De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

15 minuten leestijd

Nieuw-Guinea in „Hervormd Nederland”
In het orgaan van de confessionele vereniging, het „Hervormd weekblad" van 31 juli wijdt ds. H. G. Groenewoud een uitvoerig artikel aan de volksstemming op West-Irian. Met name keert de auteur zich daarin tegen de visie van dr. G. Ph. Locher, secretaris van de raad voor de zending. Groenewoud wijst er op dat onder het bestuur van Indonesië er tot dusver geen sprake was van vrijheid, van leefbaarheid van bestaan, voor de inwoners van Nieuw-Guinea. Indonesië heeft zich gedragen als een kolonialist van het zuiverste water. In dit verband citeert ds. Groenewoud een artikel van het oud-Tweede-kamerlid, de heer Scheps, waarin deze vertelt hoe het Nieuw-Guinea verging onder Indonesisch bestuur.
„De staat Indonesië is gevallen in de dwaasheid van bijna alle staten. De Republiek Indonesië, toch al verarmd door het invoeren van Djakartaans centralisme, heeft het gezonde federalisme niet kunnen opbrengen. Het Indonesische leger, de Indonesische ambtenaren, zijn westelijk Nieuw-Guinea binnengetrokken met het veronachtzamen van elke tact. De vlag — ook de Papoea's dierbaar — moest worden opgerold. Het volkslied — dat de Papoea's even waardevol mocht zijn (en is) als het Indonesische volkslied — werd verboden. De werking van de politieke partijen werd stopgezet en de partijen verboden. De leiders van de politieke partijen onder dwang gezet".
Even verder spreekt hij over Indonesië als een „de Papoea's verdrukkende staat". Van dezelfde pagina uit genoemd blad neem ik uit een in kader geplaatst vet gedrukt bericht over „Terreur in West-Irian", het volgende over: er bestaat „een lijst van namen van 4000 personen die door Indonesische militairen werden vermoord in de periode van 1963 tot 1966. Het in de overeenkomst van New York van 1962 vastgelegde recht op vrije ver­eniging en vergadering voor de Papoea's werd bij pogingen tot uitoefening ervan gestraft met: 1. eigen urine drinken, 2. met stoelpoten en prikkeldraad afgeranseld worden, 3. vastgebonden in het Sentani-meer gegooid worden, 4. urenlang in een waterstraal moeten kijken, 5. schoenen en sandalen in stukjes snijden en opeten, 6. de nacht doorbrengen in een ton, voor 3/4 vol water, 7. tijdens verhoren electriciteitsdraden moeten vasthouden die onder stroom werden gezet, 8. de rechterhand afgehakt."
We keren terug tot het artikel van de heer Scheps; hij vraagt: „Waar zouden wij, Nederlanders, die de Papoea's in 1962 hebben losgelaten het zedelijke recht vandaan moeten halen deze door ons losgelaten Papoea's te dwingen zich nu te bekennen tot de hen verdrukkende Indonesische staat. Moeten de Papoea's om onze handel, om onze vrede met Indonesië worden gekoppeld aan Indonesië? "
Aan het slot eist hij voor de Papoea's het recht van vrije zelfbeschikking op: „Voor westelijk Nieuw-Guinea geldt maar één wet. Dezelfde zedelijke wet die voor alle staten en voor alle volkeren geldt. Voor Nederland is niets anders te doen dan te zeggen: wij willen, dat de bewoners van dat westelijke Nieuw-Guinea, voorzover zij dit maar enigszins kunnen, de mogelijkheid krijgen in vrijheid, na rijp overleg en na onderlinge eerlijke discussie, uit te maken wat zij willen. Ook als dit willen inhoudt: kiezen tegen Indonesië en voor de Papoea's, dus voor een eigen staat, een eigen nationale gemeenschap".
