BOEKBESPREKING
„Vader, ik heb gezondigd", veertien Bijbellezingen over de gelijkenis van de verloren zoon, door ds. J. J. Poort. J. P. v. d. Tol, Dordrecht 1968. Prijs gebonden ƒ 9, 50.
Een bundel Bijbellezingen over de gelijkenis van de verloren zoon, die een uitleggend-beschrijvend karakter dragen. Eenvoudig en boeiend geschreven, in een plastische taal, die nodigt om het boek achter elkaar uit te lezen. De schrijver verstaat de kunst om met woorden te boetseren, zodat men het haast ziet gebeuren. Er zijn heel wat onderwijzende gedeelten in dit boek, waar de lezer voor zijn geestelijk leven het één en ander uit leren kan. Al blijven er na lezing ook enkele vragen over. Als b.v. op blz. 61 gesproken wordt over „het heilsnoodzakelijke werk van de bekleding door de heilige Geest . . ., die de zonde bedekt", een zaak, die de verloren zoon ten deel viel in het vreemde land, vraagt men zich af, of het terminologisch niet verwarrend en ook onbijbels heten moet te spreken over bekleding en bedekking van de schuld, terwijl de verloren zoon de gang naar zijn vader nog moet maken. Door deze bewoordingen uit het hart van de verzoening te gebruiken voor het ontdekkend werk des Geestes, lopen we bovendien gevaar de zondaar in zijn gang tot de Vader af te remmen.
Verder blijven er vragen t.a.v. de uitleg van bepaalde onderdelen van de gelijkenis. Heeft b.v. de verloren zoon door zijn vader voor te stellen hem als huurling aan te nemen (maak mij als één van uw huurlingen) werkelijk iets verdienstelijks willen aanvoeren, zoals wordt gesteld? Of valt hier volledig het accent op de berouwvolle belijdenis het zoonschap verbeurd te hebben, terwijl de jongen toch het dak van het vaderlijk huis niet missen kan?
Tenslotte blijft, ook na lezing van dit boek, de vraag klemmen, of men een gelijkenis zo allegoristisch mag verklaren. Op blz. 71 (derde alinea) o.a. blijkt, dat de schrijver de gelijkenis als een historisch verhaal van bekering uitlegt. Wanneer men de gelijkenis als masjaal, met één punt van vergelijking, leest, betekent dat inderdaad niet, dat men de onderdelen van de gelijkenis niet mag laten meespreken in het geheel. Maar wanneer men de centrale gedachte daarbij steeds in het oog vat, bewaren we de reserve tegenover bepaalde excentrische uitleggingen, waarbij b.v. Jezus Christus als Vader wordt voorgesteld en tegelijk gezegd wordt, dat Jezus Christus de Zoon is, die wegreist naar een vergelegen land en aldaar zijn goed doorbrengt.
Futurologische oriëntatie en confrontatie, ir. W. H. Douma; Kamper cahiers nr. 6, in opdracht van de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland. J. H. Kok, Kampen 1968; prijs ƒ 3, 75.
In de serie Kamper Cahiers wordt periodieke publikatie gegeven van bepaalde overzichtscolleges, rectorale oraties, enz., meestal van theologische aard. In dit nummer wordt door Ir. Douma gesproken over 1) het onderzoek van de toekomst, 2) het beeld van de toekomst, 3) het geloof in de toekomst. Nagegaan wordt, waarom de belangstelling voor de toekomst, vooral sedert de jaren '60 zo is toegenomen. In plaats van het visioen begeert men t.a.v. de toekomst thans de op rationeel denken gebaseerde prognose. Wetenschappelijk verantwoorde voorspelkunde heet dat. Vervolgens worden door de schrijver allerlei vormen van toekomst onderzoek onder de loup genomen, b.v. science vision, proces-of systeemanalyse, enz. De z.g. S-kurve Iaat zien, hoe snel in het algemeen „iets nieuws" ingang vindt bij de massa; zelfs de toelating van de vrouw tot de ambten (ook een „nieuwigheid") wordt met deze sociologische maatstaf gemeten, kennelijk met het doel, dat men bij de beleidsbepaling in de ambtelijke vergaderingen van de kerk met de inlooptijd van dit soort nieuwe dingen rekening kan houden. Er is dus sprake van futurologie op zeer verscheiden wijzen.
