EEN GEBED VAN DAVID
Aanzie mijne ellende en mijne moeite en neem weg al mijn zonden.Psalm 25 vers. 18
Nog is Davids gebed niet ten einde. Juist nu hij erkend heeft dat de verborgen omgang met God tot grote zegen is, kan hij niet ophouden te bidden. Dit vuur des gebeds heeft de Heere zelf aangewakkerd. David weet dat het geen ijdele zaak is. En als een knecht op zijn heer ziet en een dienstmaagd niet te vergeefs op haar meesteres, zal hij dan niet op zijn God zien? Van Hem moet hij genade ontvangen om de lust zijns harten te verkrijgen en de begeerte van mijn ziel vervuld te zien. En er is in Davids leven aanleiding genoeg om verder met de Heere te spreken. Meen niet dat een mens, die begeert te leven met God zo spoedig is uitgebeden. Het ganse leven door is daar reden voor. Is het niet om met dankzegging tot Hem te gaan, dan toch wel met smeking en gebeden.
Vooral dit laatste heeft zo'n grote plaats in deze psalm. Wat heeft David de Heere nodig. Wat is er veel te belijden. Wat is er veel dat het leven met God kan verhinderen. Er staat zoveel in de weg buiten de mens en binnen in zijn hart om de Heere te vrezen. U moet Gods stem maar horen: „Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht". Dan komt u er wel achter dat we meer op de weg tegenkomen dan de Heere alleen en er meer in ons hart is dan oprechtheid alleen. Er is zoveel dat de wandel voor Gods aangezicht belemmert. Is dit niet de strijd waartoe ook de Heere Jezus toe opriep. De weg des Heeren is wel een zekere weg, maar niet gemakkelijk. Wie de strijd wil ontlopen moet God maar niet zoeken. Daarvoor heeft niemand zichzelf mee. Dat wist David ook. Van alle zijden komt het op hem af. Hij zit midden in de nood. Bijna elk vers getuigt ervan.
Eerst spreekt hij over een net, waarin zijn voeten gevangen zijn. Hij kan niet gaan zoals hij wil. Heeft Satan dat net voor hem gespannen? Wil de duivel hem van de weg des Heeren afbrengen? Dan is David niet de enige, die in deze moeite is. Wie ontkomt er aan deze strikken op de weg van de vreze des Heeren? Het volk Gods is een al te gaarne prooi voor satan. De zonde mag u van hem vrij uit en ongestoord dienen. Alles mag u van hem, zo u maar niet de Heere vreest. Gans de dienst van God is hem een gruwel. U mag niet geloven. U mag God niet dienen naar Zijn Woord en Zijn inzettingen. Dan zet hij zijn vasltrikken in het verborgen. Daar ontkwam de meerdere David ook niet aan. Hij ontmoette Satan in de woestijn met de grootste verzoekingen. Wat hem daar niet mogelijk was, de Heere Jezus verleiden voor hem te buigen, zal hij zeker verhalen op Zijn volk. Een net om in gevangen te worden; voetangels om te doen struikelen. Wie kent ze niet die bevangen zijn met de lust de Heere te vrezen; die opgericht zijn uit de grote val der zonden; wier voeten zich zetten mogen in het spoor van Gods geboden. David weet er zeker ook van.
Eenzaam voelt hij zich ook, verlaten door velen. Wie lust krijgt in de vreze Gods en last krijgt van de zonde dienst wordt in deze wereld een eenzame. Gods kinderen zijn wel een volk, een gemeenschap. Maar in veel moeite staan ze alleen. Het is zo'n persoonlijke strijd. Heeft David zich niet eenzaam gevoeld toen hij huppelde voor de ark en Michal hem verachtte? Denkt hij daaraan nu hij zich eenzaam noemt?
Benauwdheden des harten strekken zich uit. Zijn ziel is gekweld door smart en zorgen. Wat het geweest is weten we niet. Maar 't is alles te veel geworden. Straks heeft hij ook nog zijn vijanden, die hem haten met een wrevelige haat.
