DE HEERLIJKMAKING (2)
En nu dan dat werk van de Heilige Geest in 't bijzonder. Waar de Heilige Geest gaat werken in mensenharten, en mensen wedergeboren worden tot een levende hoop, geboren worden van boven; geboren worden uit God, zou daar geen heerlijkheid in zijn? Zouden zij dan maar die arme ongelukkige zondaars zijn en blijven tot aan de doodsnik toe, zonder enige hoop, zonder enige heerlijkheid? Het mag zo niet zijn. Als de Heere komt met Zijn Wet ter overtuiging, waar Hij als het ware de toorts van Gods heiligheid houdt in het leven, en de zonde openbaart, dan krijgt men vrees voor de zonde, en lust om alle zonde te haten, en in alle gerechtigheid naar alle geboden Gods te leven. Dat is heerlijkheid. Als de Heilige Geest de vergeving van zonde in het hart gaat leggen, en men de vergeving van zonde gaat geloven, en gaat zien hoe er EEN geweest is, Die op het kruis van Golgotha tot vergeving van zonden zo geleden heeft; dan krijgt men vrees en schrik voor de zonde, en een hartelijke begeerte om niet maar naar sommige, maar naar alle geboden Gods te leven! De Heere Jezus zegt tot degene, die Hij de zonde vergeeft: „Ga heen, en zondig niet meer". Zou daar niet een reinigende kracht van uitgaan, een kracht der heerlijkheid? Ik denk aan dat prachtige woord uit psalm 103, dat Hij de jeugd vernieuwt als van een arend. Als Hij de zonde heeft vergeven, dan gaat het hele zielsleven en het lichamelijke leven daar de sporen van dragen, sporen van heerlijkheid. Als God Zijn genade geeft in uw hart, dan wordt er in dit leven reeds iets van gezien, dat hoeft niet te wachten tot de dag der heerlijkheid, tot de dag van de wederkomst. In dit leven als de vrede Gods komt die alle verstand te boven gaat, dan wordt gezien de vrede die zich meedeelt aan heel iemands wezen. Waar de heerlijkheid Gods is, daar is een blijmoedig oog, daar worden ernstige en verstandige dingen gezegd. Het is heerlijkheid Gods die God verleent, als Hij u Zijn genade schenkt: de kennis van zonde, de vergeving van zonde, het ingaan in Christus Jezus, en in Zijn offer, en in Zijn gerechtigheid. Dan wordt men gezet naast koningen, priesters en profeten; dan komt men in de rij te staan van al de heiligen uit de Bijbel. Zou er niet wat van uitgaan, als men in zulk gezelschap komt, dat men ingelijfd wordt in de gemeente van Christus, in de Kerk van Christus? 't Is geen kleine zaak om in de rij te komen staan achter de grote KONING, JEZUS CHRISTUS. Alleen al de tegenwoordigheid van deze mensen brengt het leven op een hoger plan, brengt het tot de adeldom des geloofs. En behalve dat, maakt God zelf koningen - profeten - priesters; men wordt een koning om vromelijk tegen de zonde, de duivel en zijn ganse rijk te strijden en te overwinnen. Men wordt gezet bij de priesters, bij niemand minder dan bij de grote hogepriester Aaron en zijn huis, bij niemand minder dan de grote PRIESTER onzer belijdenis, de Heere Jezus Christus, om dan ook zelve als een kleine priester het leven te offeren, geld, goed, kracht, tijd.
Dat brengt tot de adeldom des geloofs, daar is heerlijkheid in de gemeente van Christus. En zeker dan, als men als profeten in het geslacht van de profeten Zijn Naam gaat belijden, als men van vloeker belijder wordt, dan gaat men spreken van Zijn God, van zijn Zaligmaker, van zijn Koning. Dat maakt eveneens de heerlijkheid van de Kerk uit, reeds in dit leven.
