HET VERTROUWEN VAN DAVID
„De Heere zal het voor mij voleindigen; Uw goedertierenheid Heere is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen." Psalm 138 vers 8.
Ook al zou deze Psalm niet van David zijn, zoals sommigen zeggen, dan sluit toch de inhoud wondergoed op zijn leven aan. Het is één van de lofzangen, waarin Gods kinderen elkander vinden. Nu dan klinkt ook Davids stem mee in dit danklied van de kerk. De Heere omringt hem niet alleen met vrolijke gezangen van bevrijding. Hij mag nu zelf in dat koor meezingen. En zijn hart is vol van de lof des Heeren. Hij mag roepen tot God, de Allerhoogste, tot God, Die het aan hem voleindigen zal. We schrijven dan ook deze psalm gerust aan David toe. Ook hij zal na de menigvuldige verlossingen Gods de tempel zijn binnengegaan en zich neergebogen hebben voor de Heere. God immers had hem in 't midden der benauwdheid levend gemaakt en hem gesterkt met kracht in zijn ziel. Belooft dit niets voor de toekomst? Als de Heere zo geschiedenis met u maakt, volgt er meer. Dan komt er geen einde aan. U weet dan toch wel in Wien gij gelooft. David wist het nu wel wie de Heere was. Vol vertrouwen wendt hij zich tot Hem. Alles verwacht hij van zijn God. En hij roept het uit: „De Heere zal het voor mij voleindigen."
Wat David daarmede bedoelt? Wat zal de Heere voleindigen? Moet dit voor u nog nader verklaard worden? Wat zou u gaarne voltooid zien in uw leven? Toch zeker niet de zonde. Toch ook niet allereerst uw zaak of bedrijf of studieplan. Hoe belangrijk ook, er zijn belangrijker dingen in 't leven. Van David was het geen vraag. Het was niet zijn werk dat voleindigd moest worden, maar Gods werk. Het werk Gods, dat is het werk van Zijn hand. Is dit niet het werk der verlossing. Bij alles wat in dit grote werk Gods voor David als koning Israels begrepen was, gold dit zeker ook voor hem persoonlijk. Wat de Heere deed aan Israël als Verbondsvolk, was Zijn werk. Dat zou Hij voleindigen. Dat heeft Hij ook voltooid in de gave van Zijn Zoon. „Het" is Gods heilswerk door Christus volbracht. Dat kon niemand volbrengen dan Hij alleen. Want het was zo'n groot werk, het was zo'n volmaakt werk.
Maar in dit grote heilswerk vond David een plaats als voorwerp en niet als onderwerp. Vandaar dat „voor mij". Wat ik niet kon beginnen, begon de Heere. Wat ik niet kan volbrengen, volbracht Hij. Wat ik niet kan voleindigen, zal Hij voleindigen. En dat niet alleen voor anderen, maar ook voor mij. Is dit niet het geloofsvertrouwen. O, als God dat eens niet deed, dan liep het ook voor David op niets uit. Wat zegen dat de Heere het zalig maken in eigen hand houdt. Want het is zo'n nauwkeurig werk. Hoe nauw komt het op de voltooiing van Gods werk aan. Hoe bezwaarlijk wordt een mens zalig. Naar eigen werk nooit. Nauwelijks komt hij door de poort des levens. Telkens blijft hij steken op de weg. Na elke uitredding brengt hij zichzelf weer in de nood; na elke overwinning zorgt de vijand voor een nieuwe aanval. En als de Heere Zich nu eens terugtrok? En als Hij nu eens Zijn hand van ons leven afhoudt? Neen, zegt David, dat doet Hij niet. En dit is het vertrouwen der vromen. „De Heere zal het voor mij voleindigen." Ze geven Hem crediet op Zijn Woord. Hij is immers geen man dat Hij liegen zou, noch een mensenkind dat het Hem berouwen zou. Zou Hij het zeggen en niet doen of spreken en niet bestendig maken?
Voor mij, dat is ook aan mij. Wat moet er niet aan een mens gedaan worden. Wat een werk heeft de Heere aan Zijn volk. En dat altijd maar weer. En dat echt niet alleen in 't begin van het leven der genade. De Heere heeft werk aan de Zijnen tot aan hun dood toe, ja zelfs door de dood heen. Daarom is het werk der verlossing Zijn werk en is Hij de Eerste en de laatste.
Voor mij, is dat nu ook om mij, om mijnentwil? Is Luther fout als hij vertaalt: „Om mijnentwil zal Hij het voleindigen"? Het is toch niet om onzentwil, maar om Zijn heilige Naams wil. Toch, wat doet een herder niet voor schapen, om zijn schapen en een vader ter wille van zijn kind. Een koning doet zoveel ter wille van zijn volk. Zo hij dat volk maar lief heeft. Als God u nu eens lief kreeg door Zijn genade? Ja, dan doet Hij alles om uwentwil. Daarvoor gaf Hij Zijn Zoon; daarvoor schenkt Hij Zijn Geest.
