Van noodgemeente tot gewone gemeente
II
In het vorig artikel onder deze titel heeft ds. W. L. Tukker een overzicht gegeven van de geschiedenis en de huidige positie van de zg. noodgemeenten. Uit deze beschouwing bleek dat er een ontwikkeling is geweest in de formele kerkelijke status van de minderheidsgroepen, die in 1970 — bij Synodebesluit — wel eens zou kunnen uitlopen op „promotie" van noodgemeente tot gewone gemeente.
In de volgende kolommen willen we op de zaak die hier in 't geding is en de situatie die zou ontstaan wanneer deze ontwikkeling onverhoopt doorgang zou vinden, nader ingaan.
De huidige situatie vatten we nog eens kort samen.
In een aantal kerkelijke gemeenten bestaat een noodgemeente als „buitengewone wijkgemeente in wording". De vorming hiervan is mogelijk gemaakt door de in 1965 aangenomen overgangsbepalingen bij de Kerkorde, waarover in het vorige artikel reeds het nodige is gezegd. Wanneer in een kerkelijke gemeente „een aantal lidmaten behoefte heeft aan een andere modaliteit van prediking en catechese dan ter plaatse wordt gevonden" en wanneer door de plaatselijke kerkeraad hieraan geen ruimte wordt gegeven, kan het Breed Moderamen van de Generale Synode via de provinciale kerkvergadering overgaan tot het institueren van een buitengewone wijkgemeente in wording. Door zodanig ingrijpen van de hogere organen worden minderheidsgroepen die zich niet onder de plaatselijke prediking wensen te stellen en niet in de gemeente worden geïncorporeerd als 't ware toch in de kerk ingeschakeld maar nu buiten de verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerkeraad om. De grenzen van zo'n buitengewone gemeente zijn dezelfde als van de centrale gemeente. Dit betekent dat naast de geografisch bepaalde wijkgemeenten, waarvan de grenzen bepaald worden door wegen en straten, een nieuw type gemeente verschijnt, namelijk één die niet geografisch is bepaald maar categoriaal, naar modaliteit. Afgezien van een periodiek verplicht gesprek tussen de kerkeraden van de centrale gemeente en de buitengewone, leven beide gemeenten praktisch volkomen gescheiden van elkaar.
Zoals bekend, lopen de overgangsbepalingen, die het tot stand brengen van een buitengewone wijkgemeente in wording regelen, in 1970 af. De synode zal zich dus op de situatie opnieuw moeten beraden. Het is mogelijk dat de synode besluit om de termijn van de overgangsbepalingen te verlengen, dan verandert er in de huidige situatie niets. Het is ook denkbaar — en er zijn berichten in de kerkelijke pers die dat bepleiten — dat de overgangsbepalingen worden afgeschaft en het „in wording" gaat verdwijnen. In dat geval zou de buitengewone gemeente in wording in de centrale gemeente worden geïncorporeerd en een vertegenwoordiging in de centrale kerkeraad krijgen. Deze oplossing zouden we een heilloze weg achten. Meer dan reeds is gedaan door de vorming van de buitengewone wijkgemeenten in wording, zou op deze wijze worden ingegrepen in de rechten van de plaatselijke gemeente. Een reeds bestaand onrecht zou daarmee worden bekrachtigd. Dit is meer dan een formele, juridische kwestie. Weliswaar aanvaardt de synode of de provinciale kerkvergadering reeds nu de verantwoordelijkheid voor de noodgemeenten, maar bij afschaffing van de overgangsbepalingen zou de noodsituatie in feite normaal en wettig worden verklaard. En daarmee zou in veel gevallen een prediking die afwijkt van het belijden der kerk in gelijke rechten worden geplaatst met een prediking naar Schrift en belijdenis. Een oplossing als deze past wel in de modaliteiten visie (die de gehele kerk in zijn verschijningsvorm aanvaardt zonder dat de richtingen op hun waarheidsgehalte worden getoetst), maar is niet naar de Schrift. In de kerk behoort de waarheidsvraag op de eerste plaats te staan. In Joh. 18 : 37 getuigt Christus voor Pilatus: Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou" en in 1 Tim. 3 : 15 noemt Paulus de gemeente „een pilaar en vastigheid der waarheid”.
Bewegen de richtingen zich dan niet binnen art. 10 van de kerkorde? Helaas is het niemand duidelijk geworden wat de kerk ziet als de grenzen van het belijden volgens art. 10. We zijn ons er van bewust dat de leertucht één van de moeilijkste taken van de kerk is. Maar het is even duidelijk dat opsplitsing van de gemeenten met het confessioneel karakter van de kerk ten enemale onverenigbaar is. Honorering van de modaliteiten visie sluit een oplossing naar het Woord Gods bij voorbaat uit. Wat kan er op deze wijze nog terecht komen van het bewaren van de gemeente bij de eenheid en de waarheid?
