De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

11 minuten leestijd

Gelijk het nu God beliefd heeft, dit Zijn werk der genade door de prediking des Evangelies in ons te beginnen, alzo bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan, mitsgaders door vermaningen, bedreigingen, beloften en het gebruik der Sacramenten.

Hoofdstuk V — Artikel XIV

God begint het goede werk.
In Filippenzen 1 : 6 schrijft de apostel: Vertrouwende ditzelve, dat Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus". Ons artikel gaat van dit begin uit en beschrijft tevens, dat God dit goede werk middelijk werkt.
Alle heil en zaligheid vloeit dus de gevallen mens toe uit de genade als deugd Gods. Uit de gevallen mens komt de zaligheid niet. Hij vraagt er niet eens om. Als de Heere op de mens zou wachten, zonder in hem te werken, kwam niemand tot de zaligheid. „Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt" (Rom. 3:11). Toch gebeurt het, dat in bepaalde gevallen zondaren het werk der genade begint. God komt uit eigener beweging tot die en die mens. Van deze begenadigden zegt Paulus: Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen". (Fil. 2 : 13). Hij schrijft ook: Niet dat wij van onszelve bekwaam zijn iets te denken als uit onszelf; maar onze bekwaamheid is uit God". (2 Cor. 3:5). God werkt het begin door de prediking, zegt ons artikel, door de prediking van het Evangelie. Ik zou er aan toe willen voegen, dat het allereerste begin iets te maken heeft met de prediking van de Wet. Sommigen onzer zullen zich de dag herinneren, waarop zij onder de prediking gegrepen werden, bij de uitlegging van Gods gebod, door de eis van 's Heeren wet. Dit overtuigd worden van de zwaarte van onze schuld is nodig. In zijn commentaar op Joh. 16 : 10 schrijft Calvijn: Inzonderheid moeten wij dan weten, aangaande de gelovigen, dat zij geen vrucht uit het evangelie scheppen kunnen, tenzij dat zij verootmoedigd worden, hetwelk niet geschieden kan, tenzij dat men de zonden kenne".
„Het is wel waar, dat het eigen ambt der Wet is de consciëntie voor Gods oordeel te dagvaarden, en met verschrikking te wonden, maar nochtans kan het Evangelie niet bekwamelijk gepredikt worden, of het moet ons van de zonde tot de gerechtigheid en van de dood tot het leven leiden". Daarom — dit is de bedoeling — moet de gevallen mens eerst met zijn zonde bekend gemaakt zijn en van zijn doodstaat onderwezen. Deze overtuiging van zonde komt niet uit het evangelie, volgens Calvijn. Integendeel, hij vervolgt: Daarom is het nodig, dat het Evangelie dit eerste deel, waarvan Christus gesproken heeft (nl. de overtuiging van zonde) aan de Wet ontlene". Het is zoals Calvijn in Inst. II, 7, 7 schrijft: Zo is de Wet een spiegel, waarin wij onze onmacht en verder uit deze onze ongerechtigheid en tenslotte uit beide onze vervloeking aanschouwen; evenals een spiegel ons de vlekken van ons gelaat doet zien. Want hij, wie het vermogen ontbreekt tot het navolgen der gerechtigheid, moet wel in het slijk der zonde vast blijven steken. En op de zonde volgt terstond de vervloeking. Daarom, op hoe groter overtreding de wet iemand betrapt en hem daarvan overtuigt aan des te zwaarder oordeel maakt ze hem tegelijkertijd schuldig. Hierop slaat het woord van de apostel Paulus (Rom. 3 : 20), dat door de wet de kennis der zonde is. Want hij bedoelt daar alleen de eerste taak der wet, die zij ten uitvoer brengt, in nog niet wedergeboren zondaars". De tweede taak der wet is dan, dat zij als een teugel werkt. Wat is het doel van die eerste taak? Calvijn omschrijft dat doel in Institutie II, 7, 8 aldus: Opdat ze, na de dwaze mening omtrent hun eigen kracht te hebben laten varen, zouden inzien, dat zij alleen door Gods hand staan en staande blijven, opdat zij naakt en ledig tot zijn barmhartigheid zouden vluchten, op haar geheel steunen, in haar zich geheel verbergen en haar alleen voor hun gerechtigheid en verdiensten zouden aangrijpen, welke in Christus voor allen ter beschikking is, die haar met een waar geloof begeren en verwachten. Want God verschijnt in de geboden der wet als een beloner slechts van de volmaakte gerechtigheid, waarvan wij allen verstoken zijn, maar daarentegen als een gestreng rechter der misdaden. In Christus echter schittert zijn aangezicht vol van genade en zachtmoedigheid, ook voor ellendige en onwaardige zondaren".
Ook bij Augustinus gaat altijd de wet voorop. Hij schreef: „De wet gebiedt, opdat wij, na gepoogd te hebben de bevelen te volbrengen en in onze zwakheid onder de wet afgetobd te zijn, de hulp der genade zouden weten in te roepen". Voor ieder is het duidelijk, dat het geen uitvinding van de 19e of 18e eeuw is, dat er eerst een bevindelijke kennis onzer onbekwaamheid en verlorenheid moet zijn, willen we het stuk der verlossing door het geloof kunnen leren. De oude kerk en haar grootste vertegenwoordigers, de kerk der reformatie, de eeuwen der nadere reformatie, Gods volk uit de 19e en 20ste eeuw stemmen hierin met elkaar overeen. Augustinus schreef: „Het nut der wet is daarin gelegen, dat ze de mens overtuigt van zijn zwakheid en aandrijft om het medicijn der genade, dat in Christus is, te vragen". En ook: „God beveelt wat wij niet kunnen, opdat wij zouden weten, wat wij van Hem moeten vragen". En dan ook nog: „De wet is hiertoe gegeven, opdat zij u van groot klein zou maken, opdat zij zou aantonen, dat gij van uzelf geen krachten hebt tot gerechtigheid, en zo arm, onwaardig en behoeftig, uw toevlucht zoudt nemen tot de genade".
Men denke echter niet, dat de wet ieder klein maakt. Velen horen haar en verharden. De wet is een middel. Het is God, God de Heilige Geest, Die overtuigt van zonde. Maar dan weer met gebruikmaking van het daartoe verordineerde middel nl. de prediking der wet. Het is er artikel 14 bijzonder om te doen de nadruk er op te leggen, dat wij de middelen moeten gebruiken, omdat God, middellijk werkt. De reformatorische prediking, Dordt, de nadere reformatie en haar prediking kan men niet beschuldigen van

