DE HEERLIJKMAKING (1)
De heerlijkheid is geen eigenschap van God. Wel wordt God in de Bijbel de God der heerlijkheid genoemd. Zo in Handelingen 7, in de rede van Stefanus, zijn afscheidsrede van dit leven. In het begin van die rede wordt God genoemd de God der heerlijkheid, zoals Hij verschenen is aan onze vader Abraham.
Alles, wat aan God is, is heerlijk. Zo speelt de heerlijkheid a.h.w. achter al de deugden Gods, achter al Zijn eigenschappen. Alles wat God maakt is heerlijk, wat Hij maakte, wat Hij maakt, alles wat Hij herschept is heerlijk. Zijn rijk wordt genoemd het rijk der heerlijkheid; en de staat waarheen Hij Zijn gemeente voert, wordt genoemd de staat der heerlijkheid. Hij is dan een heerlijk God. De indruk die van Zijn verschijningen achter gelaten wordt, en de indruk die achtergelaten wordt van Zijn openbaringen, laten zodanige majesteitelijke indruk achter, dat ieder die Hem gezien heeft, die Zijn stem gehoord heeft, die Zijn voetstappen gezien heeft in zijn leven, zal moeten erkennen: wij hebben een heerlijke God. Als God b.v. verschijnt aan Mozes bij de braambos, als Hij daar Zijn Naam, niets anders dan Zijn Naam openbaart, maar daarin ook Zijn Wezen legt, Zijn liefde en Zijn trouw voor Israël, waarvan Mozes de leider gaat worden, dan trekt die man zelfs de schoenen van zijn voeten vanwege de heerlijkheid van God.
Als God verschijnt op de berg, waar Mozes met God mocht spreken, aan Elia, dan maakt dat zo'n indruk op Elia, dat zelfs als God voorbij gegaan is, hij met een bewonden gezicht staat vanwege de heerlijkheid van God. En dan herinnert ons die verschijning op de Horeb aan Elia, aan het verschijnen van God aan de eerste mensen, Adam en Eva in het Paradijs, waar Gods nadering gehoord werd aan de wind. En we denken aan dat geweldige psalmwoord, dat God wandelt op de vleugelen van de wind. Onze God is heerlijk! En als in het laatste bijbelboek, nadat al dat heil wat geopenbaard is aan de gemeente Gods door de eeuwen heen zijn samenbundeling vindt, en Johannes op Patmos de eeuwen mag overzien, dan mag hij ook zien in de hemel de heerlijkheid Gods. En als dan in de Openbaringen van Johannes beelden gezocht worden om de heerlijkheid, die rondom God is, te beschrijven, dan grijpt de evangelist naar beelden aan Genesis 3 ontleend.
God is de God der heerlijkheid, namelijk God de Vader.
Nu de Zoon. Christus wordt genoemd het afschijnsel van Gods heerlijkheid, het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid. Hij kan dan ook zeggen: „Wie Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien". Christus is de heerlijkheid Gods op aarde, de openbaring van de heerlijkheid Gods in het midden van een zondige wereld. Verhulde heerlijkheid, maar heerlijkheid — straks. Wel te verstaan, vlak voor de ingang van Jezus' lijden, gaat Hij naar de berg der verheerlijking. Dan wordt daar de heerlijkheid Gods even geopenbaard, die straalt door alles heen, door heel de knechtsgestalte van de Zoon. En dan mogen de discipelen zien Hem, Die nu van al Zijn heerlijkheid ontdaan gaat worden. Zij mogen Hem nu even zien als de heerlijkheid Gods. Er staat dat Zijn kleren zijn witter dan sneeuw; en dat Zijn aangezicht blinkt als de zon.
Dan lezen we in de profetie van Jesaja: „Hij had geen gedaante noch heerlijkheid". Maar in hetzelfde hoofdstuk wordt in het eind geprofeteerd, dat door deze nederdaling van de Christus heen Hij een heerlijk loon zal ontvangen. Daar wordt van Hem geprofeteerd dat Zijn rust heerlijk zal zijn. Daar wordt van Hem geprofeteerd: „Mijn Knecht, de Rechtvaardige, zal velen rechtvaardigen, en Hij zal de machtigen als een roof delen". Daar komt in het zicht de staat van Jezus' verhoging bij Zijn opstanding uit het graf. Toen Hij op aarde gekomen is, was al wat Jezus deed ten bate van Zijn Kerk, en ook al de heerlijkheid, die Jezus verwierf, was de heerlijkheid, waarmee Zijn Kerk bedeeld zou worden.
