De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voorstellen tot wijziging van de kerkorde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voorstellen tot wijziging van de kerkorde

8 minuten leestijd

Opnieuw heeft de generale synode een aantal voorstellen tot wijziging van de kerkorde op de tafel gelegd van de vergaderingen van de classes, die in de loop van deze maand zullen gehouden worden. Het zijn er in totaal zes. Tegen het merendeel van deze voorstellen behoeven geen bezwaren te bestaan. Een enkele dient hartgrondig verworpen te worden. We zullen de diverse voorstellen even de revue laten passeren.
1. Voorstel tot aanvulling van ordinantie 11-5-6 en 15, CKO/2284. Dit betreft het voorzitterschap van de commissies voor het opzicht, zowel regionaal als generaal. De bedoeling is, dat het lid van de commissie, dat gekozen is tot voorzitter, als zodanig in functie blijft tot de volgende vergadering van de commissie. Dan treedt hij af en vindt opnieuw de verkiezing van een voorzitter plaats, hetzij het aftredende, hetzij een ander lid van de commissie. Tegen dit voorstel bestaat geen bezwaar.
2. Voorstel tot aanvulling van ordinantie 7-3-2, CKO/2285. Dit betreft de procedure, die gevolgd wordt bij de benoeming van een kerkelijk hoogleraar door de generale synode. Gebleken is in het verleden — als achtergrond spelen hier de moeilijkheden rondom de benoeming van dr. K. Strijd tot kerkelijk hoogleraar aan de theologische faculteit van de gemeentelijke universiteit in Amsterdam, — dat de huidige procedure bij zo'n benoeming niet zorgvuldig genoeg geregeld is om niet voor voldongen feiten gesteld te worden. Dit laatste nu te voorkomen is de opzet van een aanvulling van ordinantie 7-3-2. Er komt in een tweede ronde meer inspraak van de bij zo'n benoeming betrokken organen. Ook tegen dit voorstel rijzen geen bezwaren.
3. Voorstel tot wijziging van ordinantie 2-16-2 (samenstelling buurtkerkeraad), CKO/3015. Tot nog toe dienden in die gemeenten, waar buurtkerkeraden gevormd zijn, deze te bestaan uit de vol­tallige kerkeraden van de samenwerkende wijkgemeenten. Dit gaf een onwerkbaar en onhanteerbaar geheel. Zulke buurtkerkeraden waren te groot. Het voorstel is nu de buurtkerkeraden te laten bestaan, niet meer uit het geheel van de samenwerkende wijkkerkeraden, maar uit afgevaardigden van deze wijkkerkeraden, zodanig, dat elk van de drie ambten in zo'n buurtkerkeraad vertegenwoordigd is. De situatie wordt dan ongeveer als in gemeenten met meer dan drie wijkgemeenten en een centrale kerkeraad. Dit voorstel kan zonder meer aanvaard worden.
4. Voorstellen tot wijziging van ordinantie 7, artikelen 13 en 15 (theologisch seminarium en het z.g. leervicariaat), CKO/3030. Tot nog toe was het regel, dat de theologische candidaten, die het kerkelijk examen hadden afgelegd met positief resultaat, na dit examen vier maanden het z.g. leervicariaat deden en vier maanden het seminarium in moesten. De uitzonderingen op deze regel laten we hier buiten beschouwing. Nu blijkt, dat in de laatste jaren hoe langer hoe meer bezwaren zijn gerezen tegen deze beide onderdelen van de theologisch-kerkelijke opleiding van de a.s. dienaren des Woords, niet zozeer tegen het leervicariaat en het seminarium als zodanig, als wel tegen de plaats van deze beide instituties in het geheel van de opleiding. Men wil nu — en dit geldt vooral de vorming op het seminarium — een en ander meer integreren in de gang van de studie aan de universiteit. Hoe men zich dit alles voorstelt, wordt uit het betreffende voorstel tot wijziging van de kerkorde niet duidelijk. Wel vormen de bestaande bepalingen dienaangaande een belemmering om tot een flexibeler regeling te komen. Voorgesteld wordt nu in de kerkorde slechts vast te leggen de verplichting tot het doen van het leervicariaat en het volgen van een seminariumperiode, en de nadere uitwerking daarvan in de toekomst vast te stellen bij generale regeling. M.a.w., dan behoeven de classicale vergaderingen er niet meer aan te pas te komen en kan de synode op een veel vluggere en soepeler manier op de zich wijzigende situatie inspelen.
Op zichzelf behoeft deze manier van detaillering van leervicariaat en seminarium geen bezwaren op te leveren. De vraag is alleen of een en ander ook niet te maken heeft met veranderende en veranderde inzichten in de toekomstige taak van predikanten. We kunnen de vrees niet helemaal van ons afzetten, dat de gerichtheid op het gewone pastorale werk in de gemeente in de verdrukking komt en dat te veel ruimte zal worden gegeven aan allerlei dure experimenten, die met het gewone gemeentewerk weinig uitstaande hebben, maar des te meer met het zg. nieuwe verstaan van het kerk-zijn en het gemeente-zijn in de wereld van vandaag. Vandaar, dat we het betreuren, dat door de voorgestelde wijzigingen de classicale vergaderingen geen enkele vinger meer in de pap hebben van de nadere practische scholing van de a.s. predikanten, waarvan het merendeel toch in een gewone gemeente terecht zal komen, ook al neemt de animo daarvoor zienderogen af. Er zijn dus zeker argumenten, die ervoor pleiten, dat een en ander niet slechts in een generale regeling wordt vastgelegd, maar ook in de kerkorde zelf, i.e. in ordinantie zeven, te meer daar deze ordinantie wel uitvoerige bepalingen bevat terzake van het kerkelijk examen en het colloquium. Of wil men in de toekomst de nadere regeling hiervan ook in generale regelingen onderbrengen? Al met al, over dit voorstel kunnen we niet onverdeeld gunstig considereren.
