Indrukken uit Israël
I.
Toen dr. A. Kuyper in het begin van deze eeuw (in 1905 na de val van het ministerie-Kuyper) zijn grote reis naar de landen rondom de Middellandse Zee maakte, heeft hij geaarzeld, of hij Palestina wel bezoeken zou. Iets van deze aarzeling zal bij ieder bovenkomen, die zich voorbereidt voor een reis naar het land der Vaderen. Zal men niet teleurgesteld terugkomen, zoals men soms na jaren lange afwezigheid zijn geboorteplaats bezoekt, de oude plekjes waar men als kind gespeeld heeft, en och, men vindt er niet wat men zoekt; alles is veranderd, het is een vreemde plaats voor u geworden. — Wie er heengaat voor een soort pelgrimage naar de heilige plaatsen zal menigmaal zijn hoofd schudden. In de Middeleeuwen reeds bezochten velen op deze wijze het heilige land, „door God bemind, door de engelen geprezen, door de mensen vereerd".
In 1217 maakte een zekere Thietmar een „pelgrimage naar de Sinai" „met sinen pelgrimmen". Hij reisde via Akko naar Jeruzalem en via Berseba naar de Sinai. Het was toen wel wat anders dan tegenwoordig. Deze pelgrim wist, dat er vele risico's aan zulk een reis waren verbonden. Als hij in Jerusalem is wil hij verder naar het klooster van de H. Catharina op de Sinai. „Soe beval ic mi altemaal myn siel ende myn lichaem der gracien Gods ende der hulpen der saliger maghet Katherinen. Ende ick wert ontsteken mit also groter begheerten soe dat ie niet en ontsach enighe perikel of misval die mi beieghenen (overkomen) mocht. Want ick uutsettede myn leven (stelde mijn leven bloot) ter doot of der ewigher ghevanghenisse of den vloeden of enighe ander aventuren". De pelgrim stuit op veel vroom bedrog; dit is hier gebeurd en dat daar; men moet allerlei verhalen aanhoren die indien zij controleerbaar zijn in het algemeen legendarisch van aard zijn. De heilige plaatsen zijn opgesierd op een wijze die op een christen een vreemde indruk maakt. De rust en de stilte voor bezinning en meditatie ontbreken maar al te vaak. Niet overal, maar wel in het algemeen op zovele plaatsen, die spreken van de voetstappen des Heren.
Ik ben er vorig jaar aarzelend heengegaan, wilde het land zien, waarvan ik zoveel had gelezen en waarover ik zovele malen heb gesproken. Met grote dankbaarheid denk ik er aan terug en wie de kans krijgt erheen te gaan moet van de gelegenheid gebruik maken en met de Bijbel in de hand dit land doorwandelen. Onvergetelijk is mij het tochtje over de zee van Tiberias van Kapernaum naar Tiberias, of het — herhaalde — bezoek aan de Olijfberg. Ik zat er uren, wilde het gezicht op het oude Jeruzalem vastleggen; wat een woorden van de Schrift gaan daar voor ons leven. Ik denk aan de intocht in Jeruzalem: Als Jezus met zijn discipelen de helling van de Olijfberg naderde begon men luide God te loven. Als dezen zwijgen, zullen de stenen (en er liggen er wat!) spreken. En als Jezus nabij de stad kwam weende hij over haar: Och of gij bekendet, wat tot uw vrede dient!
Israël is een mooi land, in velerlei opzicht en een reis naar Israël een ervaring om nooit te vergeten.
Ik kwam met een volle Boeing 720 van de El Al (in dit woord zit het Hebreeuwse alah: opstijgen, opgaan) van Nairobi op het vliegveld Lod, ongeveer 20 km van Tell-Aviv en een 60 km van Jerusalem. Boven het hoofdgebouw van het vliegveld staat met grote letters een welkom: sjalom, het bijbelse woord voor vrede. Ik zal dat woord in die dagen nog vele malen horen; het is een algemene groet geworden maar met een diepe zin. Lod is het bijbelse Lydda, bekend uit de geschiedenis van Eneas, een verlamde, die acht jaar bedlegerig was. (Hand. 9 : 32). In oude egyptische teksten wordt deze stad al genoemd. Na de ballingschap woonden de Benjaminieten hier. Thans telt Lod meer dan twintig duizend inwoners.
