in de gemeente wantrouwen te zaaien tegen theologen, die op ernstige wijze bezig zijn met de problemen van de Schrift, de Schriftbeschouwing, het historisch-kritisch onderzoek van de Schrift en de betekenis van verschillende wetenschappen voor de exegese van de Schrift. Hij mag zijn bezwaren tegen Kuitert hebben. Die heb ik ook. Maar laat hij niet dadelijk werken met dat zware geschut van „ongeestelijk", „ondermijning van het geloof der gemeente" en „een ander Schriftgeloof". Wanneer we zo met elkaar omgaan, komen we weer terecht in die afschuwelijke sfeer van wantrouwen en ketterjagerij, die ik in de loop der jaren als een ontzetting heb leren kennen en voor heel mijn leven heb leren verfoeien, omdat zij het leven van de gemeente verontreinigt en kapot maakt.

Moet het dan zo?
In ditzelfde nummer geeft Graafland antwoord op de nogal felle kritiek van Buskes. Het is een lang artikel, te lang om hier in zijn geheel over te nemen. Onder meer wijst Graafland de beschuldiging van de hand dat hij Kuitert geen recht gedaan zou hebben. Kan men verlangen dat iemand in een boekbespreking van beperkte omvang gaat citeren?
Uitvoerig gaat hij in op wat Buskes schrijft over Genesis 1 en de opstanding:
Die twee met elkaar te verbinden in die zin, dat wie Genesis 1 laat vallen zoals het er staat in principe ook het opstandingsverhaal en -feit zoals het er staat niet kan handhaven, noemt Buskes rechtlijnig, intellectualistisch. En dan weet ik gelijk, dat ik met „alle fundamentalisten" op één hoop geworpen ben. Buskes wijst deze redenering af. Dat is bekend. Maar dan het merkwardige: we zouden dan verwachten, dat hij de wetenschap laat uitmaken wat er in Genesis 1 letterlijk-historisch had moeten staan, wilde het exact juist geweest zijn. Maar dan maakt Buskes juist ook een absolute scheiding tussen schepping en wat de wetenschap leert. „Evolutie is een wetenschappelijk begrip. Schepping is een geloofscategorie. Zo kan de wetenschap ons ook niets zeggen over de opstanding, niets voor en niet tegen". Enz. Laat ik dit nu allemaal met Buskes van harte eens zijn. Maar ik kom dan voor het feit te staan, dat Gen. 1 ook over de wording van de wereld vertelt, en dat zij die wording van de wereld verkondigt als schepping van God. „Toen sprak God" . . . En het gebeurde.
Hoe moet ik dan exegetiseren? En wat houd ik van de inhoud van de schepping over, als datgene wat er geschapen is zoals Gen. 1 het zegt door de wetenschap wordt weerlegd. Welke inhoud houdt dan het scheppend handelen van God over?
Ik wil wel zeggen, dat ik dan niet tot deze conclusie kom: „Zo is het in onze tijd een onmogelijkheid geworden om in het licht van allerlei gegevens die van wetenschappelijk onderzoek afkomstig zijn vast te houden aan wat men dan een letterlijkhistorische uitleg van de eerste hoofdstukken van Genesis noemt" (Kuitert, blz. 76). Volgens Kuitert dienen deze hoofdstukken als leermodel. En dat geloof ik niet. Buskes wel? Maar wat voor mij hier het belangrijkste is, is dat bij Kuitert de gegevens van de wetenschap uitmaken wat Genesis 1 inhoudelijk als schepping van mens en wereld had moeten zeggen, indien zij op juiste wijze erover gesproken had. En dan zeg ik: waarom moeten hier wel de gegevens de doorslag geven, terwijl het bij de opstanding van Christus niet zo is. Want dan kan iemand als Bultmann ook op grond van de gegevens van de godsdienstwetenschap aanwij­zen, dat de opstandingsverhalen in de hellenistische wereld legio waren, en dat de bijbelse opstandingsverhalen daar goed in passen. Maeir dan zegt Kuitert: „Maar dat verhaal vertelt ons dan ook van een zo uniek gebeuren als onze wereld tot nu toe maar één keer heeft meegemaakt. Hoe zouden wij ooit instrumenten hebben om deze unieke gebeurtenis te registreren? ", (blz. 78). Mag ik dan vragen: waarom laat hier ineens de wetenschap verstek gaan? Is de schepping, inhoudelijk, dan niet uniek geweest, en de maagdelijke geboorte en de hemelvaart? Ben ik dan een fundamentalist, omdat ik deze lijn trek? Het zij zo. Maar voorlopig houd ik het er op.
En als Buskes mij dan het woord „oneerlijk" in dit verband verwijt, dan neem ik dit onmiddellijk terug, als daar de suggestie in zou liggen, dat de gemeente zou denken: prof. Kuitert bedriegt ons bewust (Bedoelt Buskes dat?). Maar ik dacht, dat de volgende zin het woord „oneerlijk" duidelijk maakt. Kuitert staat op een spoor, waarvan Bultmann zelf zegt: als je het ene stelt, dan ook het andere En hierin ben ik het met hem eens. Hoewel ik uiteraard hoop, dat Kuitert nooit zover komt. Wat dat betreft meen ik, dat zijn theologie vol zit met gelukkige inconsequenties.