5. Voorstellen tot wijziging van ordinantie 7, artikelen 2, 3, 13 en 20 (rectorium theol. seminarium). CKO/3035. Deze voorstellen beogen een aanpassing van de kerkordelijke bepalingen ten aanzien van de leiding van het seminarium aan de situatie, die is ontstaan met de benoeming in februari van dit jaar van twee (con)rectoren naast de toen reeds fungerende rector. Was er vroeger een éénhoofdig rectoraat, nu is er een driehoofdig rectorium. In verband hiermee moet overal in ordinantie zeven, waar sprake is van „rector", dit woord gewijzigd worden in „rectorium". Tevens wordt het voorzitterschap van dit rectorium geregeld. Tegen deze wijzigingen bestaat geen bezwaar.
6. Voorstel toevoeging nieuw artikel XXX aan de kerkorde, CKO/3000. Dit is, voorzover schrijver dezes bekend, de eerste keer, dat niet maar aan de ordinanties of de overgangsbepalingen, maar aan de kerkorde zelf, de kerkelijke grondwet dus, gesleuteld wordt. We meenden te weten, dat van bevoegde kerkelijke zijde enige tijd geleden gezegd was, dat er voorlopig geen sprake kon zijn van veranderingen of aanvullingen in de kerkorde zelf, omdat momenteel zoveel in beweging is, dat eerst een zekere uitkristallisatie moest hebben plaatsgevonden, voordat allerlei structuurwijzigingen in de kerkelijke grondwet hun gestalte konden krijgen. Alleen al om die reden had de synode er beter aan gedaan de aanvulling van de kerkorde met een nieuw artikel XXX voorlopig niet aanhangig te maken. Nu het toch gebeurd is, dienen we ons te bezinnen op de inhoud en de consequenties van dit voorgestelde nieuwe artikel. En dan moet het ons van het hart, dat we op geen enkele manier ook maar enig goeds zien in en verwachten van dit nieuwe artikel XXX. Wat toch is het geval? Dit nieuwe artikel wil de generale synode de bevoegdheid geven om, indien bijzondere omstandigheden, verband houdende met de ontwikkeling van het kerkelijke en maatschappelijke leven, zulks noodzakelijk of gewenst doen zijn, voor een bepaalde tijdsduur bijzondere regelingen te treffen voor een goede voortgang van het kerkelijke leven, die afwijken van de orde der kerk. In de toelichting bij dit voorstel worden enkele voorbeelden genoemd. Men leze die er zelf op na. Wanneer dit voorstel wordt aanvaard, betekent dit in de practijk van het kerkelijke leven, dat de kerkorde niet meer de orde van de kerk normeert op grond van datgene wat in een reformatorische kerk als een schriftuurlijke kerkregering wordt verstaan, maar de ontwikkeling van het kerkelijke en maatschappelijke leven. De kerkorde doet dan in feite niet veel meer dan achteraf deze ontwikkeling registreren en concipiëren. En gezien de ontwikkeling van het kerkelijk leven weten we dan al bij voorbaat, wat de consequenties zullen zijn. Een hoe langer hoe meer afglijden van wat de reformatie als de fundamenten van de kerk heeft verstaan en op den lange duur een totale uitverkoop van het calvinistische erfgoed.
Men kan hiertegen repliceren, dat toch bepaalde zekeringen zijn aangebracht, die er voor dienen te waken, dat ondoordachte dingen gaan gebeuren. De consideraties van de classicale vergaderingen moeten worden gevraagd, terwijl bijzondere regelingen slechts kunnen worden getroffen bij een meerderheid van tweederde der geldige stemmen. In deze zekeringen hebben we echter geen vertrouwen, omdat de overgrote meerderheid van de classicale vergaderingen en ook van de synode zich niet gebonden weet aan de confessie van onze kerk. Allerlei handelingen en besluiten van de synode in het verleden hebben dit bewezen. Wordt nu aan de synode de bevoegdheid gegeven om allerlei bijzondere regelingen te treffen, die afwijken van de orde der kerk, dan is daarmee opnieuw een stap gezet naar een kerkstructuur, waarin de lijn van boven naar beneden volkomen de lijn van beneden naar boven gaat overheersen. Bovendien wordt zo de weg vrijgemaakt voor een eindeloze reeks van experimenten, waarvan we niet kunnen zien, dat die dienstig zijn voor de gezonde ontwikkeling van het kerkelijke en gemeentelijke leven. Als er werkelijk bijzondere regelingen getroffen dienen te worden, laat met dan op grond van de feiten met de H. Schrift als norm en de confessie als leefregel de kerk in al haar geledingen overtuigen van de wenselijkheid of de noodzakelijkheid van deze bijzondere regelingen en dan op de in de kerkorde aangegeven manier de wenselijk of noodzakelijk geachte wijzigingen aanbrengen. Maar men wachte zich er voor de synode de bevoegdheid te geven van een algemeen dispensatierecht. Van de nood, waarvan in sommige incidentele gevallen sprake kan zijn, make men geen deugd. Daarom kunnen we ten aanzien van dit nieuwe artikel XXX slechts adviseren er zich met kracht en klem tegen te verzetten. Laten de classicale vergaderingen blijven staan op de rechten, die hun naar de orde van de kerk toekomen.
P.                                                                            L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Voorstellen tot wijziging van de kerkorde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's