Ir. Douma ziet dan vervolgens een drietal van zwaar gewicht zijnde trends in de maatschappij: a) de bevolkingsgroei; al naar gelang de verwachtingen van het voortplantingspatroon rondom het jaar 2000: 21, 18 of 17 miljoen inwoners in Nederland, b) de wetenschappelijk-technologische ontwikkeling; hier treden grote verschuivingen op, c) groei van de welvaart; verdubbeling hiervan in de komende twee tot drie decennia. Aan deze drie trends koppelen zich een drietal tendenties in het geestelijk-culturele vlak: A) een groeiend onafhankelijkheidsgevoel bij de gemiddelde mens (vrijheid en zelfbeschikking), B) algemene verzwakking van het traditionele gezag (democratisering van de verhouding ouders-kinderen, anti-regentenhouding in de poHtiek, provocatie op straat van agenten, medezeggenschap in de onderneming), C) een experimentele levenswijze met sterke accenten op het creatieve en ludieke (men is minder op beveiliging ingesteld, 't leven wordt meer een spel). Dat de mens van de toekomst enkel een consumptieslaaf zou zijn, wordt door ir. Douma tegengesproken.
Al deze dingen zullen in de toekomst aA) de aard van het geloof beïnvloeden; men zal meer zelfstandig en kritisch zoeken naar het godsbeeld, bB) de functie van het geloof verschuiven; het accent valt minder op het hierboven en hiernamaals, meer op het hier en nu, hier en straks; cC) een nieuwe gestalte aan het kerk-zijn geven, b.v. in de kanalisering van het democratisch dialoog-principe; het gesprek inplaats van de preek door één man, kringwerk, bezinningsdagen, toerustingsweken (men denke aan de activiteiten van Kerk en Wereld en Bad Boll in Duitsland). Schrijver komt dan tenslotte tot de conclusie, dat Kuitert en Berkhof in hun uiteenzettingen over de toekomstverwachting niet genoeg aandacht geven aan de tendens tot een voortgaande toename van zelfbewustzijn en zelfbepaling bij de mens in de toekomst.
Het geheel van deze brochure overziende, kunnen we alleen maar hopen, dat wij ervoor bewaard worden, dat wij inzake ons gezicht op de toekomst en ons daaraan georiënteerde handelen ons laten leiden door beschouwingen, die inderdaad zo rationeel zijn. Een prognose van de toekomst in horizontalistisch perspectief, opgebouwd vanuit het verleden en heden, is hoogst onbetrouwbaar. Twee wereldoorlogen in een tijdsbestek van een halve eeuw hebben kunnen duidelijk maken, dat we met onze sociologische rekenkunde niet klaar komen. Op een gegeven ogenblik is het juist de magie van een sociologische futurologie, die een verleiding betekent voor theoloog en kerk, gebaseerd als ze vaak is op een immanente evolutie-gedachte. Het is voor de kerk werkelijk veiliger te blijven bij het visioen van de Bijbel en daaraan haar richtlijnen te ontlenen voor haar handelen in heden en toekomst. De op sociologische gronden geschetste ontwikkeling is er één, die duidelijk wijst in de richting van een mens en wereld, die juist in hun steeds groter wordende zelfbepaling de hoogmoed van de oerzonde demonstreren, nl. als God te willen zijn. De beoordeling van deze tendens is in hoge mate een zaak van ogen, die door Gods Geest verlicht zijn. Met het oog daarop zal de kerk van Christus, dunkt mij, óf hoe langer hoe meer in de vreemdelingschap komen, óf in- en ondergaan in de gesaeculariseerde structuren van een wereld, die zichzelf voor goddelijk heeft verklaard.