Toen Jezus op aarde kwam, werden de herders omschenen door het licht. Dat was licht zonder schaduw; in de hemel omschijnt een licht, en daar gaat het volle licht van de heerlijkheid op. Als Christus in het vlees komt, en bijzonder in de staat van Zijn verhoging, als Hij opstaat uit de doden, dan begint dat licht, die heerlijkheid des Heeren, die Hij verworven heeft voor Zijn gemeente, af te stralen, en over de gemeente te komen, want alles wat Jezus verworven heeft, dat is voor Zijn gemeente. Elke trap van Zijn verhoging maakt de heerlijkheid van Jezus groter, maar ook elke trap van Zijn verhoging garandeert nieuwe heerlijkheid voor Zijn gemeente.
Door de opstanding van Jezus Christus uit de doden mogen zondaren achter Hem opstaan uit het graf der zonde. Daar komt het nieuwe leven, heerlijkheid voor de gemeente. Ook is Zijn opstanding een zeker pand van onze zalige opstanding, straks in de morgen der verrijzenis, zodat uit het graf het licht van het leven begint te stralen, 't Is geen wonder, dat er in al de Evangeliën staat in het opstandingsevangelie, dat het was in de morgenstond, dat het was tegen het lichten van de dag. De dag breekt aan, de dag, die de profetie in zich draagt van de morgen van de opstanding.
Als Jezus op de tweede trap van Zijn verhoging komt n.l. van Zijn Hemelvaart, dan is het nieuwe heerlijkheid, die Hij ontvangt. En de Schrift laat ons achter de wolk zien de heerlijkheid, die Hij ontvangt, bijvoorbeeld in psalm 24, waar engelen bij beurten zingen.
Verhoogt, o poorten, nu de boog,
rijst, eeuw'ge deuren, rijst omhoog,
opdat g' Uw Koning moogt ontvangen!
De Koning van de hemel gaat in. Heerlijkheid! En de Kerk heeft de belofte ontvangen: „Ik vaar op naar de hemel, en als Ik opgevaren zal zijn, dan zal Ik u tot Mij trekken". De Kerk ontvangt deze heerlijkheid uit Jezus' heerlijkheid, dat ze één keer de hemel in zal gaan. Als er engelen zingen bij elke zondaar, die zich bekeert, wat een vreugde zal er dan zijn, als alle engelen zingen als de hele Kerk van Christus inkomt in de glorie van haar Koning.
De volgende trap van Zijn verhoging, als Hij zit aan de rechterhand des Vaders, opdat Hij vandaar voor Zijn Gemeente zal bidden, en opdat Hij vandaar Zijn gemeente zal vergaderen, en opdat Hij vandaar Zijn Gemeente zal besturen en beschermen. Wat een heerlijkheid! „Mij is gegeven alle macht", in de hemel over de triumferende Kerk, en de engelen, die tot dienst uitgezonden worden van degenen, die de zaligheid zullen beërven. Wat een heerlijkheid, als Hij op de troon van Zijn Vader zit, om vandaaruit uit deze aarde de Kerk te doen uitkomen! Om maar niet meer te zeggen, als Jezus straks komt op de jongste dag op de wolken des hemels: Wat een heerlijkheid als alle vlees Hem zal zien! Verlangt uw hart daar ook naar? Dan zal Hij geopenbaard worden met al de heerlijkheid op die grote dag van Zijn toekomst. Dan zal de Gemeente Gods, alle nog in leven zijnde gelovigen, Hem tegemoet gaan in de lucht, en zij zullen altijd met den Heere wezen. Wat Hij gedaan heeft in gans Zijn komen op aarde, in Zijn gaan van de aarde tot aan de wederkomst toe, het is al heerlijkmaking van Zijn Kerk, het komt van Christus. Dat was de Vader, de God der heerlijkheid, de Zoon, de drager, de openbaring van Gods heerlijkheid.