Er zijn wel degelijk mogelijkheden aanwezig voor de vorming van zo'n eigen staat, in vrije zelfbeschikking. Daarom is Groenewoud het radicaal oneens met de visie van dr. Locher, die in „Hervormd Nederland" ook schreef over het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's en de volksstemming. Volgens dr. Locher is de regering van Indonesië gebonden het verdrag van 1962 uit te voeren en de Irianezen gelegenheid te geven zelf over hun politieke toekomst te beslissen. „Maar", zo zegt hij: „Indonesië is ook nationaal gebonden. Zij die een anti-Indonesische keuze van de Irianezen onaanvaardbaar achten zijn zo talrijk en invloedrijk, dat geen Indonesische regering er in zou kunnen berusten. De keuze moet dus pro-Indonesisch uitvallen". Ds. Groenewoud neemt het dr. Locher zeer kwalijk dat hij dit practisch zonder protest neerschrijft. Een dergelijke politiek van Indonesië is onzedelijk en ontneemt aan mensen een onvervreemdbaar menselijk recht op politieke vrijheid.
Wie zo spreekt, ontneemt zichzelf het recht om te protesteren tegen de Russische aanslag op de politieke vrijheid der Tsjechen, tegen het kolonialisme van Portugal, tegen het optreden van de huidige Griekse machthebbers, tegen de uitmoording der Biafranen, tegen de „oorlogsmisdaden" van onze soldaten in Indonesië, kortom tegen alle onderdrukking waarvan deze wereld vol is en waaronder millioenen lijden.
Uitermate slap is het slot van dit artikel: „Straks zal wel bekend worden gemaakt dat de bevolking van West-Irian voor Indonesië heeft gekozen. Zal dan de ontgoocheling volgen, zoals altijd na een tijd van heilsverwachting die niet in vervulling ging? " Ik zou willen vragen: verwachten de Papoea's inderdaad nog enig heil van Indonesië na alles wat ze daarvan vóór en in de tijd van het Indonesisch bestuur hebben ondervonden? Kom nou. Maar dr. Locher gaat verder: „In de geschiedenis der Papoea's hervatte het leven dan weer zijn normale loop. We kunnen slechts hopen dat het straks ook zo zal gaan". „Dan zal Indonesië voor de zware opgave staan samen met de Irianezen in dit weerbarstige door moerassen en steile bergen moeilijk toegankelijke deel van de wereld wat welvaart te brengen en een rechtvaardige samenleving op te bouwen".
Dit is zuiver Westers koloniaal gedacht. Heeft dr. Locher er enige aanwijzing voor, dat de Indonesische regering er oók precies zo over denkt? Wilde Indonesië West-Irian er bij hebben om die arme en achtergebleven bevolking wat welvaart te brengen? Bovendien verraadt het slappe: „We kunnen slechts hopen" dat „het normale leven bij de Papoea's dan weer zijn normale loop zal hervatten", dat dr. Locher ook een andere mogelijkheid ziet, die hij echter verzwijgt. Die is dat de Papoea's in verzet zullen komen tegen een hun opgedrongen „keuze". En dat betekent een verschrikkelijke oorlog in dat gebied. Natuurlijk zal dr. Locher de schuld dan geven aan die Papoea's die Nota Bene meenden vrije en tot zelfbeschikking in staat zijnde mensen te zijn (wat verbeelden ze zich wel!) en vanzelfsprekend ook aan Nederland, dat immers zo verkeerd gedaan heeft om die Papoea's op de valreep dat nationaliteitsbesef bij te brengen!
Maar „hoop doet leven"; en dr. Locher ziet het beetje welvaart al komen. Vandaar zijn slot: „Ik hoop dat Nederland zal ingaan op het verzoek van de Indonesische regering en aan die opbouw een royale bijdrage zal geven. Het zal een bijdrage worden waarvoor wij niets terugkrijgen. Daarom zullen stellig allerlei krachten zich tegen de verstrekking ervan verzetten. Aan hun aandrang zullen we niet mogen toegeven. De Irianezen hebben recht op onze bijdrage".
Ik vraag: En als die Irianezen nu eens „Neen" zeggen, en Indonesië gaat hen uitroeien; of als de stemming pro-Indonesië uitvalt, maar de Papoea's gaan hun vrijheid in een guerilla bevechten, hebben deze vrijheidslievende mensen dan ook recht op onze steun en bijdrage? En dan wil ik met kracht protesteren tegen de verdachtmaking dat allerlei krachten zich zullen verzetten tegen het geven van een bijdrage aan Indonesië om West-Irian wat welvaart te brengen . . . omdat „we er niets voor terug krijgen".
