Van noodgemeente tot gewone gemeente
In dit artikel en in het artikel, dat in het volgend nummer wordt opgenomen, vindt u een neerslag van de besprekingen in het hoofdbestuur over de z.g. noodgemeenten in onze kerk. Red.
I.
a. Het richtingsvraagstuk is een heel lange en nijpende geschiedenis in de kerk geweest. Zolang als onze kerk bestaat zijn er soms tegengestelde, soms min of meer evenwijdiglopende richtingen of stromingen in de kerk geweest. Ook de huidige groeperingen zijn tot in de vroegste geschiedenis van de kerk weer te vinden. Het is in vele gemeenten onder de oppervlakte gebleven, zolang men zich hield aan de zeggenschap van de volstrekte meerderheid. De minderheden of één bepaalde minderheid stond niets open dan zich te onderwerpen aan de meerderheid. In kleine gerneenten zaten er de verscheidenheden, maar tot een zich organiseren kwam het niet. Het is soms aan goede en wijze predikanten gegeven geweest, de gehele gemeente met haar stromingen, soms zelfs met haar tegenstellingen, te vergaderen en bijeen te houden. Daar zijn in kleine gemeenten, bijzonder in het noorden van ons land, niettemin vele evangelisaties ontstaan, die een buitenkerkelijk leven boden, dat de allure aannam van een officiële gemeente. Later zijn in andere delen van het land richtingsevangelisaties ontstaan binnen de rechtzinnigheid. Dit geschiedde doorgaans in grotere dorpen en in de steden, waar zulk een richting niet aan haar trekken kwam. In meermans gemeenten, bijzonder in de grote steden werd om de frustratie, die verkiezingen brachten, althans binnen de rechtzinnigheid, een evenredige vertegenwoordiging toegepast. De groepen stemmers en de groepen kerkgangers waren te groot om hen te negeren. Bij zulk een evenredige vertegenwoordiging werd echter de zaak niet opgelost. Allerlei schermutselingen en touwtrekkerijen bij benoemingen en beroepingen bleven. Het richtingsvraagstuk bestond in stad en land. Het bestond ook daar, waar minderheidsgroepen zich niet organiseerden, maar er nochtans waren, ook al vroeg niemand hunner iets.
b. In de oorlog, toen vooraanstaande mannen in een concentratiekamp elkander vonden, hoewel zij tegenstanders waren, werd de Noodraad opgericht. Men achtte dit de nood, dat men met elkander geen gemeente kon zijn in dezen zin, dat men aan elkander, zoals men was, geen plaats wilde geven. Dit werd het grote ideaal, dat nagejaagd werd. Aan het kerkzijn in de zin van de belijdenis dacht men weinig. Men meende, dat men aan de eis des Evangelies voldeed, als men elkander nam, zoals men was. Het woord: „Aanvaard elkander, gelijk Christus u aanvaard heeft", las men zo, dat het scheen, alsof Christus degenen, die Hij aanvaardde, liet zoals zij waren. Alsof daar niet op volgde een bekering en een nieuwe gehoorzaamheid. Later is wel gebleken, dat toch rechts links niet aanvaarden kon en dat toch ook links rechts niet aanvaarden wilde. Althans bleek dat men bij het aanvaarden van mensen en groepen toch niet hun opvattingen nemen kon, óf dat men bij zulk aanvaarden zo zeer elkanders ideeën aanvaardde, dat men zelf eigen standpunt verloor. Van deze verkleuring werd zowel bij links als bij rechts in de eigen kringen door velen niet met dankbaarheid nota genomen. Dit is zeker, dat de hoop bij vele rechtsen om door gezamenlijk op te trekken en te werken de kerk meer rechtzinnig zou worden, slechts formeel in vervulling is gegaan. Wel werden vele vrijzinnige gemeenten rechts, maar de kerk werd in haar geheel veel meer vrijzinnig.
Een niet onbelangrijke en ernstige poging om de gemeenten te saneren en de tegenstellingen weg te werken werd ondernomen door de uit Ethische kring opgekomen beweging van „Gemeente-opbouw". Men wilde de kerk in haar geheel zien als één gemeente en men wilde de plaatselijke gemeente weer zien worden tot één gemeente. Men was zich terdege bewust, dat veel van Gods Woord was afgegleden. In het samen plaats nemen rondom één tafel, in het samen gaan zitten rondom de open bijbel, zij het dan als gelijkgerechtigden, zag men heil voor de kerk en voor de gemeente. Met ernst heeft men zich gezet tot het gesprek en de bijbel, althans stukken uit de bijbel, vormden het onderwerp van het gesprek. Het valt wel op, dat de keuze meer viel op éénheid en verscheidenheid in de gemeente als in Efeze 4 en Filippenzen 2 dan bijvoorbeeld op de Galatenbrief, waar toch nogal lijfelijk het geloof aan de orde gesteld wordt. Het gesprek, het zitten rondom één tafel is daar van over gebleven, het zitten rondom de open bijbel is, dacht ik, maar ten dele overgebleven. De zaak is er niet mee opgelost. Reeds Maurits wist al, dat met praten geen geloofstegenstellingen overbrugd kunnen worden, toen OldenBarneveld hem voorsloeg een Godsdienstgesprek te organiseren.