De kosmische betekenis van Christus, dr. A. G. Honig jr., Kamper Cahiers no. 7, J. H. Kok Kampen, 1968.
Reeds de ondertitel van de inauguratie van dr. Honig (na ruim 10 jaar in Indonesië gewerkt te hebben thans benoemd tot docent in Kampen) maakt duidelijk, dat in deze brochure vooral wordt nagegaan, hoe in allerlei oecumenische discussies van de laatste decenniën op oecumenische conferenties (New-Delhi, Mexico city, Kandy op Ceylon, Uppsala, enz.) gezocht is naar de kosmische betekenis van Christus, vooral in het licht van de ontmoeting met andere religies. Deze ondertitel luidt: (de kosmische betekenis van Christus) in de oecumenische discussies van de laatste decenniën speciaal met betrekking tot de zending". Allerlei vragen, die in de theologie der oecumene naar voren komen, worden hier op tafel gelegd, zoals: de zending als missio Dei, de werkzaamheid van Christus in ieder mens, in de geschiedenis, in sociale en politieke revoluties, in de moderne wetenschap, in niet-christelijke religies. Oude problemen (te denken is aan de apologetiek uit de eerste eeuwen na Christus, met name Justinus Martyr met zijn logos-spermatikos-leer) gezet in het kader van een nieuwe tijd, waarin de toenadering van volken, werelddelen, culturen en religies de kerk noodzaken tot bezinning.
Honig constateert verschuivingen in de theologische uitspraken betreffende deze problemen sinds New-Delhi, soms in de richting van een meer Bijbels getuigenis (van syncretisme naar een nader omschreven universalisme in Bijbelse zin), wat hij toeschrijft aan invloed van mannen als W. A. Visser 't Hooft.
Inmiddels acht hij de gedachtensfeer van veel wat na New-Delhi geschreven is en gezegd, typisch Ireneïsch. Het hele zicht op de betekenis van Christus, van de Incarnatie (de lijn van het rapport „God in Nature and History", Uppsala) vertoont velerlei overeenkomsten met de gedachten van Ireneus. Bijzonder interessant zijn de noten, waarin de schrijver aan de hand van allerlei litteratuur uitvoerig spreekt over Ireneus en Augustinus (in verband met het dualisme van de gnostiek), vooral de vraag naar de betekenis van de anakefalaiosis uit Ef. 1:10. De schrijver noteert als het zwakke punt in de oecumenische discussies: de zonde wordt niet onderkend in de verschrikkelijkheid, waarmee deze in de Bijbel wordt getekend. Men spreekt al te vlot over de verlossing van de hele wereld door Christus en neemt de schriftuurlijke gegevens daarbij niet in acht. De Schrift spreekt immers veel genuanceerder over de dood van Christus voor allen (het geloof is hier steeds mee in het geding). Ook komt volgens schrijver te weinig uit de verf, dat het er in de Missio Dei uiteindelijk om gaat mensen te redden van de ondergang en het oordeel, sola gratia. De zending heeft vooral de taak de mensen bewust te maken van de nood, die zij zich niet bewust zijn, nl. om te geloven in Christus Jezus. De prediking van het Evangelie houdt meer in dan bevrijding uit slavernij, honger, rassen-discriminatie, enz. en het koninkrijk Gods is meer dan een rechtvaardige samenleving. Daar, waar de vreselijkheid van de zonde en haar gevolgen te weinig gezien worden, kan ook het kruis van Christus, de verzoening door Zijn bloed, de oproep tot bekering, de breuk met de rebellie, het zich afwenden van het oude en de wending naar het nieuwe leven niet meer naar de Schriften in de prediking zijn plaats krijgen.