Overal waar het ware geloof openbaar komt, daar zal tegelijkertijd, naar de mate dat men gelooft, de heerlijkheid des geloofs zich openbaren.
Dat wij met de heerlijkheid niet alleen maar te doen hebben met de eschatologie, de leer der laatste dingen, dat moge wel blijken uit de werking van de genade door heel het leven heen.
Daar is in de eerste plaats het kontakt wat de gelovigen hebben met de hemel. Als men bidt, dan is dat toch ten diepste dit, dat men zijn ziel verheft tot God, zodat men in de geest verschijnt voor Gods troon. Als men het Avondmaal viert, dan staat er in het formulier, dat de gemeente haar harten verheft omhoog in de hemel. In beide gevallen treedt men dus in de geest tot voor Gods troon, en verschijnt men in het midden van de engelen. Daar is zelfs een verkeren met de engelen op deze aarde; als de engelen gezonden worden in het Oude en Nieuwe Testament, dan is dat voor de gemeente van nu een troost, dat zij kan weten, dat de engelen niet op non-aktief gezet zijn, maar dat de engelen nog heden ten dage werken tot dienst van degenen, die de zaligheid beërven. Dan zijn zij daar dus, en men zingt, dat Gods engel een onverwinb're hemelwacht stelt rondom hem die Gods wil betracht, dus is hij wèl bewaard. Dat zijn de hemelgeesten.
Als men de nagedachtenis viert van de heiligen uit de Bijbel, als men de nagedachtenis bewaart aan de heiligen uit de geschiedenis van de Kerk, en aan de heiligen uit uw eigen leven — misschien wel eigen vader of moeder die in de hemel zijn — dan heft men toch zijn harten en gedachten op tot in de hemel. Nu is er evenzeer een gemeenschap der heiligen, zodat men zich gemeen voelt met alle de heiligen, die op dit ogenblik de aarde bevolken, bekenden en onbekenden, maar ook met degenen die later leven zullen. En dan kijkt men vooruit naar het kroost en naar de kleinkinderen, en men beziet ze in hope. En men verwacht en ziet uit naar de komst van de aankomende geslachten in het koninkrijk Gods en vindt ook daar de gemeenschap der heiligen. Het kan niet anders, of daar wordt in die gemeenschap ook begrepen de gemeenschap met de triumferende Kerk in de hemel. Paulus zegt: „Wij hebben onze wandel in de hemelen." Wat dunkt u: zou dat niet het hart hemelsgezind maken, zou dat niet los maken van het stof der aarde, waarvan men moet klagen: „hoe kleeft mijn ziel aan het stof"; zou dat niet een stuk heerlijkheid verlenen reeds in dit leven? En als het zo mag zijn, dan zal men wel met Paulus zeggen: „Ik wenste wel om ontbonden te zijn, om met Christus te wezen, want dat is verreweg het beste". Die ogenblikken heeft Paulus niet zo vaak gehad misschien, en de kerk van nu zal die ook niet zo vaak hebben; maar ongelukkig als die ogenblikken er nooit zouden zijn.
Welnu, als dat zo is, dan drukt God in die begeerte iets van de hemelse heerlijkheid, van het burgerschap van het koninkrijk der hemelen in de ziel, maar ook op het wezen van de mens.
De heerlijkmaking in dit leven, en ook straks de heerlijkmaking in de hemel, houden verband met de strijd tegen de zonde.
De heiligmaking en de heerlijkmaking gaan met elkander hand in hand in dit leven. Gode zij dank als iemand een nauwgezet leven mag hebben door de Heilige Geest, een nauwgezet leven in zijn kerkelijke doeningen, onder het Woord, onder heilige Sacramenten, in de dienst der gebeden, in de gemeenschapsoefening met de heiligen der gemeente. Dit zijn dingen die de Heere voor ons nederlegt, opdat wij medearbeiders Gods zouden zijn, aan de heerlijkheid der gemeente. En de Heere beloont het zo in dit leven. Hij beloont het zo aan degenen die Hem dienen. Dit behoeft niet te wachten tot het openbaar zal komen straks in de oordeelsdag. Het zal nu in dit leven reeds blijken, dat degenen die Hem gediend hebben, dan toch maar grotelijks onderscheiden zullen worden van degenen, die Hem niet gediend hebben.