Graafland wijst erop dat volgens de opvatting van Kuitert ook Barth en Buskes behoren bij de uitleggers van gisteren. Ook Barth krijgt van alle kanten het verwijt te horen dat hij voor de problemen is weggevlucht. En Buskes wordt door Kuitert een oerdegelijke orthodoxe gereformeerde dominee genoemd.

Waar gaat het om.
Ook de kwestie van het verstaan door de eenvoudige gelovige en de bijbelwetenschap wordt door Graafland opnieuw aan de orde gesteld. Hij acht Buskes' opmerkingen in dit opzicht nogal insinuerend.
Maar als hij dan „alle mogelijke ongeleerde gelovigen" laat opdraven, die dankbaar mompelen: „Goddank . . . enz. Dan vraag ik: welk recht heeft Buskes om deze insinuatie te geven? Mag ik dan eens het woord „schandelijk" in de mond nemen? Buskes kan mijn geschiedenis nagaan, of ik in de kring waartoe ik behoor ooit erop uit geweest ben om zo mensen op mijn hand te krijgen. En daarom heeft Buskes geen enkele reden om dit te schrijven. En kan ik er slechts dit op antwoorden: zo de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Maar gelijk neem ik dit weer terug, want ik heb het hart niet om dit van Buskes te veronderstellen. Daar heb ik hem te hoog voor. Maar het uit zijn mond te horen ten opzichte van mij, daar kan ik geen woorden voor vinden.
En wat mijn collega's betreft: mag ik dan nog één keer citeren? Ik heb geen van mijn collega's hier nog horen preken, dan alleen Miskotte nu en Buskes vroeger, en dat vond ik machtig. Ik kan dus niet over iemand oordelen. Maar het enige wat ik van ze weet, weet ik uit de mond van Buskes, bij mijn komst naar Amsterdam. En dan citeer ik voor de laatste keer: „Het horizontale komt wel eens te veel aan bod, het verticale te weinig. En er zijn er, die te weinig verstaan, dat onze medemenselijkheid een veel te zwakke basis is om er voor de zaak van God huizen op te bouwen. Er zijn er nl. die ons suggereren, dat de vraag naar je zaligheid niet zo belangrijk is, en weinig besef hebben, dat het eens-voor-altijd van Christus' verzoeningswerk het beslissende is. Ze preken meer over wat Christus ons vóór heeft gedaan, dan over wat Hij voor ons heeft gedaan en nog altijd doet. Daarom ben ik blij, dat u bij ons gaat behoren"...
En nu zou Buskes mij gaan zeggen, dat ik mijn collega's wel zal willen wippen. Ik denk, stel dat ik het ooit zou van plan zijn, dat ik er een hele toer aan zou hebben. Tien tegen één is altijd nog makkelijker dan één tegen tien.
Maar ik geloof, dat we zo helemaal verkeerd zitten. Het is mij om geen enkele persoon gegaan, maar om een benadering van de Schrift, die ik niet alleen zie als een theologische mening naast andere, en waarover je dan met elkaar kunt praten zonder meer. Maar het gaat erom, dat een hoogleraar aan de Vrije Universiteit zijn gemeente voorlicht op een wijze, waartegen ik ernstige bezwaren heb, omdat ik meen, dat deze voorlichting niet het geloof van de gemeente bouwt. Ik weet, dat dit een ernstige zaak is, maar het is mijn diepe overtuiging, dat het zo is. En de tijd zal het leren, of Buskes gelijk heeft, of ik. Ik hoop van Buskes, als hij dat alleen maar positief waardeert als „een op ernstige wijze bezig zijn met de problemen van de Schrift". Ik vrees, dat op deze wijze de gemeente de Bijbel als het Woord van God gaat verliezen. En die vrees is nog toegenomen, sinds ik het interview met prof. Kuitert en Mulder in „De spiegel" gelezen heb. En zou ik dat niet mogen zeggen, als ik dit zo meen? Dit is geen wantrouwen zaaien in de gemeente maar de gemeente waarschuwen tegen gevaren die dreigen. Ik voel mij daartoe verplicht.
Het zijn wat lange citaten geworden. Maar om het belang van de zaak geven we graag deze stukken aan u door. Wie ze in zijn geheel wil lezen, diene de kerkbode van Amsterdam zelf ter hand te nemen. Duidelijk blijkt uit deze discussie hoezeer de vragen rondom het gezag van de Schrift en het verstaan van de Schrift ingrijpen in het leven der kerk. Hoezeer hier ook beslissingen vallen van verstrekkende draagwijdte. Want het gaat maar niet om een vrijblijvende discussie, maar om de bewaring van de gemeente bij het Woord van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's