Wij zijn in het land van de Bijbel. Hoeveel bekende namen zien wij hier. Op de bordjes zien we de bekende hebreeuwse letters, die in het ivrith (het moderne hebreeuws) en in het engels de naam van de plaats vertellen of van de straat of vertellen, dat inrijden verboden is. De taal, dat is reeds een wonder. Dat een taal, die reeds eeuwen een dode taal was, reeds uitgestorven, herleefd is, is enig in de geschiedenis.
Toen een eeuw geleden Eliëzer Ben Jehuda naar Palestina ging had hij het vaste plan om alleen Hebreeuws te spreken. Dat moest de taal worden van 't volk der Joden: één volk, één taal. Men hield hem voor een dwaas (mesjugga), maar hij heeft het bereikt: het ivrith is een springlevende taal. De colleges, ook op de technische hogeschool worden in het ivrith gegeven. Dat dit voor vele problemen stelde en nog stelt is geen wonder. Denk maar aan al de technische uitdrukkingen, waarvoor een equivalent in het ivrith moest worden gevonden en ik kan niet ontkennen, dat het aanvankelijk een vreemd gezicht is een woord als thee of ijs in het ivrith te lezen. Men bouwt voort op de grondslagen door pioniers gelegd op het terrein van de taal in de Academie voor Hebreeuwse Taalkunde, maar ook op ander terrein. Wat overal in dit land opvalt is, dat dit volk leeft voor de toekomst; het gaat er om dat komende generaties in vrijheid en in vrede zullen mogen leven. Daarom die offers, die het huidige geslacht wil brengen. Het gaat om de kinderen, weet U, zegt men. Men staat verbaasd wat hier gepresteerd is en dagelijks tot stand gebracht wordt. In weinige maanden worden hele mosjawim (woonoorden) uit de grond gestampt. Het woord van Jesaia 35 : de woestijn en de dorre plaatsen zullen juichen en de wildernis (de steppe) zal bloeien als een roos (een narcis), — en vele malen zullen de Israëli's naar dit woord van de profetie verwijzen — is hier in letterlijke zin in vervulling gegaan. Nog hoor ik een gids trots zeggen: Kijk eens naar rechts, daar is alles groen, want daar wordt gewerkt; kijk naar links, daar is alles dor en dood; daar woont de Arabier. Het is niet altijd en overal waar noch ook altijd en overal billijk, maar het verschil valt wel sterk op.
Israël is het land van het goddelijk geheim. Het is altijd door vijanden omringd geweest en menigmaal heeft de vijand gemeend dit volkje met een armzwaai weg te doen van de aarde, in de zee weg te vegen of door het zwaard te doen omkomen en het is niet geschied. Ik weet wel, dat het gevaar van een nieuw nationalisme verre van denkbeeldig is. Is dit elders bij jonge volken minder aanwezig? Ik reisde alleen, een enkele keer met een groep b.v. naar Galilea. Maar daardoor heeft men veel meer persoonlijke contacten, op de markt te Jaffa, op een bankje buiten de Damascuspoort te Jeruzalem, ergens bij een stalletje in Hebron een lang gesprek met een man die zeer moeizaam wat Engels kon spreken en een Jordaans bankbiljet toonde en wijzende op de beeltenis van koning Hoesein zeide: Good king. Indien ooit dan heeft hier een Nederlander plezier van zijn opleiding, die hem dwingt — dwong — tot uitgebreide talenstudie.
