De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SCHIBBOLETH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SCHIBBOLETH

11 minuten leestijd

U kent de geschiedenis uit het boek Richteren wel, waarin het woord schibboleth tot herkenningsteken wordt van de mannen, die met Jeftha streden. Wie die klank niet recht kon uitspreken, openbaarde zich daarin als een Efraïmiet, een afvallige. Wat de Bijbel ons daarmee zegt, is dat het geloof zijn eigen taal spreekt, en dat de gelovige aan die taal herkend wordt.
In zijn boek: De Pelgrimsreis vertelt Bunyan, dat Christen met de zijnen komt in de stad, waar kermis gehouden wordt. Er ontstaat dan een oploop om hen heen, omdat zij zich van de bewoners dier stad onderscheiden door hun kleding en door hun spraak. „Slechts weinigen konden hen verstaan, want zij spraken de tale Kanaans, zodat zij als barbaren beschouwd werden". Dezelfde gedachte is ook door Kohlbrugge ontwikkeld in zijn geschrift: De tale Kanaans. Wij lezen daarin: Met die taal kan geen Hebreeuws bedoeld zijn, want dat was de sprake Kanaans niet. Het moet een spraak zijn, die wat vreemds, wat aanstotelijks had. Het moet wel een wonder van God zijn, zodat het spreken van die taal wel op hetzelfde uitkwam, als het leren van dat lied, dat niemand kan leren dan hij, die van de wereld gekocht is (Openb. 14:3).”
Deze taal van het geloof kent nu zijn schibboleth, zijn herkenningstekenen! En dat is iets, waar wij dankbaar voor moeten zijn; want hoe zouden wij anders nog de afvallige Efraïmieten kunnen onderscheiden van het volk Gods? Er wordt zo veel en zo gemakkelijk, zo oppervlakkig en ondoordacht, zo vanzelfsprekend en zelfverzekerd over de Bijbel en het Evangelie gesproken met woorden, die kerkelijk en theologisch gemeengoed geworden zijn, dat het haast niet meer mogelijk is om het kaf van het koren te onderscheiden. Ook het ongeloof, ook de dwaling bedient zich van de tale Kanaans. Het heeft de mond vol van genade, heil, gerechtigheid, hoop, schepping en verlossing. Het spreekt van Christus, Zijn kruis en opstanding; van de Heilige Geest en een nieuw leven. Is het nog mogelijk om waarheid en leugen te herkennen? Maar dan zijn er de schibboleth, en die maken iemand openbaar!
Er is dit jaar in Duitsland een boekje verschenen van de hand van Klaus Schwarzwaller, dat tot titel draagt: Sibboleth. In dit belangrijke geschrift wordt nu zulk een geloofsschibboleth genoemd: een duidelijk herkenningsteken voor het volk Gods in de verwarring en vermengeling der geesten. Dat schibboleth is het bekende boek van Maarten Luther: Van de knechtelijke wil. De schrijver zegt, dat de instelling tegenover dit boek het bewijs is, of men Luther, of men de Hervorming, of men het Evangelie verstaan heeft of niet. Want hier vallen de laatste beslissingen. Wie hier niet met Luther mee kan komen, is over de drempel die het geloof van het ongeloof scheidt, nog niet heengekomen. Hij staat nog aan de kant van Erasmus, dat is aan de kant van de mens, de wereld, de geschiedenis. Het lijkt willekeurig om aan dit boek van Luther zulk een zware betekenis toe te kennen. Maar wie enigermate op de hoogte is van het ontstaan van De knechtelijke wil en van de wijze, waarop het de eeuwen door in de theologie de geesten verdeeld heeft, kan niet anders dan toegeven, dat hier de diepste wortels van de Hervorming en dus van het christelijk geloof in geding zijn geweest. Wat het „alléén door het geloof" en „alléén Christus" voor Luther behelsd heeft, en hoe ernstig en radicaal hij het bedoeld heeft, blijkt nergens duidelijker dan hier.
Erasmus is het geweest, die aanvankelijk het optreden van Luther, zijn critiek op de kerk en zijn evangelisch getuigenis dankbaar begroette, maar die bij de voortgang der Hervorming steeds groter bedenkingen kreeg, terugschrok voor Luthers radicaliteit, en tenslotte zijn openlijke tegenstander werd. Ondanks het pijnlijke en grievende, dat er voor Luther in lag, dat zulk een begaafde en invloedrijke vriend in een bestrijder veranderde, heeft hij toch Erasmus hoog gehouden. En dat niet alleen, omdat hij aan zijn grote geleerdheid veel te danken had; maar veelmeer omdat Erasmus de moed had hem openlijk te bestrijden en dat deed op een eerlijke wijze. Hij ging het kernverschil tussen hem en Luther niet uit de weg, maar stelde dat onverdoezeld aan de orde. Hij sprak het uit, dat de mens, de wereld, de geschiedenis voor hem zoveel betekenden, dat hij het radicale „neen" van Luther niet kon aanvaarden. Luther heeft Erasmus dan ook om deze eerlijkheid geprezen. Hij is hem dankbaar, dat hij door zijn aanval op Luthers theologie de gelegenheid bood, daarop openlijk in te gaan. Luther heeft Erasmus en zijn geschrift zeer ernstig genomen!