David was een man naar Gods hart, want de Heere had hem lief gekregen met een eeuwige liefde. Toen deed Hij alles voor David. Hij maakte hem tot Zijn kind. Doet een vader daar niet alles voor. Daar doet God zeker alles voor. En dat niet voor een tijd, maar voor eeuwig. Dat was Gods goedertierenheid. Dat was Zijn genade. En die is tot in eeuwigheid. Niet alleen van eeuwigheid, maar ook tot in eeuwigheid.
Mensen kunnen ons dagen, maanden en jaren liefhebben en goed doen. Maar eens houdt dat op. Zo de liefde niet eindigt, maakt toch de dood er een einde aan.
Maar Gods goedheid, goedertierenheid, genade eindigt nimmer. Zo God een mens lief krijgt, krijgt Hij hem voor eeuwig lief. Uw goedertierenheid, Heere. Dat is toch de grond der zaligheid. En die is tot in eeuwigheid. Daar komt u toch niet vanaf, Heere. Daar wilt u toch niet van af, Heere. Dit is toch de levende hoop der zaligheid, 'k Mag nu toch rekenen op Uw trouw, op Uw hulp, op Uw bescherming, op de zaligheid.
Zo prijst David zijn God en vertrouwt zich aan de Heere toe. Hij looft Gods werk en Zijn trouw. Het is zo zeker in Zijn hand. Is dit niet om van te zingen met David?
Is nu zijn gebed ten einde? Houden hier Davids gebeden op? Neen, nog niet. Hij is nog op aarde en zolang houdt de Heere het gebed van Zijn volk levend. Daarom volgt er nog een gebed, 't Is tot afsluiting van zijn lofzang, 't Heeft er dan ook alles mee te maken. Dit is zijn gebed: „Laat niet varen de werken Uwer handen".
Is dit niet vreemd? Eerst zegt hij dat God Zijn werk niet los laat. Nu toch weer dit gebed. Is dit nu ineens zijn wantrouwen? Of is het juist de gouden regel des geloofs. Is dit juist niet Gods werk van mensen bidders maken. Geloven en bidden sluit elkaar toch niet uit. Vertrouwen en bidden gaat toch hand in hand. Wie God op Zijn Woord gaat geloven wordt een bidder.
David staat op hechte grond. Hij mag nu de Heere wijzen op Zijn eigen Woord, Zijn trouw en Zijn belofte. Dat mag u altijd doen; dat moet u altijd doen. Waar de Heere werkt, werkt de Geest der genade en der gebeden. En daar wordt de Heere toch op 't hoogst verheerlijkt, waar u Hem door de Geest bindt aan Zijn eigen Woord. „Heere, Gij houdt toch Uw eigen werk in stand". Is dit geen geloofstaal?
Waar de Heere bezig is uw leven te vernieuwen, daar vraagt u ook om vernieuwing. Dat is de begeerte van elk, die Hem vreest. En dan vraagt u dat niet alleen voor uzelf. Dan vraagt u dat ook met het oog op de ander.
Laat niet varen het werk dat uw hand begon.
Deze bede is niet alleen een gebed voor zichzelf. Zo u Gods werk ontdekt in uw leven, krijgt u hoop en vertrouwen op al Gods werk. Het ganse werk der verlossing gaat u ter harte. Wat Hij voor u deed en doet, kan Hij dat ook niet voor anderen. Zo Hij u lief kreeg met eeuwige liefde, kan Hij dan anderen niet liefkrijgen? Ja Heere, nu weet ik dat Gij zondaren zalig kunt maken. Daarom: „Laat niet varen het werk dat uw hand begon." Bad David dit juist ook niet voor Israël? Bidt u dit niet voor ons volk en de kerk? Niet alleen voor mij, maar ook voor anderen. Laat niet los het werk dat Gij begon in onze kerk; in onze gemeente; in onze geslachten; in onze gezinnen. Zet het voort, o Heere. Bouwt Gij toch door Uw Geest. Bouwt Gij toch op de puinhopen van ons werk. Breekt het onze tot in het fundament toe af, neemt Gij Uw werk ter hand. Uw hand is zo machtig, Uw hand is zo onweerstaanbaar. Zo Gij werkt, Heere, wie zal dan keren? Dan zal geen vijand het uithouden. Vergeet dit niet, lezer(es). Wie zich tegen God en Zijn werk en Zijn kerk keert, zal verbroken worden en vergaan. Ook dat is Zijn heilig werk, de wraak tegen Zijn vijanden. Dat zult u vinden zo u naar Zijn werk niet hebt gevraagd en onder 's Heeren arbeidzame hand des Geestes niet hebt leren voegen. Dan wacht Gods hand in heilige grimmigheid uit gestoken. Maar zijn rechterhand behoudt en Hij behoudt daardoor een biddend volk dat op Hem vertrouwt. Hij laat niet varen het werk dat Zijn hand begon, hoe klein dat begin ook zijn mag in uw leven, want de Heere is zo getrouw als sterk.
K. a. Z. C. v. d. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's