Een greep uit de slotopmerkingen, zoals de zojuist vermelde, moge de lezer van deze recensie ervan overtuigen, dat we in deze brochure een gedegen en nodige reactie vinden op een eenzijdige oecumenistische theologie, die wortel wil schieten in het hooggeroemde humane, maar geen recht doet aan het Bijbels getuigenis ten aanzien van de God-mens Jezus-Christus en de geschiedenis van Zijn Koninkrijk, die haaks staat op culturen, religies en maatschappelijke ontwikkelingen, omdat het de geschiedenis is van het Koninkrijk Gods in de ergernis des kruises.
Daarop nadruk te leggen en daarvan te getuigen, ook zonder lidmaatschap van de Wereldraad van kerken, is een goed ding. De gereformeerde kerken hebben, om gehoord te worden, een aansluiting bij de Wereldraad, dunkt mij, niet eens zo hard nodig, als dr. Honig (helaas) aan het slot van zijn rede bepleit.
Z. C. d. B.
Dr. F. C. Dominicus, Zwarten en zwart gemaakten, 207 blz., ƒ 7, 90. uitg. „De Banier", Vianen.
Het is een verademing, temidden van veel baarlijke onzin die over Zuid-Afrika wordt opgelepeld dit boek onder ogen te krijgen. De zwarten zijn negers, in Zuid-Afrika Bantoe(s) genoemd; de zwart gemaakten zijn de blanke bevolking in Zuid-Afrika. Schr. heeft lang in Zuid-Afrika gewoond en volgt de ontwikkeling, vooral ook de politieke ontwikkeling van dat land daarom met veel belangstelling. De vreemde „voorlichting" die buiten Zuid-Afrika, niet het minst in Nederland, over de gang van zaken wordt gegeven, bracht hem tot het schrijven van dit boek.
Na een inleidend gedeelte worden vele aspecten van de berichtgeving over Zuid-Afrika en de houding van de buitenwacht tegenover dat land besproken. Een groot aantal voorvallen en situaties passeert de revue, alle „dubbel" gepresenteerd: wat de niet-Zuidafrikaanse „men" ervan zegt en hoe het werkelijk is.
Hoe men dit ook bekijkt en interpreteert, het is en blijft een treurige opeenstapeling van fabeltjes, verdraaide voorstellingen, meten met twee maten en andere onbillijkheden, ook al zou men hier en daar een enkele keer wel eens een aanvullend detail in schr.'s beoordeling wensen waardoor van de verhoudingen een voor Zuid-Afrika misschien iets minder fraaie totaalindruk zou achterblijven, maar waarmee de dringende oproep om billijk te zijn aan subjectieve zeggingskracht zou winnen.
Dit is allerminst als kritiek bedoeld. Daarvoor zijn bedoeling en strekking van het boek te sympathiek, de uitwerking te consciëntieus. Het wordt daarom vele lezers toegewenst, lezers die de moed hebben, zich los te laten wikkelen uit het spinsel van een eenzijdige, onoordeelkundige, demagogische voorlichting over een land dat ons zo na aan het hart ligt en in ieder geval behoort te liggen, een voorlichting door een steeds roder wordende Nederlandse pers (ja, óók Trouw!) en andere publiciteitsmedia.
Ah. Sm.
„En zij werden verstrooid onder alle volken" door dr. Werner Keller; Uitg. la Riviére, Voorhoeve Zwolle.
De schrijver van: „de Bijbel heeft toch gelijk" brengt ons in dit boek 2000 jaar geschiedenis van het Joodse volk.
Na vele malen afwisselend rustig, of in ballingschap en vervolging te hebben geleefd, komt met Ezra de vernieuwing van hun bondgenootschap met God. Zo gaat het nadien ook weer door! een korte tijd van inkeer, waarna jaren van vernedering en vervolging komen. Drie eeuwen waren nodig om de mondelinge leer van de Thora als Missjua codex veilig te stellen.