Mysticisme.
In deze richting op godsdienstig gebied, betekenen de middelen immers heel weinig. De vraag, die hier aan de orde komt, luidt of Christus bij de mededeling van deze zijn weldaden al dan niet van middelen zich bedient. De mystici zijn allen geneigd, om deze vraag in ontkennende zin te beantwoorden. Hoe ziet eigenlijk de mystiek de weg der genade? Ons artikel zegt dat God werkt. Dat zeggen de mystieken ook. Maar ons artikel zegt, dat God werkt door Woord en Sacramenten, dat deze middelen onmisbaar zijn. Dat zeggen de mystieken niet. Ik ga er even op in, omdat sommigen als hun mening uitspreken, dat het mysticisme — in dit verband hetzelfde als een verkeerde heidense mystiek — leeft in de nadere reformatie van de 18e eeuw. Een man als Theodorus van der Groe zou dan een man van het mysticisme zijn. Van dit mysticisme schrijft men dan, dat het een soort pantheïsme is. Dit laatste verklaart men als een richting, die de mens in God doet opgaan. Daar zou dan ook niets meer in de mens overblijven, dat verantwoordelijk is voor zonde en schuld. Daarom tiert in de kringen van het mysticisme het antinomianisme welig en worden de vleselijke zonden eerder vergoeilijkt dan bestraft. Zo zeggen sommige vurige bestrijders van de bevindelijke richting. Ik geloof toch, dat zij veel te ver gaan. Van der Groe en de predikanten der nadere reformatie uit de 18e eeuw of uit andere eeuwen waren geen antinomianen en leerden niet een opgaan in God, zodat er van de mens niets overblijft. Wel wisten zij van een verenigd zijn met God, waarin zij op de hoogtijdagen van het genadeleven een grote zaligheid vonden. Doch God bleef bij hen God en de wedergeboren mens bleef mens, die door het geloof alleen kon leven. Wilhelmus a Brakel heeft in deel I van zijn Redelijke Godsdienst „een waarschuwende bestiering tegen de Piëtisten, Quiëtisten en dergelijke afdwalenden tot een natuurlijken en geestelozen godsdienst, onder de gedaante van Geestelijkheid". Brakel meent dus dat die piëtisten en zo, hoe schoon hun godsdienstigheid zich voordeed, niet meer voorstelden dan wat 's mensen geest, zonder Gods Geest, voortbrengt. Dat woord „Piëtisten" verdient in dit verband wel enige toelichting. In Duitsland heten de vromen uit de 17e eeuw Piëtisten en in Nederland noemt deze en gene de bevindelijke calvinisten zo. Doch Brakel bedoelt deze niet. Hij geeft een nadere toelichting. „Door weinige jaren is er onder de Luthersen in Duitsland een grote beweging tot godsdienstigheid ontstaan; (Br. schreef op het eind van de 17e eeuw) sommigen, geloven wij, in waarheid, maar de meesten in schijn, welke schijngodsdienstigheid ook overgeslagen is tot de gereformeerden in sommige plaatsen. De wereldse mensen ziende dat velen zich tot een godzalig leven begaven, noemden deze Piëtisten, menende hen te smaden, maar inderdaad veroordeelden zij daarmee zichzelf, dat zij goddeloos waren, en zetten een kroon op het hoofd der ware godzaligen, die zij meenden te smaden, want een Piëtist is een godzalige, te zeggen". Brakel bedoelt dus niet de volgelingen van Spener of Franke e.a. Deze noemt hij ware godzaligen, al is hij het niet in alles het hen eens, zodat hij betuigt: „De Heere zegene hen, en geve hun meerdere verlichting om de Lutherse dwalingen te zien, en zich daarvan af te wenden". Wie bedoelt Brakel dan? Hij noemt hen