En nu de Heilige Geest. Van de Heilige Geest lezen we niet dan alleen dat Hij de Heilige Geest is. Wij lezen niet zoveel heerlijkheid van Hem. Het is alsof ook de Heilige Geest in knechtsgestalte in deze wereld werkt, verborgen, weinig openbaar. Maar Hij doet niet anders dan ingaan in zondige harten, en Hij doet niet anders dan het werk van de herschepping, het heil in Christus aan een zondaar bekend maken, geven, en zo de gemeente als Bruidswerver voor Jezus winnen, en de gemeente als een Bruidswerver leiden door dit leven.
„Zovelen, als er door Gods Geest geleid worden, die zijn kinderen Gods." Hij leidt ze, om ze straks over te geven aan de Zoon als een wèltoebereide bruid zonder vlek en zonder rimpel. Het werk van de heiligmaking is aan Zijn handen volmaakt toevertrouwd. Hij maakt het werk heerlijk, zodat de bruid als een heerlijke bruid aan de Zoon zal worden voorgesteld. Op het laatste Bijbelblad lezen wij van die Geest a.h.w. met de bruid aan de hand: „de Geest en de bruid zeggen kom! En die het hoort zegge kom! En die dorst heeft kome, en die wil die neme het water des levens om niet". Dan komt Christus: „Ik kom haastiglijk". Dan komt Hij haastiglijk, en dan staat daar dat geweldige en diepzinnige woord: „Als alles onder Jezus' voeten onderworpen is, dan zal ook de Zoon Zelven onderworpen worden. Dien Die Hem alle dingen onderworpen heeft, en dan zal God alles in allen zijn, dan zal het einde zijn." Dat einde is het einde van het werk van de heiligmaking, van de heerlijkmaking, en het zal het begin zijn van het rijk van de eeuwige heerlijkheid, dan is het rijk der heerlijkheid volkomen.
Welnu, na het stuk der heerlijkmaking op de ankers vastgelegd te hebben in de Drieënige God, Wiens werk dit is, mogen wij verschillende dingen over dit stuk van de heerlijkmaking uiteenzetten.
Het is dan geen apart stuk in het dogma van de kerk. Doorgaans wordt het ook alleen betrokken op de eschatologie, d.w.z. op de laatste dingen, in het laatst der dagen. Ik meen dat de nauwkeurige exegese van Rom. 8 : 30 ons doet zien, dat dit ten onrechte is. Daar zijn teveel Bijbelse gegevens, en daar zijn ook teveel dogmatische gegevens om de stof van de heerlijkmaking alleen maar te betrekken op het laatst der dagen. Arme wij dan, als dat zo is, dan zou heel het werk van de heerlijkmaking moeten wachten tot die jongste dag, en dan zou er nu niets gezien worden van de heerlijkheid van de Bruidsgemeente van de Heere Jezus Christus. En dat geloven we niet; we geloven wel dat dan de kroon op het werk gezet zal worden, een heerlijke kroon; en dat er een machtig werk gewerkt wordt door God in de tijden, om Zijn Gemeente heerlijk te maken.
Welnu, laat ons nu dit werk van de Heilige Geest ordelijk bezien. De heiligmaking komt in 't algemeen niet zo druk aan het bod in de prediking. Ik moet zeggen, dat dit één van de kranke dingen van de kerken van de Reformatie is, dat ze daarin toch wel veel achter komen, bij datgene wat de Bijbel er ons van zegt. Ik meen ook, dat daarmee verband houdend het stuk van de heerlijkmaking te weinig gepreekt wordt. Er wordt zoveel geklaagd, dat er weinig gezien wordt van de heerlijkheid van de Kerk van Christus. Terecht, maar dat is goeddeels te wijten aan de prediking. Tenslotte de prediking maakt het geloof, van menselijke kant uit gezien. Als de heerlijkheid ontbreekt van de Kerk, dan doet ons dat ons veel troost derven. Dat maakt veelszins de smaad van de Kerk uit bij degenen die buiten zijn.
