De band tussen de gemeente en de dienaren
De generale synode wordt omkranst door een aantal raden. In de nieuwe kerkorde hebben deze raden een plaats gekregen. Had men vroeger de deputaatschappen, zoals die nog in gebruik zijn bij de Ger. kerken, Chr. geref. kerken, enz., onze kerk heeft gekozen bij de opstelling en aanneming van de nieuwe kerkorde voor de raden.
In de keus voor de raden is een compromis bereikt tussen de presbyterialen, die alleen de presbyteriale lijn in de kerkorde wilden en hen, die de synodale, apostolaire lijn benadrukten. De discussies rondom de aanneming van de kerkorde wijzen dit uit. Van de kant van hen, die het apparaat van de raden voorstonden bestond en bestaat een hoge verwachting van het werk van deze raden.
Het valt niet te ontkennen, dat elke synode op bepaalde punten voorlichting behoeft van meer deskundigen. Het is niet te verwachten, dat de synode en elk lid van de synode in allerlei zaken een deskundig oordeel heeft. Voorlichting is dan een goede zaak.
Intussen blijft voor de goede verhoudingen nodig, dat wij de deskundigheid pas dan op de rechte wijze waarderen, wanneer vaststaat, dat de adviseurs, i.e. de leden van raden en commissies diep verankerd zijn in en verbonden zijn met het geloof der kerk.
Dat is geen vanzelfsprekende zaak. Voor niemand, ook niet voor leden van raden en commissies. Voorzover deze leden predikanten zijn, inzonderheid die predikanten, die geheel vrij gesteld zijn van de arbeid in de gemeente, dreigen hier grote gevaren.
Deze predikanten, met welke gaven zij ook gesierd zijn, hadden niet zelden weinig verbinding met de gemeente. Zij aardden en tierden niet in het leven en het werk van de gemeenten. Het is te verstaan, dat sommigen het als een opluchting hebben ervaren, dat zij van de gemeentearbeid werden vrijgesteld. Zij konden zich nu geheel geven aan werk, dat hen meer lag!
Wij hebben te erkennen, dat ook onder de predikanten de gaven verscheiden zijn. Maar hoe verscheiden zij in aanleg, karakter, gaven, genaden ook zijn, hierin stemmen zij overeen dat zij een grote liefde voor God, Zijn Woord, de gemeente, de prediking, de ambten, de leden van de gemeente hebben. Welke bezwaren wij ook tegen de gemeente, zoals wij die ontmoeten, hebben — en laten wij nooit vergeten, dat wij zelf tot die gemeente behoren — wij blijven haar zien met het oog van het Woord, met het oog van Christus.
Vergis ik mij niet, dan ontbreekt het sommige vrijgestelden aan deze liefde. Over het hart oordeelt God. De gemeente oordeelt over de uitingen van de liefde of het gemis aan liefde.
Dit gebrek aan liefde voor de gemeente, de prediking, het ambt, enz. kan allerlei oorzaak hebben.
Boven werd reeds gewezen op het niet aarden in de gemeente. Men raakt „gefrustreerd". O, modewoord! Maar goed, er ontstaan kortsluitingen. Het gaat niet. Wederzijds worden er geen tranen geplengd, wanneer men uiteengaat.
Is het teveel gezegd dat ieder, die met het Woord Gods niet de weg kon vinden naar het hart van de gemeente, die weg zeker niet zal vinden naar het hart van al de gemeenten samen?
Daarmee wordt de gemeente allerminst geïdealiseerd en verabsoluteerd, maar worden èn gemeenten èn voorgangers gesteld onder de critiek van het hoge Woord Gods. God Zelf roept tot de ambten, maar — buitengewone roepingen daargelaten — door middel van de gemeente. Het is deze verbondenheid aan God, Zijn Woord, Zijn gemeente, enz., die een dienaar past en siert. De dienaren des Woords doen het zwaarste examen niet aan de universiteit, maar elke dag in de gemeente en in hun werk. Wij kunnen met lof slagen voor alle examens aan de scholen en voor het examen in ons dagelijks werk zakken. Het is de Heere Christus Zelf, die ons examineert in de liefde tot Hem en ons daarna de schapen en de lammeren toevertrouwt.
Uiteraard zijn er verscheidene opdrachten en taken in de ambten. Zo zal het niet te ontkomen zijn, dat enkelen een taak krijgen voor de kerk in haar geheel. Wij denken aan het gewichtige werk van de hoogleraren, aan de dienaren des Woords, die de geestelijke verzorging van de militairen, de gevangenen enz. op zich nemen.
Na de oorlog hebben wij een grote uitbreiding van het aantal dienaren des Woord gekregen, die voor de kerk in haar geheel, voor de provinciale kerkvergaderingen, voor de classes, voor diaconale, regionale en bestuurlijke taken zijn vrijgesteld. Op het eerste gezicht zijn daarvoor steekhoudende argumenten aan te brengen.