Mystieken, Quiëtisten, Dwaalgeesten, Geestdrijvers, David-Joristen, Böhmisten, Kwakers en al zulk soort van mensen. Deze waren er in de 17e eeuw in Duitsland ook genoeg. Aangaande de Molinisten en Quiëtisten geeft Brakel de volgende vergelijking tussen mystieken en gelovigen. „Het onderscheid tussen de verloochening van zichzelf, liefde, beschouwing van God enz. der mystieken en der ware godzaligen, bestaat hierin, dat de mystieken alles bevatten, zeggen en doen door het natuurlijk verstand, door fantasie en verbeelding, zonder Geest en zonder gebruik te maken van de Heere Jezus, als het rantsoen en gerechtigheid, tot rechtvaardigmaking en vrede, tot toenadering door Hem, als de enige weg tot God en tot ware zuivere heiligmaking; die weg en werkzaamheid is voor hen verborgen. Maar de ware godzaligen, wedergeborenen, gelovigen leven door geloof en niet door aanschouwen, maken in alles gebruik van de Heere Jezus, naderen door Hem tot de Vader, gewennen zich om God te aanschouwen in 't aangezicht van Jezus Christus, om God in al hun doen te vertegenwoordigen en voor Gods aangezicht te wandelen in ootmoedigheid, liefde, vreze en gehoorzaamheid. Dit zijn de gebaande wegen. Hieruit ziet ge, dat mystieken en ware godzaligen verschillen als verbeelding en waarheid, als natuurlijk en zonder (H.) Geest of door de Heilige Geest geleid wordende, als aards en hemels, als een onbekende God te zoeken en de ware God te dienen, als zonder en tegen de Heilige Schrift te werken en te treden in de dingen die men niet gezien heeft, of te leven naar het beschreven Woord Gods; een ware godzalige houdt zich laag en dient God in Geest en waarheid, en dus wordt hij bewaard voor de verleiding van versierde hoge inbeeldingen". Wat de reformatie en de mannen der nadere reformatie bedoelden was dus in tegenstelling met het mysticisme. In het laatste was een opgetrokken worden in God buiten de Heilige Schrift om. Onze mannen wilden leven naar het beschreven Woord. Toch is het goed, dat dit laatste telkens weer benadrukt wordt. Als er zich in onze gemeenten waar geestelijk leven openbaart, staat dat leven bloot aan allerlei ziekten. Men hoeft geen voorstander van lichamelijke ziekten te zijn en men behoeft gezonde mensen niet voor ziek uit te maken, als men er van overtuigd is, dat ziekten het lichaam belagen. Zo belagen zij ook gezond geestelijk leven en bij enkelen — als er diep en hoog geestelijk leven is, is er gevaar voor een mysticistische trek. Zo is er ook gevaar voor antinomianisme, voor opgaan in hoge ondervindingen, voor het zoeken van zijn grond in zijn ervaringen meer dan in Christus.
Predikanten hebben ook tot taak het waardevolle van het waardeloze te onderscheiden. Daarvoor is een grote kennis van het geestelijk leven vereist door veel lezen en onderricht van goede ouderlingen en andere kinderen Gods. Het is natuurlijk niet de bedoeling, dat men het geestelijk leven doodspuit. Dan zijn de verkoudheden en zo wel weg, doch dan is alles weg en houdt men een natuurlijke godsdienst over. Doch dan zit men juist in de mystieken en in de hoge verzekerdheden en inbeeldingen. Wij moeten eerst door de Wet verbroken en verslagen worden en in het woord des evangelies de rust vinden voor onze verslagen zielen. Dan hebben wij geen inbeelding, doch waarheid in het binnenste.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's