In dat opzicht steekt Erasmus vér uit boven tal van theologen, die zich in het gewaad van Luthers theologie blijven kleden, en zich zuivere reformatorische christenen blijven noemen, maar daarbij angstig en behoedzaam verhullen, dat zij het met Luthers radicale „neen" tegen de mens en zijn mogelijkheden niet eens zijn, en in hun hart aan de kant van Erasraus staan.
Hoe hard het ook klinken mag, maar de openlijke stellingname van Erasmus was moediger en eerlijker dan de houding van Melanchton, die, hoewel blijkens zijn latere ontwikkeling meer verwant aan Erasmus dan aan Luther, daar nooit openlijk over gesproken heeft, maar alleen drie jaar na het conflict tussen die twee in een brief aan Erasmus er zijn droefheid over uitsprak, dat Luther in zijn boek zo hard en fel geweest was. En wèl mag men zich afvragen, hoeveel kwaad het de Lutherse theologie berokkend heeft, dat Melanchton, die zo sterk zijn stempel op de Duitse kerk heeft gedrukt, het radicale „neen" van Luther uit de weg is gegaan, en verhuld en omzichtig aan de mens, de wereld en de geschiedenis meer ruimte heeft toegekend dan zijn grote leermeester bijbels toelaatbaar achtte.
Het is daarom de vraag, wie groter gevaar is voor de doorwerking van het Evangelie, zoals het door Luther verstaan is: de eerlijke bestrijder van het type van Erasmus, óf de meegaande, zich aanpassende, doch innerlijk gereserveerde theoloog van het type van Melanchton. Met Erasmus is het mogelijk om in alle duidelijkheid de waarheidsvraag aan de orde te stellen. Daarbij flitst de bliksem en rommelt de donder. Het is een strijd, die groots en verheven is. Maar met theologen van het Melanchton-type is geen gesprek op geestelijk niveau te voeren. Zij ontwijken de waarheidsvraag en laten verstek gaan, als het om de laatste en diepste beslissingen gaat. Zij noemen dat „theologische haarkloverij" en „onvruchtbaar geredetwist". Terecht zegt dan ook Schwarzwaller in zijn boek Sibboleth: „Mit jemandem, der der Sachfrage ausweicht, kann man nicht disputieren" (S. 110). ¹)
Hoezeer de Lutherse kerk en theologie van de laatste eeuwen geleden heeft onder dat niveau-verlies van het niet meer openlijk en duidelijk stellen van de waarheidsvraag, omdat de theologen zich bij voorkeur bewogen op het spoor van de verdoezeling dier vragen à la Melanchton, treedt uit het geschrift van Schwarzwaller duidelijk aan het daglicht. Enkele uitzonderingen daargelaten wringt men zich in duizend bochten en verstrikt men zich in allerlei spitsvondige redeneringen om Luther toch maar niet af te vallen en de schijn op te houden van goed reformatorisch te zijn, doch tegelijkertijd het harde en radicale „neen" van Luther te ontwijken en af te zwakken om meer plaats te scheppen voor de mogelijkheden van de mens en zijn vrijheid. Men staat verbaasd, wanneer men al de Lutherse theologen van de laatste eeuwen in dit geschrift de revue ziet passeren, hoe veel vonden gezocht en gevonden zijn om het onverenigbare te verenigen en met elkaar te verzoenen!
Wat men daarbij telkens met droefheid constateert, is, dat het allemaal het bedrijven van een theologie is, die lijdt onder het verlies van een diepte-dimensie. Men denkt en spreekt vanuit een geheel andere gerichtheid dan Luther. De eigenlijke belangstelling en liefde gaat uit naar de wereld, de mens, de geschiedenis. Men kent niet meer de hartstocht voor God en Zijn werk, waarbij vergeleken al het andere onbelangrijk wordt en in het niet verzinkt. Men leeft niet echt bijbels meer; want de Bijbel is het boek, waarin de gloed van Gods heiligheid en majesteit geen ruimte meer laat voor de mens. Het eigenlijke thema in die theologie is juist het voortdurende refrein: „Wij mens zijn er ook nog! Vergeet dat niet!" En door dat refrein, dat bij de één duidelijker, bij de ander behoedzamer klinkt, weerspreekt men Luthers getuigenis. Men kan het reformatorische schibboleth niet meer in zijn oorspronkelijke zuiverheid uitspreken. Men is Efraïmiet geworden!