In alle werken Gods komt openbaar, dat God de heerlijkheid van Zijn Gemeente op het oog heeft. Alle kontakt, met God; met Zijn Kerk; met Zijn dienst; met Zijn Woord, dat maakt heerlijk. Ik hoef maar te herinneren aan de glans, die gelegen heeft op Mozes, toen hem het Woord geopenbaard is, toen hem de Wet gegeven, toen hem het Evangelie gegeven is op de berg, en hij het alles mocht maken naar het voorbeeld, dat hem op de berg getoond is. Toen lag er een glans op Mozes' aangezicht, niet alleen vanwege de tegenwoordigheid Gods, maar ook vanwege de heerlijkheid van het Woord, dat Hij gekregen heeft. Het Woord Gods is een heerlijk Woord, en het maakt heerlijk, altijd. Afgezien nog van de vraag, of we er persoonlijk door geraakt, getrokken, gezaligd zullen worden, maakt toch de omgang met het Woord in zekere zin heerlijkheid. Dat kunt u al merken, als straks het volk Israël in de woestijn volbrengt datgene, wat Mozes als opdracht gekregen heeft, en ze daar gaan bouwen aan hun tabernakel. Met ere moeten we vermelden dat ook de kunstenaars, die daaraan gewerkt hebben, Bezaleël en Aholiab, mannen geweest zijn, die een naam gekregen hebben door wat ze aan de kerk gedaan hebben. Als Israël deze heerlijke tabernakeldienst bouwt, die schone dienst gaat instellen, waarin Israël enig geweest is onder de volkeren van de wereld, dan wordt dat de heerlijkheid van het volk van Israël. Als straks dit volk in Kanaan komt, dan gaat rondom de berg, waarop de tempel gebouwd wordt, heel het volksleven zich samentrekken op dat éne. Het is de tempel, het is de dienst Gods die heerlijkheid geeft aan dit volk van Israël, die hem een enige plaats geeft onder de volkeren der aarde. Als straks de Christus komt, en de Christus met Zijn tegenwoordigheid de heerlijkheid van de tempel uitmaakt, dan is het of de schechinah van het Oude Testament, de lichtglans Gods, de wolkkolom, de vuurkolom, zichtbaar in Christus verschijnt in de tempel. Hij is de tegenwoordigheid Gods. Hij is de heerlijkheid van Zijn Gemeente.
En als dan die Kerk onder het Nieuwe Verbond uitgaat onder de volkeren, het voorhangsel scheurt en van die schone tempel er niet een steen op de ander blijft, dan houdt de kerk niets anders over dan Christus, dan het kruis, die de heerlijkheid van de Gemeente op de aarde worden. Dat mogen we vandaag ook zeggen, afgezien van de vraag of men de zaligheid beërft of niet, dat er heerlijkheid ligt in de dienst van de Kerk. De kerk is een geweldig ding, dat er zijn mag. Daar moet u nooit schimpend over spreken. Zult u het waarderen, alleen al het feit dat er een kerk is. Zult u ook in de strijd tussen de kerken de naam van de Kerk hoog houden, en dan bedoel ik niet de KERK, de levende Kerk, die zalig wordt, maar ook de kerk als instituut. Zult u de vijanden geen stokken in de hand geven om te slaan op de tente Gods?
Daar is heerlijkheid in, als het Woord van God leeft in onze huisgodsdienstoefeningen. Houdt dat in ere waar u thuis in uw gezinnen, in uw jonge gezinnen, de Godsdienstoefening betracht. Laat er thuis gebeden worden, laat er thuis gezongen worden, laat er thuis gelezen worden. Daarin is heerlijkheid, die God geeft aan een volk. Ik denk ook aan het bezit van de Godsdienst op onze scholen, bij de opvoeding van de jeugd. Dat geldt ook de universiteit. Laten onze hogescholen niet slechts wetenschap beoefenen, maar laten zij vooral de studie zien als een dienst aan God en als tegenwoordigheid Gods. Dat is heerlijkheid, die God aan een volk geeft. Als u het wilt geloven, dat is onze schechinah: de tegenwoordigheid Gods. Waar het Woord Gods is, waar ook de Kerk is met haar bedieningen, daar is de schechinah, daar woont God Nieuwtestamentisch onder Zijn volk. God woont aldaar, en wil er Zijn heil tonen. Al ware het een algemene bedeling des Geestes, het is een bedeling des Geestes, die niet te negeren valt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's