Ik dacht dat we zo langzamerhand nu wel genoeg van Indonesië weten om er goed mee bekend te zijn, dat het een bodemloos vat is, dat zelf niet zonder buitenlandse hulp kan, een land waarin corruptie welig tiert, waarin een bovenlaag van „invloedrijke" machthebbers zich verrijkt zonder zich om de armen te bekommeren, en dat Indonesië tot nu toe in geen enkel opzicht getoond heeft ook maar iets te gevoelen voor de bevolking van Nieuw-Guinea. Het zou wel eens kunnen zijn, dat niet het feit, dat wij er niets voor terug krijgen, maar de tot nu toe gebleken houding van Indonesië velen zal bewegen zich krachtig tegen deze hulpaanvrage te verzetten. Iets anders is het, of wij in het geval dat dr. Locher stelt, geen wegen moeten zoeken om de Irianezen zelf rechtstreeks te helpen. Dan zouden onze bijdragen stellig beter tot haar recht komen, dan wanneer het via Indonesië zou gaan.
Daarmee kiest ds. Groenewoud ook stelling tegen de uitspraak van de Generale synode in de juni-zitting van dit jaar, die naar aanleiding van de bespreking van het jaarverslag van de raad voor de zending uitsprak, dat de schuld van de moeilijkheden niet uitsluitend en eenzijdig bij Indonesië gezocht mag worden. Ook deed de synode een beroep op volk en regering in te gaan op het verzoek van Indonesië om steun te geven voor de opbouw van West-Irian" (aldus verslag in „Kerknieuws" red. Scheps, van 27 juni j.l.). We menen dat het protest van ds. Groenewoud op zijn plaats is. Kan men hier, inderdaad nog spreken van een getuigenis, dat een kerk waardig is? We zien hieruit nogmaals, hoe hachelijk het politieke spreken der kerk in concreto is. En wat betreft de hulpverlening is het inderdaad goed om te onderstrepen dat een eventueel bezwaar daartegen maar niet voortvloeit uit het „niets terugkrijgen", maar samenhangt met (naar we menen) gerechtvaardigde bezwaren tegen een corrupt systeem en een verkeerde maatschappij-structuur. Nog eenmaal geven we het woord aan ds. Groenewoud. Hij beëindigt zijn artikel met de volgende opmerkingen:
Overigens verklaart dit stukje commentaar: „Eigenlijk heeft de synode al een uitspraak gedaan door zich akkoord te verklaren met het artikel van ds. G. P. H. Locher in ons nummer van 14 juni". Onder handhaving van het bovenstaande tegen dit stuk van dr. Locher, voeg ik aan deze mededeling toe: Daarmee is dan de Indonesië-trilogie van de zending en de leiding der kerk voltooid. Eerst beval ze aan toe te geven aan de vrijheidsstrijd van Soekarno voor Indonesië, vervolgens riep zij op, onze handen van Nieuw-Guinea af te trekken om het aan het machtsstreven van Soekarno uit te leveren; en nu besluit ze dit beleid, door af te zien van een protest tegen de verkrachting van het recht op vrijheid en zelfbeschikking der Papoea's en dat nog wel in aansluiting aan een krantenartikel als dat van dr. G. P. H. Locher. Na het voorgaande kon ze nu ook niet anders.
Maar als dr. Locher de schuldvraag stelt, dan wil ik duidelijk zeggen, dat zowel de Zending die van de Hervormde kerk uitgaat, als de Synode in dit beleid een grote schuld op zich hebben geladen. Wat de diepere achtergronden van deze houding zijn, kan ik slechts gissen, maar duidelijk is, dat beiden niet de getuigenis hebben laten horen, dat opkwam voor recht en gerechtigheid, voor echte vrijheid, en dat men zich heeft laten leiden door vrees voor de wereldopinie, voor dreigementen, en door een duidelijke neiging tot „politiek" optreden, in plaats van door de roeping om een getuigenis te geven. En dit acht ik onverantwoordelijk.