Dat Israël — door vijand omringd — voor een zware taak staat ook na zesdaagse oorlog in juni 1967 is ook voor de toerist wel erg duidelijk. Ik had de bus genomen naar Hebron. Welk een verschil tussen het busstation vlak bij de Damascus-poort — hier is alles arabisch wat de klok slaat — en het centrale busstation bij de Herzl Avenue, het nieuwe Jerusalem, vanwaar de vele, vele bussen overal heen Israël in vertrekken. De oude bus naar Hebron bracht me in vijf kwartier (de afstand is ongeveer 35 km) naar deze zeer oude stad van Abraham en David. In Josua heet het Kirjath-Arba (h. 15 : 34). Num. 13 : 22 vertelt, dat de stad zeven jaar voor Zoan in Egypte gebouwd werd. Ik ben echt een vreemde in de bus. Als ik mijn kaartje heb gekregen is er gauw iemand, die mij waarschuwt, dat ik mijn kaartje moet bewaren, voor controle.
Dat is blijkbaar nodig; op de reis heen werd de bus vier of vijf keer gecontroleerd. In de bus — ik geloof terug — een lang gesprek met iemand, die zeer goed engels spreekt: Hij komt terug van Hebron, klaagt o.a. over de lage prijzen van de produkten en ik kan niet ontkennen, dat de druiven goedkoop zijn: uitstekende druiven koopt men op de markt in Hebron voor 35 cent per kg. Eenzelfde ervaring op een andere dag, als ik de bus naar het Noorden had genomen, naar Nabloes, het oude Sichem. In de bus maakt een jonge man een praatje. Tenslotte: „Wie geeft u nu gelijk? Het is toch ons land? " Voor het jonge geslacht is er zo weinig uitzicht. Grote werkloosheid en alles wat daarmee samenhangt. Daarbij komen de vluchtelingenkampen. Het is een trieste historie wanneer men een vluchtelingenkamp als bij Jericho ziet. Wat moet daarvan terecht komen? De bus stopt ineens; star kijkt de chauffeur voor zich uit als een Israëlisch militair binnenstapt. Ik vroeg aan mijn buurman: Controle op wapens? Ja, dat ook, antwoordt hij. Zonder drukte, niet uit de hoogte doet de Israëliër zijn werk, controleert hier en daar de bagage, vraagt soms een legitimatie. Maar vijandschap in de bus proef je. Ik dacht aan de controle in de dagen van de bezetting van ons land. In Sichem dwaalde ik wat rond, voordat ik met een andere wel erg oude bus naar Sebastije (het oude Samaria) ging. Wat ligt Sichem daar mooi tussen Ebal en Gerizim. Op eens een geschreeuw aan de andere kant van de straat. Ik kijk en ik begrijp; blijkbaar zie ik er niet uit als een vriend van de eigen bevolking van Sichem; ik zie een gebalde vuist en de dreigende uitdrukking van het gezicht vertelt wel, wat hij bedoelt, al versta ik het niet. Ja, wat doe je dan. Voor je kijken? Het weinige Arabisch, dat ik nog weet wordt gevormd door een aantal woorden uit de Koran en één daarvan is: kutiba alaikum al-kitalun —: de strijd is u voorgeschreven. En dat durf ik echt niet te antwoorden op 's-mans gescheld. Daarom maar een groet: salam (hetzelfde woord als het hebr. Sjalom). Dat is een jaar geleden en toen ik in de loop van dit jaar van optochten en sabotage en ontploffingen hoorde verwonderde ik er mij niet al te zeer over. Maar welk een zegen zou het zijn èn voor Jordanië èn voor Israël als een modus vivendi gevon den werd, maar het zit er niet in. „Als men de menselijke hartstochten maar kon uitschakelen", zegt Van Selms (in: De verscheurde Stad). Doch de hele wereldgeschiedenis leert, dat dit nu juist onmogelijk is. Zelf denkt hij aan een Palestijnse federatie met drie hoofdsteden: Tel Aviv, Nabloes en Ammaan.
Op 15 mei 1948 werd de onafhankelijke staat Israël uitgeroepen en weinige uren later vielen Arabische legers het land binnen. Om één ding bekommerden de Arabieren zich niet. De woestijn, die mocht Israël houden. Maar Israël meende: Gods land is goed; mensen hebben het verwaarloosd.
