UIT DE PERS
De huidige situatie van de kerk in Congo
Het zendingstijdschrift „De Heerbaan" geeft regelmatig themanummers, gewijd aan een bepaald onderdeel van de zendingswetenschap, of gericht op een bepaald gebied van de wereldkerk. Het derde nummer van de lopende jaargang bevat een serie artikelen over „Kerk en samenleving in Congo".
In het „Woord vooraf" merkt ds. A. de Haan op, dat deze aandacht voor Congo terdege op zijn plaats is. Het land was immers de afgelopen jaren steeds in het nieuws. Namen als Katanga, Tshombe, Lumumba klinken ons bekend in de oren. 20 % van de totale bevolking, ongeveer 21/2 miljoen, is protestant. Het land heeft een universiteit van protestantse signatuur, die zeer nauwe betrekkingen onderhoudt met de VU in Amsterdam.
De eerste Nederlandse docent aan deze Congolese universiteit, de Université Libre du Congo, was de gereformeerde predikant, dr. Y. Feenstra. Als zodanig heeft hij een belangrijke brug gebouwd tussen ULC en VU. Hij schrijft in dit themanummer een artikel over de situatie van de kerk in Congo.
Het beeld van de kerk in dit deel van Afrika is buitengewoon samengesteld en daardoor wat moeilijk in het vizier te krijgen. In Congo hebben zich voor en na 46 verschillende protestantse zendingen gevestigd. Met name de Amerikaanse invloed is sterk, terwijl Baptistische, Mennonitische kerken en de Disciples of Christ een plaats innemen die ver boven hun plaats in de wereldkerk uitgaat.
Deze bonte protestantse kerkelijke wereld ziet zich geplaatst tegenover de veel grotere R.-Katholieke kerk in dit land. Vanouds speelt de tegenstelling rooms-protestants een rol en nog steeds doet deze zich gelden. Overigens is het veranderende klimaat ook hier merkbaar. Er is openheid voor wat van protestantse zijde wordt ondernomen.
Wat betreft de verhouding tussen de verschillende protestantse kerken kan men zeggen, dat het eenheidsbesef aanwezig is, al is de werkelijkheid wel vaak anders. Er is samenwerking op het gebied van de evangelisatie, resulterende in bepaalde campagnes.
Het beeld wat dr. Feenstra tekent van de kerk is bepaald niet triumfalistisch. De prediking is vaak zwak van inhoud, — een gevolg van de gebrekkige opleiding. Het element van de herhaling neemt er een grote plaats in. Vooral blijkt het moeilijk de meer ontwikkelden, de „évolués" vast te houden. Feenstra zoekt de oorzaak van dit laatste mede in het feit, dat in het verleden door de zending een eenzijdig accent gelegd is op het onderwijs, zodat voor vele Congolezen christen worden betekende deel krijgen aan de ontwikkeling en aan de Westerse beschaving. Voor vele ontwikkelden heeft de kerk nu haar dienst verricht en gaat men zich er beleefd van afwenden.
Voorts zijn er de moeilijkheden met de fundamentalistische zendingen, die zeer wantrouwend staan tegenover de officiële kerken. Stamtegenstellingen vertroebelen het kerkelijk leven. Financieel wanbeheer, tot uitgesproken verduistering van toevertrouwde gelden is ook in de kerkelijke sector geen uitzondering. Van een schriftuurlijke tuchtoefening is nauwelijks sprake in deze jonge kerken. Waar tucht wordt uitgeoefend is ze uitgesproken wettisch, om niet te zeggen politioneel.
Gedachten en praktijken die samenhangen met de traditionele voorouderverering handhaven zich hardnekkig en worden meermalen bewust toegelaten.