Het pauselijk bezoek aan Genève
Paus Paulus VI heeft Geneve bezocht. Daarover zijn van verschillende zijden de sentimenten nogal hoog opgelaaid: Een paus in de stad van Calvijn! We menen dat het gevaarlijk is hier al te zeer op sentimenten te koersen. Dat vertroebelt de discussie en leidt niet tot een verheldering van het principe. Terecht wijst ds. Hegger er op in het juli-nummer van „In de rechte straat", dat wij geen heilige stad Geneve kennen en geen Sint Calvijn vereren.
Bovendien zou men kunnen zeggen, dat een ontmoeting met de leidende figuur van de Romana en vertegenwoordigers van het Protestantisme ook een nieuwe confrontatie kan betekenen. Dat het dit inderdaad geweest is en dat dit bezoek voor de verhouding Rome-Reformatie zoveel vruchten heeft afgeworpen wagen we sterk te betwijfelen. Integendeel, we menen dat juist de leiders van de Reformatorische kerken hier verstek hebben laten gaan. Ds. Hegger wijst er in dit verband op hoe de paus de Wereldraad van Kerken tegemoet getreden is met de pretentie die Rome steeds gehad heeft en nog heeft. Wie zo graag jubelt over een veranderd Rome, dat zijn eigen opvattingen inzake pauselijk primaat etc. nauwelijks serieus meer zou nemen, moet toch wel diep teleurgesteld zijn, of hij is stekeblind. Wat is n.l. het geval? We citeren uit dit artikel van ds. Hegger:
Paulus VI stelde zichzelf aldus voor aan de Wereldraad van Kerken:
„Onze naam is Petrus. En de bijbel zegt ons welke betekenis Christus aan die naam heeft willen toekennen, welke verplichtingen die naam aan Ons oplegt: de verantwoordelijkheden van deze apostel en van zijn opvolgers. Maar laten Wij u ook herinneren aan andere namen, die de Heer aan Petrus heeft willen geven om andere genadegaven (charismes) aan te duiden".
Het was voor iedereen duidelijk, wat Paulus VI daarmee bedoelde. Met dit beroep op het Petrusambt herhaalde hij zijn aanspraak op het absolute leergezag en de absolute bestuurs- en rechtsmacht over alle gedoopte christenen, ook over de protestanten. In feite betekenden deze woorden een vermaning: Onderwerpt u aan mijn gezag, want dat is de wil van Christus. En de Schriften zelf zijn het die van mij getuigen.
Zeker, wij waarderen het dat Paulus VI zulke duidelijke taal sprak bij deze belangrijke gebeurtenis. Maar het accentueert aan de andere kant ook de geweldige durf en de rotsvaste overtuiging van de paus, dat hij zelfs in dit centrum van protestantse kerken met zoveel beslistheid opriep tot terugkeer in de moederschoot van de r.-k. kerk.
Maar het tekent tegelijk de voosheid van het protestantisme, althans zoals dat zich openbaart in de Wereldraad van Kerken. Waarom heeft dr. Blake niet met evenveel beslistheid deze pretentie van de hand gewezen? Hij had dat kunnen doen zonder enige onvriendelijkheid, met dezelfde rust en overtuiging, waarmee Paulus VI zijn aanspraken formuleerde.
Hoe geheel anders heeft Calvijn geantwoord op kardinaal Sadoletus, die Geneve weer wilde winnen voor Rome. Rome is sindsdien wezenlijk niet veranderd. Weer klonk in de stad van Calvijn dezelfde vermaning om in de paus de plaatsbekleder van Christus te zien, het hoofd van de enige, ware kerk op aarde.
Maar het protestantisme, althans dat van de Wereldraad van Kerken, is wèl wezenlijk veranderd. Wie kan nog enig respekt opbrengen voor deze weke beweging, deze religie zonder ruggegraat?
De bewoordingen van ds. Hegger liegen er niet om. Wij menen niettemin dat hij gelijk heeft. Rome is Rome gebleven, ook bij dit pauselijk bezoek. Maar wij hebben weer kunnen zien hoe weinig beslist topfiguren uit de Protestantse kerken deze onschriftuurlijke aanspraken tegemoet zijn getreden.