Onderzoekingen hebben bewezen, dat er vroeger water moet zijn geweest in de Negeb (het Zuiderland van de Bijbel); men heeft er resten gevonden van een twee honderd nederzettingen. En er kunnen alleen mensen hebben gewoond als er bronnen waren! Dan moet het ook nu kunnen! Ik denk aan Elat, helemaal in het Zuiden. Hier is een stad uit de grond gestampt. Elk huis is van air-conditioning voorzien, dat moet ook wel, omdat de temperatuur in de zomer oploopt tot 40 graden Celsius, (de temperatuur in aug. — ik was er in aug. — is 26-40°). Ik ging er heen met een vliegtuigje waarin een 40 passagiers; uit Tel Aviv was het met deze Handley Page een uur vliegen. Wat is dit land dan klein en welk een prachtige vergezichten heb je dan: voor een deel aan de ene kant de Middellandse Zee; aan de andere kant de Dode Zee; we vlogen op een hoogte van een drieduizend meter. Later zaten we een uurtje in een boot met een glazen bodem op de golf van Elat. Aqaba zien we aan de andere kant liggen, gebied van Jordanië. Het water is bijzonder helder en door de glazen bodem van de boot is het alsof men naar beneden in een groot aquarium kijkt, magnifieke koraal-bouwsels als een woud en daartussen in de meest vreemde vissen. In een nautisch museum vlakbij ziet men de rijkdom van kleuren in de vele aquaria (zeekreeften, zee anemonen en ik weet al niet meer wat voor soorten zeedieren). De stad wordt ook in het Oude Testament genoemd in een adem met Ezeon Geber. Hoe de verhouding tussen deze twee namen ligt is onzeker. De stad werd door David op de Edomieten veroverd en werd in Salomo's tijd een belangrijke havenplaats voor de Ofirvaarten (2 Sam. 8 : 14; 1 Kon. 9 : 26). Later kwam het weer in de hand van de Edomieten terecht. Nog in de Romeinse en bijzantijnse tijd was het een bloeiende handelsstad. Nu is het verdwenen. Het huidige Elat is in tien jaar tijds een belangrijke haven geworden met een tienduizend inwoners, van grote betekenis ook voor de verdediging van Israël. Toen ik voordat de zon onderging nog wat foto's wilde nemen van de prachtige golf met de daarachter liggende streek van Jordanië, barre, kale rotsen zijn aan beide zijden van de baai, hoorde ik eens: tsoer, atsoer, het hebr. voor: verboden! Hier begint een pijpleiding die olie naar Haifa brengt. Een ontziltingsinstallatie zorgt voor zoet water; op deze wijze wordt 40 % van het voor de stad nodige zoete water verkregen. De rest komt uit natuurlijke bronnen. Ik zag meer dan een pompstation op de weg naar het noorden, toen wij teruggingen richting Beer Seba.
Geen wonder, dat de Israëlies blij zijn met de verovering van de Sinaiwoestijn, waarbij Sherim el Sheik niet langer de gehele golf van Elat (voor de Jordaniërs de golf van Akaba) kon afsluiten en op deze wijze de scheepvaart naar de zee be lemmeren. Ongeveer twintig kilometer noordelijk van Elath liggen de kopermijnen van Salomo; of die nu beslist van Salomo geweest zijn is niet zeker; in de laatste tijd wordt wat Glueck hierover zeide weer betwist. Uitgeput zijn deze mijnen in elk geval niet; men kan hier rustig spreken van de rijkdom van de woestijn. In het boek Deuteronomium 8 : 9 lezen wij van de belofte, dat de Here zijn volk brengen zal in een land „welks stenen ijzer zijn en uit welks bergen gij koper zult uitbouwen". En in Job 28 is sprake van plaatsen waar men ijzer uit de aarde haalt en koper uit het gesteente wordt gesmolten. Op zulk een tocht zie je iets van de schoonheid van dit land. Dicht bij deze mijnen zijn machtige rotsen: de zuilen van Salomo.