Een belofte voor de toekomst
Dat alles geeft een vrij somber beeld. Maar het mag toch geen laatste woord zijn. Dr. Feenstra zegt in het slot van zijn artikel:
En toch, — ondanks dit alles blijft staan, dat hier in Congo de Kerk van Christus leeft. Een Kerk, die stand heeft gehouden in een wereld vol veranderingen, vol verwarring en vol ontreddering. Een Kerk, die zich te weinig bewust is van haar roeping in het midden van deze wereld, en die die roeping niet zo doelbewust volgt, als wij, als betrekkelijke toeschouwers het graag zouden zien, wij die zo gemakkelijk vergeten in hoeveel dingen ons eigen kerkelijk leven te kort schiet en zich tot schamens toe bezondigt aan de naam van onze Heiland. Maar een Kerk, die door Gods genade staande is gebleven, toen heel de wereld Congo beschouwde als een opgegeven zaak. En die, dwars tegen alle defaitisme in, niet geschroomd heeft initiatieven te nemen en verantwoordelijkheden te aanvaarden, die haar krachten te boven gingen die ze toch zag als liggend op haar weg. Ik denk hierbij met name aan het initiatief (1963) tot oprichting van de Université Libre du Congo, als een „université d'inspiration protestante", een universiteit die bedoelde de Protestantse bijdrage te vormen, naast het R.K. Lovanium en de staatsuniversiteit van Lumbumbashi, aan de wetenschappelijke ontwikkeling van het land. Zeker moet gezegd, dat een universiteit in stand houden en tot uitbouw brengen nog iets anders is dan haar stichten. En men kan er aan toevoegen, dat degenen die het initiatief namen, maar zeer ten dele hebben beseft, wat ze begonnen. Er moet verder helaas aan worden toegevoegd dat de universiteit, omgezet in een zelfstandige stichting, zeker niet kan bogen op overvloedige financiële steun van de kant der kerken, die voor haar peet stonden. Niettemin blijft het feit van deze stichting getuigen van visie, van vertrouwen in de toekomst en van de begeerte om, als Protestantse christenen eigen bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het volksleven.
Maar niet alleen de onderwijssector is er. Congo is in voorbije jaren door een zee van politieke ellende gegaan. Hoe heeft de Kerk zich daarin gedragen? Hoe heeft ze de revolutie doorstaan? Dr. Feenstra schrijft daarover het volgende:
Maar er is meer. Inzonderheid het Noord-Oosten van Congo is in de jaren 1964 en 1965 geteisterd door de rebellie. Het leven heeft zich in deze streken nog op geen stukken na hersteld. Er zijn zendelingen teruggekeerd, maar andere posten bleven leeg. In het algemeen is trouwens de toestand zo, dat de inheemse Kerk haar eigen weg moet leren gaan, zonder op de zending te steunen. En het is juist in dit opzicht, dat de bemoedigende dingen vallen te melden. De vertegenwoordigers van de Kerk hebben niet alleen ten tijde van rebellie het onverschrokken opgenomen voor hun blanke broeders en zusters van de zending, soms met gevaar van eigen leven, het zijn ook deze zelfde Congolese christenen die, gedurende de periode waarover wij spraken en tot nu toe, het kerkelijk leven hebben gaande gehouden. Wat dit betekent is duidelijk wanneer men een vergelijking maakt met wat in R.K. kring te constateren valt. Daar kan het gebeuren, dat op een bepaalde plaats maar eens in de twee maanden een kerkdienst wordt gehouden, ter gelegenheid van de passage van de Belgische pater, die een heel district moet bedienen en die geen kans ziet om vaker langs te komen, terwijl op dezelfde plaats zondag aan zondag de Protestantse christenen samenkomen onder leiding van de evangelist. Het gebeurt zelfs, dat, aangespoord door dit voorbeeld, ook de R.K. christenen toch maar beginnen samen te komen, om op die manier „ook iets te hebben".
Het is misschien het meest in deze kleine bewijzen van volharding, dat zich de kracht van het kerkelijk leven openbaart. Bij alle gebrek en tekortkoming, in alle zwakheid en kleinheid naar de mens, blijkt er toch iets aan de hand te zijn dat zijn oorsprong van Boven heeft en dat daarom een belofte in zich draagt voor de toekomst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's