Is dit niet alles samen te vatten in de woorden van deze tekst: ellende en moeite. Wie kan er tegen op als alles zich samenbundelt tegen God en Zijn gezalfde? Wie breekt het net? Wie neemt de eenzaamheid weg? Wie doorbreekt de haat van de vijand? Wie geeft ruimte aan de ziel om te leven naar Gods wil?
„Aanzie mijn ellende en mijn moeite". Zie het aan o God. Aanschouw Gij mijn moeite en verdriet. Dat is alles wat David begeert. Hij bidt niet of God die ellende en moeite wegneemt. Het net des duivels wil hij niet ontlopen. Gods vijanden verlangt hij niet als vrienden. De eenzaamheid, het vreemdelingschap Gods aanvaart hij. Hij wil delen in het lijden. Als het maar een lijden is om Gods wil.
Hij wil er niet onderuit zo de Heere het maar goed acht voor hem. Zo hij maar weet dat God hem niet vergeet en niet verlaat. Deze drinkbeker zal hij drinken maar dan onder Gods wakend en toeziend oog.
Want het kon erger. Het moest zwaarder zijn. David weet dit uit ervaring. De bron van dit alles ligt niet bij God. De wortel van de ellende en moeite ligt in zijn zonde. Hij proeft de bittere vrucht van eigen ongerechtigheid. Waaraan schrijft U de ellende en moeite in Uw leven toe? Zelfs die moeite die Satan u aandoet? Zelfs de tegenspoed des rechtvaardigen? Is 't geen vrucht van de zonde, de verdorvenheid. Is het u niet opgevallen telkens als u deze psalm las hoe vaak David over zijn zonden spreekt. Niet over de schuld van een ander. Maar over eigen ongerechtigheid. Niet over bepaalde zonden. Neen over al zijn zonden. De zonden zijner jeugd is hij niet vergeten. De overtredingen van vroeger bedekt hij niet. Niets wil hij voor de Heere verbergen.
Hij heeft niet alleen de bron van het goede ontdekt. Dat is de omgang met de Heere. Hij heeft ook de bron van het kwaad ontdekt. Dat is het leven der zonden. De oorsprong der ellende in zijn verdorvenheid.
Heeft u dit ook ontdekt in Uw leven? Aanklagers over de moeite en nood; over de strikken des duivels zelfs, is er geen gebrek. Over de vijanden van Gods kerk horen we genoeg praten. We kunnen ze wel met onze vinger aanwijzen, denken we. Maar is Uw hart al voor u een vijand Gods geworden? Kunt U de zonde in uw eigen leven aanwijzen. David hoorde het: „Gij zijt die man". Is dit geen nood, die boven elke nood en moeite uitgaat.
Neen dan helpt er niets; dan zijn we nergens mee geholpen zo mij al mijn zonden toegerekend blijven. Niets is zwaarder dan deze last van schuld en plagen. Daarom Heere, aanzie mijn ellende en mijn moeite en neem weg al mijn zonden. Gedenk niet de zonden mijner jeugd. Dat bad David eerst. Breng ze niet in rekening bij mij. Nu vraagt hij of God al zijn zonden weg neemt.
Als de Heere de zonden weg neemt, dan zijn ze er niet meer. Dat wist David. Wie zelf de zonden weg dringt uit zijn gedachten raakt ze nimmer kwijt. Daar heeft u de Heere voor nodig. Dat kan Hij alleen.
Dit is mogelijk bij God. Dit is alleen mogelijk in Christus. Hij droeg de schuld, de smaad, de overlast. De ellende en de moeite nam Hij op zich, de zonden droeg Hij weg. Zijn bloed reinigt van alle zonden. Neem weg al mijn zonden. Neem de angel weg uit alle tegenspoeden en de prikkel uit de nood. Niet de moeite, maar de zonden moet u kwijt. U moet niet ontheven worden van de zorgen, maar van de schuld. Dan heeft u ruimte voor uw ziel. Dan heeft u ruim baan voor uw voet. Dan is er niets meer dat scheiding maakt tussen de Heere en U. Daarom: Aanzie mijne ellende en mijne moeite en neem weg al mijn zonden.
K. a. Z. C. v.d. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's