Nu kan de vraag gesteld worden of het rondom de noodgemeenten wel steeds om de kernvragen van het geloof gaat. In de gemeenten zal er immers altijd wel een mate van verscheidenheid zijn. Dient hiervoor geen ruimte te zijn?
In het „Hervormd Weekblad" van 8 mei 1969 wordt deze zaak aan de orde gesteld door ds H. G. Groenewoud naar aanleiding van een voorafgegane discussie in dit blad over de buitengewone wijkgemeenten in wording. In een slotbeschouwing van de discussie komt ds. Groenewoud tot de conclusie dat deze noodgemeenten in de gewone gemeenten geïncorporeerd moeten worden. Uitgangspunt voor zijn betoog is een uitspraak van Hoedemaker die, in „De kerk en het moderne staatsrecht", sprekend over de allereerste tijd van de kerk in het N.T., het volgende opmerkt:
„Er waren dus huisgemeenten, en, ofschoon het om allerlei redenen zeer gewenscht moge zijn, dat er ééne plaatselijke gemeente is onder eenen kerkeraad; kunnen wij niet inzien, waarom zij niet gesplitst zou zijn in vele gemeenten, die dan uit een ander, nader uiteen te zetten beginsel classicaal verbonden behooren te zijn, wanneer de taal hiertoe aanleiding geeft zooals bij het bestaan van Waalsche of Engelsch-presbyteriaansche of Duitsche kerken, de groei der steden, met het oog op de practijk of de herderlijke zorg of deze of gene, het wezen van het geloof niet rakende punten van verschil, dit gewenscht maken.
Daargelaten de vraag op welke wijze de eenheid der kerk zich plaatselijk kan openbaren, alsmede: of dit door eene gemeenschappelijke regeering zal moeten geschieden, moet men toegeven, dat er werkelijk eene zoodanige gedeeldheid tengevolge van het optreden van de onderscheidenen gezinten bestaat, die, met hetzelfde recht, om de hierboven aangegeven redenen ook bij de belijders van dezelfde confessie mag worden gevonden”.
In zijn beschouwing van deze uitspraak van Hoedemaker gaat het ds. Groenewoud vooral om de gedachte van Hoedemaker waarin deze zegt een andere splitsing binnen de plaatselijke gemeente, dan die in wijkgemeenten mogelijk en geoorloofd te achten, namelijk die, welke voortkomt uit het bestaan van „onderscheidenen gezinten" of „deze of gene het wezen van het geloof niet rakende punten van verschil". De punten van verschil mogen dan niet het wezen van geloof en belijdenis betreffen en niet datgene wat het belijden der kerk of de Schrift weerspreekt. Letterlijk schrijft ds. Groenewoud:
„Men kan dit dus niet gebruiken om een of andere groep die wel het belijden der kerk weerspreekt en die een ander geloof heeft dan dat waarin de kerk leeft vanuit de Schrift, een plaats binnen de gemeente rechtens toe te kennen. Maar Hoedemaker acht het wel mogelijk dat bij gemeenschap in het wezen van geloven en belijden, er zodanige verschillen van allerlei aard zijn, dat de vorming van een afzonderlijke groep, en nu mag het woord „buitengewone wijkgemeente in wording" vallen, geoorloofd is" en voorts: „Deze gemeente blijft binnen het geheel der plaatselijke gemeente; en in de vorm der regering van de gemeente moet dat duidelijk uitkomen en in praktijk gebracht worden.”
Uit dit citaat wordt nog niet duidelijk of ds. Groenewoud zich hier uitspreekt over alle buitengewone wijkgemeenten in wording. Maar als hij aan het slot van zijn artikel schrijft: „We moeten ermee ophouden de buitengewone wijkgemeenten in wording te zien als afzonderlijke op zichzelf staande gemeenten", dan laat hij hierover geen onzekerheid meer bestaan. Voor hem is de uitspraak van Hoedemaker blijkbaar van toepassing op alle buitengewone wijkgemeenten in wording. Met andere woorden, voor al deze gemeenten zou gelden dat het in de verhouding tot de centrale gemeente gaat om „deze of gene het wezen van het geloof niet rakende punten van verschil". Of deze gevolgtrekking in de lijn van Hoedemaker ligt, zoals ds. Groenewoud voorstelt, lijkt ons nogal twijfelachtig. Onder de grote mannen uit onze vaderlandse kerkhistorie is het stellig Hoedemaker geweest, meer dan wie ook, die gestaan heeft in de spanning van „heel de kerk en heel het volk" enerzijds, en de trouw aan de confessie anderzijds. Maar juist vanwege dit laatste komt het ons ongeoorloofd voor om zelf eerst de verschillen rondom de noodgemeenten te reduceren tot wat ds. Groenewoud noemt „verheffen tot wezenlijke geloofs verschillen van het geloof niet rakende punten" en daarna, in één adem hiermee, met Hoedemaker te „bewijzen", dat incorporatie van de noodgemeenten in de gewone gemeenten geboden is.