c. Via een werkorde groeide men naar het vervaardigen van een kerkorde. De Noodraad had haar stukken op tafel gelegd. Men poogde door kerkordelijke bepalingen, zij het dan door overgangsbepalingen, een mogelijkheid te scheppen voor het ontstaan en voor het zelfstandig bestaan van richtingsgemeenten — voor hen die een andere modaliteit van prediking en catechese begeerden, zoals het heette. Naar artikel 238 werd de mogelijkheid geschapen om, zonder goedvinden van de plaatselijke kerkeraad, een noodgemeente te vormen, naar artikel 235 de wijkgemeente in wording, mèt de wil van de plaatselijke kerkeraad. Artikel 235 zou slechts enkele malen worden toegepast, artikel 238 ettelijke malen. De Noodraad deed haar zorg en bemoeienissen over aan de Generale Visitatie. De provinciale visitatie en de generale visitatie kregen de zaken der minderheden in de gemeenten met de minderheidsgroepen en de plaatselijke kerkeraden te behandelen en de generale visitatie kreeg de taak bij de Synode te adviseren. De Generale Synode kreeg de beslissing of een 238 gemeente zou ontstaan of niet. Dat was voor de Synode geen aangename zaak, om over de plaatselijke kerkeraden heen te moeten grijpen, te meer waar de presbyteriale grondlijn van de kerkorde dit niet toeliet. De vrijheid van de plaatselijke gemeente is een hoog goed en het recht van de plaatselijke gemeente is zeker een hoog goed.
d. De artikelen 238 en 235 werden veranderd bij kerkordewijziging in II 10a en nieuw 235. Veel veranderde er niet en ook deze artikelen bleven in de overgangsbepalingen. In elk geval bleek „overgang" niet te betekenen terug naar de oude situatie, maar vooruit naar een nieuwe situatie. Nog werd een jaarlijks te houden gesprek voorgeschreven tussen de kerkeraad van de wettige gemeente en die van de noodgemeente, onder leiding van de Generale Visitatoren, om de twee gemeenten leerstellig meer tot elkander te brengen. Wij vinden hier een oude herinnering aan Gemeente-opbouw. De gesprekken werden gehouden, maar brachten, voor zover wij weten, geen uitkomst in één van de betrokken gemeenten. De zaak bleef zoals zij was, dus nog steeds in het kader van de voorlopigheid.
Wat geen voorlopigheid was, dat was de financiële inschakeling van de predikanten van de noodgemeenten en de rechtspositie van de betrokken predikanten. Zij gingen niet met emeritaat, zij werden beroepen, draaiden desgewenst mee in de ringbeurten, verschenen in ringvergaderingen en in classicale vergaderingen en traden in volle rechten van dien. Maar de rechten van de plaatselijke gemeenten waren geschonden! Daar verschenen op hun territoir volledig nieuwe en onafhankelijke gemeenten, met eigen doop- en lidmatenboeken, waarin ieder kon worden opgenomen, die dat wenste, gemeenten ook met eigen financieel beheer.
e. Nu wil men de overgangsbepalingen opnemen in de kerkorde zelf. Dat kan niet, of men moet twee gemeenten in de ene gemeente naast elkander wettigen, maar dan met waterdichte schotten. Een bijzondere moeilijkheid vormden hierbij die noodgemeenten, die niet topografisch bepaald zijn, als Middelharnis en St. Maartensdijk. Er blijven dan gescheiden doop- en lidmatenboeken, anders zal de ene gemeente toch de andere gemeente kunnen overstemmen. Ziet een minderheidsgroep door migratie van bevolking kans de meerderheid te krijgen en de autochtone bevolking te overstemmen, dan zal zij zo'n gescheidenheid van administratie gaarne weg willen werken. De ervaring heeft wel geleerd, dat bij omkering van de verhoudingen, een vroegere meerderheid van hen, die eertijds minderheid waren, weinig goeds te verwachten heeft. Wat is richtingsstrijd een felle zaak! Wat zijn de tegenstellingen groot in onze kerk!
f. Zien wij wat de pers uit het midden der kerk geeft, dan zal de oplossing van noodgemeente naar gewone gemeente er wel komen. Ook in de Confessionele Vereniging, onder wier naam veel middenorthodoxe noodgemeenten zijn ontstaan, beijveren sommigen zich om nu reeds zich voor de wettiging van de noodgemeenten te verklaren. Zij kunnen weten, dat hun argumentatie over oude vertaling, oude psalmberijming, horizontalisme, slechts een dunne bovenlaag van de geschillen raakt. Zij kunnen weten, dat hun zaak, namelijk de Confessie, ten diepste in het geding is. Naar onze bescheiden mening, wordt hier het beginsel van Artikel X opgeofferd aan een zekere gezindheid, die in overeenstemming wil leven met de overheersende middenorthodoxie in de kerk. Hier wordt een oud recht van de gemeente, dat reeds geschonden is, niet hersteld. Integendeel wordt aan de schending van het recht der plaatselijke gemeente kracht van wet verleend. Deze schending raakt prediking, catechese, herderlijke zorg en het opzicht van plaatselijke kerkeraden. Ook waar de Gereformeerde Bond in een minderheidspositie verkeert, zouden wij zulk een wettiging niet wensen.
Groot-Ammers W. L. Tukker
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's