Ook dr. Buskes is diep teleurgesteld over deze ontmoeting. Hij kan het enthousiasme van mensen als Visser 't Hooft en Blake over de betekenis van dit bezoek niet delen. De pauselijke uitspraak „Onze naam is Petrus" doet ook voor hem de deur dicht en maakt naar zijn mening elke dankbaarheid onmogelijk. Buskes schrijft in „Hervormd Nederland" van 9 augustus:
Onze naam is Petrus!
Dat is dan toch maar het visitekaartje, dat de paus in Geneve op het bureau van de Wereldraad afgegeven en achtergelaten heeft.
Men moet bij deze woorden, zegt dr. Visser 't Hooft, wel denken aan het Vaticaans Concilie van 1870, waar het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid werd afgekondigd. Dr. Visser 't Hooft zei ook: „Wij weten van deze paus dat hij de Petrussuccessie geweldig onderstreept. Ik vind het goed, dat dit niet wordt verdoezeld, maar van onze kant moet ook heel duidelijk gezegd worden, dat wij deze aanspraak onmogelijk kunnen aanvaarden".
Dat is duidelijke taal. Minder duidelijk was dr. Blake, die zegt, dat met deze woorden de weg naar verdere discussie niet gesloten, maar geopend is. Persoonlijk ben ik geneigd het tegendeel te beweren: met deze woorden is de weg naar verdere discussie niet geopend, maar gesloten.
Onze naam is Petrus! Toen ik die woorden las, was voor mij de aardigheid er af. Dit is en blijft dan toch maar de pretentie van de paus. Nu kan men deze woorden natuurlijk wel in oecumenische watten verpakken, maar daar veranderen ze niet door. Met hoeveel persoonlijke bescheidenheid ze ook worden uitgesproken, ze betekenen in feite, dat er bij paus Paulus in wezen niets veranderd is.
Toen Karl Barth paus Paulus bezocht had, vertelde hij later: „De paus is een heel gewone man, net als u en ik, en hij zei zo maar tegen mij, zonder dat ik er om gevraagd had: wat is het toch zwaar om de sleutels van Petrus te dragen. Weet u wat ik heb geantwoord? Kan ik me voorstellen".
Paus Paulus kan zoveel bezoeken aan de Wereldraad van Kerken brengen als hij wil. Hij kan ook een heel gewone man zijn, net als u en ik. Maar zolang hij zich aan ons voorstelt met de woorden: „Onze naam is Petrus", vraagt hij toch eigenlijk van alle kerken slechts één ding: hem als Petrus en dat wil voor hem zeggen: als stedehouder van Christus, die de sleutels van het Koninkrijk Gods in handen heeft, te erkennen.
Dit pauselijk verzoek kunnen wij, ondanks onze grote dankbaarheid over heel veel, dat in de verhouding van de Rooms-Katholieke Kerk en onze Protestantse Kerken aan het veranderen is, alleen maar met een voor geen misverstand vatbaar neen beantwoorden.
We menen dat het nodig is deze zaken duidelijk te stellen. Het is verdrietig telkens weer te moeten constateren dat Rome ondanks alle vernieuwing, herinterpretatie, aanpassing aan het moderne levensklimaat, meerdere bijbelstudie in wezen zichzelf gelijk blijft en vast blijft houden aan allerlei pretenties. Men kan natuurlijk zeggen: Deze paus is de gehele roomse kerk niet. Accoord, maar we dienen toch voorzichtig te zijn om al te zeer b.v. de nederlandse kerkprovincie als een uitzondering te beschouwen. Het is bovendien zeer de vraag of deze nederlandse kerkprovincie dit zelf wil. Zolang hier over geen klaarheid is — en hier kan alleen klaarheid over komen wanneer de gehele r.k. hiërarchie op de helling komt, inclusief het pauselijk primaat! — dienen, zonder de ogen te sluiten voor het veranderd klimaat, te gelijk zeer nuchter te zijn in onze beoordeling. Het pauselijk bezoek aan Geneve heeft nogmaals duidelijk gemaakt hoezeer de uitspraken van de Schrift gebonden zijn aan de uitleg van het leergezag, d.w.z. hoezeer de traditie heerst over de Schrift.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's