We beweren daarmee niet dat alle verschillen het wezen van het geloof raken. We zijn ons ervan bewust dat er ook „niet-theologische'' factoren een rol spelen. Daarbij spreken aanleg, afkomst, opvoeding en derg. een woordje mee. En soms op een wijze die behoort tot ons „vlees”, tot ons bestaan als zondige mensen. Daarom zullen deze dingen, als de prediking werkelijk volgens de confessie is, geen breuk mogen veroorzaken. Maar zo eenvoudig ligt de zaak meestal niet.
De buitengewone wijkgemeenten in wording bestaan voor een belangrijk deel in hervormd gereformeerde gemeenten, waarin door de kerkeraden geen ruimte werd gemaakt voor wat genoemd werd „confessionele minderheden". Onder deze naam diende zich echter ook veel aan wat later niet confessioneel bleek te zijn. De verdere afsplitsing van een groep van de noodgemeente in Nijkerk is daarvan een sprekend voorbeeld en tegelijkertijd een duidelijk bewijs dat het veelal om meer gaat dan alleen om „niet-theologische factoren". Daarom kan ieder die op het hervormd kerkelijk erf enigszins bekend is, weten dat het vraagstuk van de noodgemeenten wel ongeoorloofd vereenvoudigd wordt, wanneer het gebracht wordt op de formule: niet een ander evangelie, maar het evangelie anders. De discussies Buskes-De Wilde en Berkhof-Boer zijn er voldoende bewijs voor dat het jaren geleden al ging om de waarheid en het verstaan daarvan. En — om bij het recente verleden te blijven — is in het modaliteitenvraagstuk wezenlijk iets anders aan de orde dan wat in discussie is (geweest) met betrekking tot de verkiezing, het gezag van de Schrift, de verzoening, de kerkregering? Trouwens als dat niet het geval was en het zou alleen gaan om de wijze en de vorm van de prediking, het ingaan op de maatschappelijke problemen en de aandacht voor de moderne cultuur, dan zou de invoering van de overgangsbepalingen in 1965 nog minder aanvaardbaar geweest zijn. Er zou dan helemaal geen aanleiding zijn geweest om voor de hogere organen in de kerk de weg vrij te maken om in te grijpen in de rechten van de plaatselijke gemeente. We zeggen dit niet om te betogen dat we — er van overtuigd zijnde dat het om meer dan vorm en uiterlijk ging en nog gaat — met de oplossing van 1965 gelukkig zijn (geweest), maar om aan te tonen dat het gaat om meer dan niet-wezenlijke dingen; zaken waarover men zich eigenlijk niet druk hoeft te maken. Het is ook geen probleem van slechts enkele gemeenten; de zaak raakt de gehele kerk. Daarom is er onzerzijds bij herhaling op gewezen dat het ontwijken van de waarheidsvraag in het vraagstuk van de richtingen ons steeds verder in het slop zal brengen.
Op deze wijze is ook van meer verplichte besprekingen niet veel te verwachten. De herhaaldelijk gevoerde kerkelijke gesprekken zijn hiervoor in hun afnemend aantal voldoende bewijs. Het naar elkaar toegroeien omdat men elkaar kerkelijk ontmoet zal even weinig voorkomen als nu onder de ontmoeting van de richtingen in steden en op kerkelijke vergaderingen gebeurt. Te vrezen is bovendien dat de kerkeraad van de gepasseerde plaatselijke gemeente bij verplichte incorporatie te minder geneigd zal zijn de nieuwe gemeente annex kerkeraad te aanvaarden.
Het is dan ook te hopen dat degenen die met de verantwoordelijkheid zijn belast om in de kwestie van de noodgemeenten te beslissen, de oplossing zullen zoeken in trouw aan het beginsel van art. 10, opdat de gemeenten worden gebouwd en er voor bewaard blijven dat nieuwe conflictstof binnen haar grenzen wordt gebracht.
R’dam, L. van der Waal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's