Het zou te ver voeren om zelfs maar een kort overzicht te geven van de verschillende wijzen, waarop men Luthers boek over de knechtelijke wil zó heeft geïnterpreteerd, dat het eigenlijke getuigenis werd verzwakt, gebroken, weersproken. Geheel tegen Luthers eigen bewering en getuigenis in, dat dit boek over de knechtelijke wil het werk was, waarin hij zich het diepst had uitgesproken over Christus en de rechtvaardiging en het geloof, en dat hij mét zijn Catechismus dit boek voor het nageslacht bewaard wilde laten blijven, voerde de theologische critiek alle mogelijke argumenten aan om te bewijzen, dat juist dit boek niet kon gelden als echt reformatorisch. Men beweerde, dat Luther hier weer middeleeuws was gaan denken. Dat hij de theologie aan de filosofie had onderworpen. Dat zijn geloof hier in een dogmatisch stelsel was gevangen. Dat hij in zijn grote ijver om de genade te verheerlijken tot een aanhanger van de dubbele praedestinatie-leer was geworden; ja, tot een determinist of fatalist. Kortom, allemaal critiek, die haar gronden zocht in Luthers psychologie, in zijn verleden, in de historische omstandigheden, in de filosofie.
Maar van een werkelijk bijbelse benadering van de opzet en inhoud van Luthers geschrift over de knechtelijke wil is nauwelijks sprake; laat staan van een schriftuurlijke bestrijding. Slechts een enkeling bereikt het theologisch niveau van Erasmus, die in alle eerlijkheid en duidelijkheid zijn „ja" tegenover Luthers „neen" stelde, en dat „ja" bijbels fundeerde. Verreweg de meesten manipuleren zó, dat datgene wat voor Luther een onmogelijkheid was, toch mogelijk werd. Voor de mens en zijn mogelijkheden werd ruimte geschapen in een theologie, die bijbels-reformatorisch beweerde te zijn. De kunstgrepen van de theologische uitlegkunde zijn groot!
Onnodig te zeggen, dat de inspanning om dit zuiver reformatorische geschrift los te maken van de bedoeling van de schrijver en de inhoud ervan te ont-radicaliseren, heilloos geweest is voor de Lutherse theologie. Men moet zeggen: even heilloos als hetzelfde proces, dat zich in de gereformeerde theologie voltrokken heeft in de arminiaanse verzwakking en ont-radicalisering van Calvijns praedestinatie-leer. Want op deze wijze werd aan Lutherse en Calvinistische kant de bijbels-reformatorische herontdekking van het Evangelie der genade en van de rechtvaardiging door het geloof alléén, toch weer verbonden met een onbijbels, katholiek, humanistisch geloof in de mens. En daarmee was in beginsel alles weer prijsgegeven, wat door Luther en Calvijn na zoveel bange worsteling ontdekt en gewonnen was. Want bij het Evangelie is het alles of niets!
Wij spraken over het niveau-verlies van de protestantse theologie. Tientallen jaren is er getheologiseerd vanuit tweeërlei beginsel: God èn mens, genade èn natuur. Evangelie èn wereld. Het was een theologie, die reformatorisch wilde zijn in erkenning van de betekenis van Luther en Calvijn. Maar het was tegelijk een theologie, die niettemin ook vasthield aan de mens en zijn mogelijkheden. „Wij zijn er ook nog!" Daarom mist men in deze theologie alle grootsheid en verhevenheid, alle diepte en hoogte, alle hartstocht en liefde, die zo kenmerkend zijn voor alle ware bijbelse theologie. Het was geen theologie meer, die de donder en bliksem kende van Luthers boek over de knechtelijke wil. Zij werd wetenschappelijk, academisch, vlak, geleerd, redenerend, passieloos. Door die theologie zijn de predikers gevormd en gestempeld. Door die theologie is de gemeente uitgedroogd en verarmd. Hoe kan de gemeente opgebouwd worden door predikers, die de genade verkondigen, maar er voortdurend bij invlechten of aan toevoegen: „Maar de mens is er ook!”
Het boekje van Schwarzwaller gaat de lotgevallen van Luthers geschrift over de knechtlijke wil na tot de zestiger jaren van onze eeuw. Wij leven echter snel. Veel van wat gisteren waar was, is morgen alweer achterhaald. Tot die versnelling van het gebeuren hoort ook, dat veel verhullingen en vermommingen wegvallen. Zo zien wij in onze tijd de theologie van het Melanchton-type verdwijnen en plaats maken voor een Erasmiaanse openheid en eerlijkheid. Denkt u maar aan de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken en aan de Vrije Universiteit. Sommigen schrikken daarvan, en verlangen naar de periode van Melanchton terug. Dat komt, omdat zij de verhulde dubbelzinnigheid van die theologie nooit doorzien hebben.
Ik voor mij acht de voortschrijding van de huidige theologische ontwikkeling in de richting van Erasmus alleen maar winst! Want daaruit wordt de mogelijkheid geboren van een werkelijke strijd, met de waarheidsvraag als inzet. Met Melanchton laat zich niet of nauwelijks disputeren. Maar met Erasmus is een ontmoeting mogelijk, waarbij de laatste vragen aan de orde komen. En alleen zó kan ook weer het Evangelie der genade in zijn heerlijkheid gaan lichten, zoals het gestraald heeft in de dagen van de Hervorming.
’s Gravenhage                                             W. Aalders


1) Met iemand, die de zakelijke vraag uit de weg gaat, kan men niet disputeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

SCHIBBOLETH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's