Israël heeft uit toeristisch oogpunt veel moois. Dat weten wij wel uit de Schrift, waar zovele malen van de schoonheid van het land wordt gesproken. Tabor en Hermon juichen in Uw naam. In de woestijn Sin stond ik op de Mispe Ramon op ongeveer duizend meter en genoot van een geweldig uitzicht, op dit hoogste punt van de Negeb (het Zuiderland). Ik denk aan het uitzicht, dat men van de Karmel heeft op de baai van Haifa; de profeet zingt niet voor niets van de luister van de Karmel! In de holen en de bossen van de Karmel verschool zich elke vluchteling (Am. 9:3). Of men gaat nog verder naar het noorden, vlakbij de grens met Libanon. Bij de grens met Libanon is de prachtige weg vele meters boven de zee en men zou hier willen blijven, zo mooi. Een betoverend uitzicht bij Rosch Hanikra, niet ver van de ruïnes van Achziek, een stad Van Aser. Wij rijden door de bossen van Noord-Galilea, heuvel op heuvel af. Hoevele bossen zijn nieuw aangelegd en wat wordt er aan de wegen gewerkt! In de verte zien wij de eeuwige sneeuw van de 2700 m hoge Hermon. Wat is Galilea mooi en vriendelijk!
Het gaat ons om meer; we zijn in het land van de Bijbel en dat land roept herinneringen op lang vervlogen tijden, aan dagen dat de Filistijn uit de landpalen verdreven werd, aan een tijd als nu, toen Israël vocht voor zijn leven. Mooi is Tel Aviv aan de Middellandse Zee met zijn vele hotels en zijn prachtige strand, de stad die middelpunt is van toerisme door geheel Israël. Maar voor Tel Aviv behoeven wij niet naar Israël te gaan; kijk dan naar de zee in Noordwijk en in Scheveningen. Tel Aviv is een stad zonder geschiedenis. Het is niet ouder dan 60 jaar. Het heeft alleen de naam gemeen met de plaats van ballingschap van Ezechiel in Babel. (de b wordt uitgesproken als een v; zo ook met negeb van de Bijbel; nu spreekt men en schrijft men Negev). Maar vanuit Tel Aviv ga je naar Jaffa, (hebr. Jaffo), eigenlijk een voorstadje van Tel Aviv. Ik dwaalde door de straten en stegen van Jaffa, zat een tijdlang hoog boven de zee (de stad is op een heuvel gebouwd) met het gezicht op de oude resten van de vroegere haven. De kleine huisjes zijn gebouwd tegen de hellingen van de heuvels. Vanuit Tel Aviv ziet men 's avonds de talloze lichtjes van Jaffa tintelen. Eeuwenlang was het een stad van betekenis. Als Sanherib in 701 naar het Westen is getrokken (2 Kon. 18 : 13) noemt hij in zijn bewaard gebleven herinneringen, ook Jaffa (Ja-ap-pu-u) als een door hem ingenomen stad. Van hier vertrok Jona, toen hij zich aan Gods opdracht zocht te onttrekken. Hier woonde Tabitha (Hand. 9 : 36). Hier logeerde Petrus bij Simon de lederbereider, wiens huis was aan de zee. Daar kreeg hij het Goddelijk onderricht in het vizioen: Wat
God gereinigd heeft, moogt gij niet als onrein beschouwen (Hand. 10). — Zijn daar nu nog sporen van de werkzaamheid van de apostel? In het (kleine) museum vond ik niets, wel wat veel en veel ouder was. Een kleine moskee (uit 1730) staat op de plaats waar het huis van de leerlooier moet gestaan hebben: Eén ding trof mij; ik heb in geen enkele plaats zoveel leerbewerking gezien, zoveel mensen, die schoenen maakten en ik dacht aan de oude traditie, die blijkbaar de eeuwen door heeft standgehouden.
Ik geef hier wat indrukken — alles over de buitenkant. Een volgende maal hoop ik iets te zeggen over Jerusalem: Zo ik u vergete zegt de psalmist, eer vergete mijn rechterhand zichzelf. Jerusalem blijft voor ons de stad van de grote koning.
U. Bt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's