Als men God niet dient, dan kan men er zeker op rekenen, dat er geen loon maar straf zal zijn. En als men Hem heeft mogen dienen door de genade Gods, dan zal men het weten, dat de arbeid gedaan in den Heere niet ijdel is. Wij mogen dit zeggen van de dienaren van de Kerk, zij dienen gelukkig niet om brood of om loon. De kerk is een tamelijk arm instituut in deze wereld, en dat is maar goed ook. Waar de Meester arm door dit leven gegaan is, daar is het maar goed, dat de Kerk niet te veel wereldse schatten heeft uit te delen, maar wel dat éne. De Meester heeft ze zonder buidel en zonder male uitgezonden en Hij heeft goed voor hen gezorgd. De kerk heeft een rijke Koning, Die goed voor Zijn knechten zorgt. Wij denken met eerbied en achting aan de mannenbroeders ouderlingen, die zoveel onbezoldigde arbeid verrichten. Wij denken bijzonder aan degenen, die dat in de vreze Gods doen, om des Heeren wil, om des Woords wil, tot opbouw van het geloof van het Sion Gods. Zij zullen het ondervinden in de vrede in hun geweten, in het gezag wat God ze geeft over de zielen, dat God heerlijkheid verleent aan Zijn Kerk; aan haar ambten en aan haar ambtsdragers, èn aan haar leden. God maakt Zijn volk heerlijk door middel van de Kerk.
En nu tenslotte, de heerlijkmaking in het einde. Het sterven dat is niet altijd even getroost, en het sterven is niet altoos een pijnloos sterven. Het is vaak een afsterven, afsterven van de zonde. Het sterven kan ook voor een christenmens soms zo zijn, dat de lamp des geloofs niet altijd even helder brandt, maar het sterven van een christen kan zijn als bij Jakob. Kostelijk als een vader zijn kinderen mag zegenen, als hij ze één voor één een woord mee mag geven, als hij profetisch mag spreken vanuit het profetisch ambt van Christus. Dan zal dat woord gestand gedaan worden!
Vaders, als gij straks op uw sterfbed ligt, zult u dan voor het eerst een zegen tot uw kinderen moeten zeggen, of hebt ge dat in uw leven ook gedaan? Als gij het in uw leven nooit gedaan hebt, dan zult u het op uw sterfbed niet kunnen doen. Kostelijk als men zijn kinderen in hun leven weet te vermanen, bij de dingen Gods te leven. Als u één keer op uw sterfbed ligt, en u moogt dan zo afscheid nemen van uw kinderen, dat u ze een zegen Gods moogt meegeven, dan komt over dat sterfbed het licht van de hemel reeds stralen. En zo hebben we ze gezien, stervenden, die de heerlijkheid reeds door hun sterven heen ontvingen. Daar was een blijmoedig oog, daar was een opzien tot de God, Die leeft in eeuwigheid, en Die de dood heeft verslonden tot overwinning. Waar dat leeft op de grenzen van dood en eeuwigheid, daar doet de kerk een krachtig getuigenis. Daar geeft God heerlijkheid aan Zijn Kerk, dat ze mogen ingaan als koningen, als overwinnaars, dat ze mogen ingaan als priesters die hier op aarde geleerd hebben hun leven Hem te wijden, om dat nu in de eeuwigheid volkomen Hem te gaan wijden. Dan mogen zij ingaan als profeten: „Kom Heere Jezus, ja kom haastiglijk". „De Geest en de Bruid zeggen: Kom”.