Toch bedenke men wel wat men doet. Want al deze predikanten met bijzondere opdrachten worden uit de gewone gemeenten weggeroepen. Dat is heel wat. Immers God maakt waar, dat Hij Zijn knechten in het Woord onderhoudt. Behoren de predikanten niet tot hen, die soms een dubbele zegen ontvangen èn in de voorbereiding èn in het direct bezig zijn in het Woord in de gemeente? Deze dubbele zegen verliest men naarmate men meer bezig is met taken die in een meer of minder ver verband staan met het Woord Gods. Dit blijkt uit de klacht van hen, die enige jaren bijzonder werk hebben gedaan en terugverlangen en metterdaad teruggaan naar de gemeente. Zij zeggen het soms eerlijk, dat, hoe boeiend ook bepaalde taken zijn, zij verachterd zijn in de genade, dat zij aan eigen geestelijk leven schade hebben geleden. Dit blijkt ook uit de liefde van sommige hoogleraren, die, voorzover zij kunnen, de gemeenten nog blijven dienen in het Woord en daar hun beste uren doorbrengen.
Deze opmerkingen vooraf zijn nodig om de zeer moeilijke en gevaarlijke positie van hen in het oog te krijgen, die niet in een direct en levend verband staan met de gewone gemeente.
Hun positie en hun opdracht brengen mee, dat zij gevaar lopen te vereenzijdigen, te vervlakken, te verachteren, te verrationaliseren. Op hen wordt in deze dagen veel critiek uitgebracht. En terecht. Maar wie zorgt er voor hun ziel? Wie kijkt naar hen om? Ongetwijfeld zal er wel een instantie zijn, die geestelijke zorg moet hebben voor hen. Maar gebeurt het ook? Conferenties, besprekingen, rapporten, enz. zijn er legio. Maar zien wij niet voor onze ogen, dat deze mensen temidden van al deze agenda's verdorren en verachteren?
Zonder hun eigen verantwoordelijkheid maar één ogenblik te ontkennen, doet de kerk er goed aan zichzelf te beproeven of zij wel op de goede weg is met het al maar beroepen van predikanten voor de kerk in haar geheel, de provinciale kerkvergaderingen, enz., enz. Mogen wij daarmee voortgaan? Ik meen van niet. Waarom niet?
Omdat God naar Zijn orde, die uitgaat boven alle kerkorden, een onverbrekelijke band legt tussen de gemeenten en haar voorgangers. Die orde laat zich niet verbreken dan op straffe van achteruitgang van de gemeente èn van haar voorgangers.
Van de gemeente. En dat niet alleen omdat er plaatsen open komen, die niet spoedig of helemaal niet bezet worden. Dat ook. Maar vooral omdat deze predikanten — uitzonderingen daargelaten — de kerk, de gemeenten niet meer ten zegen zijn. Het eigenlijke werk gebeurt in een gewone gemeente door een gewone dominee. Dat komt niet in de krant, dat valt niet op, maar het is door God gewild en het wordt door Hem gezegend.
Verreweg het belangrijkste werk gebeurt in de prediking, de catechese, het pastoraat. Wie daarin niet tiert, tiert nergens. Wie daar niet ten zegen is, is nergens tot een zegen.
Want het gaat de Koning der Kerk om de gemeente. Vanuit deze goddelijke orde staat de gemeente centraal. Ieder, die een bijzondere taak heeft, moet deze gemeente dienen. Wie hoogleraar is, mag de gemeente dienen in de opleiding van dienaren des Woords. Wie legerpredikant is, mag de gemeente dienen in de verzorging van haar jonge mannen, die enige tijd uit hun ouderlijk huis zijn weggeroepen. Wie een bestuurlijke functie heeft als predikant (dit is haast de gevaarlijkste situatie) heeft de gemeente te dienen.
Meestal leren wij een predikant het best kennen uit de manier, waarop hij over zijn gemeente, of over de gemeenten spreekt. Daarin ondergaat hij een test in de nederigheid. Wie van zijn gemeente kwaadspreekt en niet dag en nacht voor haar bidt, is een slechte dienaar des Woords. Wie tegen de gemeente aanschopt, merkt niet op, dat hij tegen Christus aanschopt. Want het is Zijn gemeente, hoe klein of groot ook het getal van de ware geloovigen in die gemeente ook is.
Wie tegen de prediking aanschopt, schopt tegen God aan. Hij heeft de prediking ingesteld als het middel om tot het geloof te komen.
Wie tegen de sacramenten aanschopt en niet alles doet om deze naar de instelling van Christus te bedienen maar zonder enig onderricht en geloofsbeproeving ieder ten avondmaal en doop laat komen, schopt tegen Christus aan.
Wie tegen de zondag aanschopt en deze dag niet in de eerste plaats als de dag der prediking waardeert, schopt tegen de Heere van de rustdag aan. Zo kunnen wij voortgaan. Maar komt dit voor? Jawel!
De meest wilde kreten worden geslaakt. Laat ik er een paar noemen: De tijd van de prediking is voorbij! De hoorkerk heeft afgedaan, wij moeten nu een doegemeente hebben. De oude gemeentestructuren hebben afgedaan, wij moeten naar een geheel nieuwe gemeentevorm. Geen ambt meer, maar alleen dienst! Geen in zichzelf gekeerde kerk, maar een kerk voor de wereld. Enz., enz.
Deze woorden worden soms uit de mond van gewone predikanten gehoord, maar ook uit de mond van hen, die een bijzondere taak hebben. En dat heeft te maken met de synode en haar raden. Daarover een volgende keer.
K. a. Z. G. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's