Later begint in Spanje, samen met de Arabieren hun grootse ontplooiing. In o.a. Córdoba stijgen de wetenschap en de kunsten tot zulk een hoog peil dat het zich over de hele wereld verbreidt. De Joden, economen, theologen, geleerden, artsen, astronomen bezetten de hoogste functies, ook aan verschillende hoven. In 1066, na vijf eeuwen vredig bestaan, beginnen de vervolgingen en terechtstellingen. In Spanje raakt alle welvaart verloren, evenals in de andere landen die door folteringen en brandstapels duizenden Joden die zich niet willen laten dopen, vermoorden.
In Holland vinden Portugese joden na 1579 onderdak en veiligheid. Er volgen Oosterse, Poolse en Duitse joden en hieruit ontstaat mede door hen onze gouden eeuw.
In het kort gesteld: de Joodse geschiedenis is er één van de diepste vernedering en de hoogste roem.
Zeker is de Hitlerperiode van 1933-1945 de tijd die de grootste uitroeiingscampagne der wereld kan genoemd worden. Waarschijnlijk kan hun aantal op meer dan 5 miljoen joden geschat worden.
Dit voortreffelijke boek van een 500 pagina's behoren onze jeugd-studenten en M.O. scholieren te lezen. Ook alle ouderen van harte aanbevolen! De foto's van gravures uit de tijd van de inquisitie tot het uitroepen van Ben Goerion als eerste premier van het eigen land, Israël, maken het geheel bijzonder overzichtelijk.
C. S. S.
Ch. Hansen, Encyclopedie van het Middenoosten, 345 blz., ƒ 14, 90; actuele paroolpocket 6, Het Parool, Amsterdam, 1969.
Het is nauwelijks mogelijk de veranderingen in het leven der volken in deze tijd bij te houden, al heeft men veel belangstelling voor „de vaart der volken". De dingen ontwikkelen zich in zulk een razend snel tempo en de ene gebeurtenis wordt zo spoedig weer door een andere niet minder enerverende achterhaald, dat wij de feiten soms niet meer kunnen bijhouden.
Ten aanzien van het Midden-Oosten komt nu deze encyclopedie ons tehulp, waarbij de schrijver zich beperkt tot de Arabische landen van het Midden-Oosten en van Israël.
Men wil precies weten, wat nu eigenlijk al Fatah is, een naam die telkens weer door de nieuwsdienst in onze huiskamers klinkt. Welnu, hier vindt U de nodige informatie; daarbij wordt ook duidelijk gemaakt het verschil tussen deze beweging en de Palestijnse bevrijdingsorganisatie. — In het algemeen zijn de artikelen niet kort. Ik noem artikelen over het Midden-Oosten in het algemeen, over Egypte (21 blz.), waarin gegevens zijn opgenomen over oppervlakte, klimaat, economie, over de geschiedenis van de oudste tijden tot vandaag. Daarbij komen dan nog — op hun eigen plaats — stukken over Nasser, over de Suezcrisis, over de Assoeandam, en nog wel wat meer. Over Israël — zowel wat het verleden betreft als het heden — vindt U veel gegevens bijeengebracht, ook over de geschiedenis, over het Jodendom, over de Joodse immigratie, over de onafhankelijkheidsoorlog (1947, '48), over de zesdaagse oorlog en over het Zionisme. Van de laatste jaren zult U zeggen: wat is er toch veel gebeurd, wat ik mij nauwelijks nog kan realiseren! Het wordt weer voor ons opgehaald en vooral verduidelijkt.
Het boek geeft goede informatie, zo objectief mogelijk. Nu en dan vond ik dingen waar ik niet met de schrijver mee kan gaan. B.v., als hij schrijft, dat Zerubbabel vermoord werd; dat is meer dan we van hem weten. Herodes stierf niet 4 n. Ch., maar 4 v. Chr. Met dankbaarheid las ik dit werk door: een goede vraagbaak.
U. Bt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's