Zie, dat is de heerlijkheid, die God verleent in het sterfuur. Wij vergeten ook niet degenen, die stil heengaan, maar in hope heengaan. „De hoop nu die gezien wordt, is geen hoop, maar indien iemand hoopt hetgeen hij niet ziet, zo verwacht hij het met lijdzaamheid." Dat is ook een getuigenis.
En dan straks de opstanding des vleses als de Koning komt. De Koning komt met Zijn vele duizenden van engelen, de engelen, die op aarde gezonden waren tot dienst dergenen, die de zaligheid beërven. Dan zal de wereld vrezen, het ongeloof vluchten. En zij zullen zeggen tot de bergen valt op ons, en tot de heuvelen bedekt ons voor het aangezicht des Heeren. Dat zal alle ongeloof zeggen. Men hoeft de ongelovigen nooit te benijden, want dan komt de ure waarop alleen het geloof zal blijken eeuwigheidswaarde te hebben. Dan zal de heerlijkheid der vromen op het luisterrijkst te voorschijn komen. Dan zal alle oog Hem zien, Hem. Zij zullen zien de opstanding, de heerlijkmaking, waar de Kerk van Christus aan het volmaakte en heerlijke lichaam van Christus gelijk zal worden, 't Is geen wonder dat het genoemd wordt de morgen der verrijzenis, de morgen van een dag waar geen einde aan komt. De morgen der verrijzenis, waar zij de Koning zien en waarin het graf de doden zal wedergeven, en de zee haar doden zal weder geven, en de hel hare doden zal wedergeven. Als de doden staan voor God, dan moet gij acht geven op het verschil tussen dien, die God gediend heeft, en dien, die Hem niet gediend heeft. Dan zal de oordeelsdag komen en de boeken open gaan, en het boek des levens des Lams open gaan. Degenen, die God niet gediend hebben en geweigerd hebben om het Bloed des Nieuwen Testaments rein te achten, toevlucht te zoeken in dat reine Bloed van de Zaligmaker, die zullen al de onreinheid van de zonde dragen als tekenen op hun gelaat, als tekenen op hun handen, als tekenen in hun ogen, als tekenen aan lichaam en aan ziel. Ongereinigd, niet gewassen door Zijn Bloed, ongereinigd, niet vernieuwd door Zijn Geest in een leven van heiligmaking! Die nooit de sporen van het geloof en van de hoop, en van de liefde vertoonden in de heerlijkmaking, die zullen dan in hun armoede staan voor God en voor aller ogen.
Dan schiet er geen slachtoffer over voor de zonde, en dan zal de heerlijkheid van degenen, die op Hem gehoopt hebben, hun schrik zijn.
En die op Hem hun vertrouwen gesteld hebben, zij gaan in in het eeuwige leven.
Wat zullen wij daar nog van zeggen. Daar zegt ons de Bijbel van: „Wat geen oog gezien heeft, wat geen oor gehoord heeft, wat in geen mensenhart is opgeklommen, dat heeft God weggelegd voor degenen, die Hem liefhebben.” Weggelegd!
Hebt gij Hem lief, dan ligt er wat voor u gereed, namelijk om altijd met de Heere te zijn, met deze heerlijke God, de VADER, de ZOON, de HEILIGE GEEST. En dan zal daarin uw heerlijkheid bestaan, dat God in u Zijn beeld ziet en herkent, dat Beeld wat de Kerk ontvangt, wat de Kerk is. Dan zal dat beeld, waarmee zij dan verzadigd wordt, van heerlijkheid tot heerlijkheid vervuld worden als van des Heeren Geest, en dat voor eeuwig. Eeuwig leven uit Die God, bij Wie eeuwige barmhartigheid is, d.w.z. barmhartigheid die zich eeuwig rijker - voller - liefderijker openbaart in de hemel der heerlijkheid. Dan zullen al Gods fonteinen eeuwig wellen.
Hier past ons eerbiedig te zwijgen over die heerlijkheid, die zeker het deel zal zijn van al degenen, die Jezus' verschijning in onverderfelijkheid hebben liefgehad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's