De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

U VRAAGT....

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

U VRAAGT....

9 minuten leestijd

In juni 1.1. heb ik in deze rubriek geschreven over de zegengroet. Naar aanleiding daarvan wordt door een lezer nog gevraagd, waarom de apostel Paulus in zijn brieven in de zegengroet niet toevoegt: en van de Heilige Geest? Aan het slot van zijn brieven doet hij dat wel, zo vervolgt de briefschrijver. En dan vraagt hij, of dat nadere betekenis heeft.
Om eerst maar even wat recht te zetten: aan het eind van zijn brieven gebruikt de apostel ook vaak de trinitatische formulering niet. De tweede Korinthebrief sluit hij inderdaad met: de genade van de Heere Jezus Christus, en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen. Amen. Maar hij eindigt in Rom. 15 : 33 met: en de God des vredes zij met u allen. Amen. En in 16 : 24 met: de genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. Terwijl daarop dan nog weer een doxologie volgt (een lofzegging). We laten nu rusten het probleem van Rom. 16. ledere goede bijbellezer heeft immers wel gemerkt, dat de brief aan de Romeinen eigenlijk eindigt met hoofdstuk 15 : 33. Over de vraag, hoe het 16e hoofdstuk er bij gekomen is, zijn allerlei beschouwingen, waarover ik later mogelijk nog wat kan schrijven. Nu blijven we bij ons punt. Alleen de tweede Korinthebrief eindigt dus met de volledige trinitarische formulering. Aan het slot van andere brieven lees ik meest: de genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. Of zelfs — heel kort — : de genade zij met u. Amen. (Col. 4 : 19; 1 Tim. 6 : 21; 2 Tim. 4:22; Tit. 3:15).
Het is dus wel duidelijk, dat Paulus zich niet in één bepaalde formule vast gebeten heeft. Zijn formuleringen zijn vloeiend en onbevangen, en geen formules.
Nu is de vraag van de briefschrijver verder, waarom ik in de zegengroet wel de drie personen — dus ook de Heilige Geest — noemde, terwijl Paulus dat in de aanhef van zijn brieven nooit doet. Is het niet beter om eenvoudig zich te houden aan de paulinische zegengroet, zoals we die lezen in Rom. 1:7; 1 Kor. 1 : 3 enz., en daarmee zo dicht mogelijk bij de Bijbel te blijven? Lijkt het er niet een beetje op, als wil men, door nadrukkelijk er aan toe te voegen „en van de Heilige Geest", de Bijbel door aanvulling corrigeren?
Inderdaad een belangrijke vraag. Want dit laatste gevaar is allerminst denkbeeldig. Maar al te vaak meent men met allerlei franjes het Woord Gods te moeten versieren. En dan moeten we niet alleen denken aan woorden-franjes, maar ook aan franjes van gebaren, houding, je voordoen. Een eerste vereiste is zeker om eenvoudig en eerlijk, te zijn en je te gedragen, wel vooral op de kansel, waar het om het Woord gaat en niet om de dienaar. In dat opzicht is er meest heel wat af te leren en aan te leren. Paulus schrijft aan Titus: betoon uzelf in alles een voorbeeld van goede werken; betoon in de leer onvervalstheid, deftigheid (curs. van mij), oprechtheid... (2 : 7). Deftigheid of eerbiedwaardigheid wijst ons op een bepaalde stijl, die past bij de bediening des Woords. Een bepaald soort „aktuele" predikers van onze tijd mochten wel deze woorden op de wand van hun studeerkamer hebben hangen, vlak tegenover hen. Maar anderzijds moet toch ook gezegd worden, dat deze schriftuurlijke deftigheid niet tot uiting komt in het „meer of minder dik er boven op leggen" in woorden, gebaren en gedra­ gingen. De eenvoud is altijd nog kenmerk van het ware. Laat ons ook in de keuze onzer woorden daarnaar staan, vooral ook in de gebeden. Het Woord heeft gezag, onze woorden brengen dat niet mee.
Daarmee acht ik — wat de aanhangige vraag betreft — echter nog niet alles gezegd.
Paulus schrijft zijn groet onder de bijzondere leiding van de Heilige Geest onbevangen neer in het geloof in de drieenige God. Hij komt eenvoudig op uit dit geloof in de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die hij in Rom. 9: 5 belijdt God te zijn, boven allen te prijzen in eeuwigheid. Hij kent in dit geloof de Heilige Geest als de Geest des Vaders en des Zoons, die alle dingen onderzoekt, ook de diepten Gods en die weet hetgeen van God is; die persoonlijk inwoont in de kerk en in wie de Vader en de Zoon gekend worden (1 Kor. 2 : 10—12 en Gal. 1 : 15 en 16), ja, in wie de Vader en de Zoon zijn. Hij schrijft immers: er is verscheidenheid in genadegaven, maar het is dezelfde Geest; en er is verscheidenheid in bedieningen, maar het is dezelfde Heere; en er is verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt (1 Kor. 12: 4—6). Zo stelt hier Paulus de Heilige Geest naast de Vader en de Zoon, evenals in de zegen van 2 Kor. 13 : 13. — Zo komt Paulus op uit het geloof in de drieënige God. Dat kon nog — als ik het zo mag zeggen — in alle onbevangenheid. Spreekt hij alleen van de genade van de Heere Jezus Christus, dan vormt dit geloof in de drieënige God de achtergrond, de basis. In zijn groet zit om zo te zeggen vanzelf de belijdenis van de drieënige God opgesloten.
Nu is er in de volgende eeuwen (na Paulus) wel het een en ander gebeurd. De ketterijen kwamen op. De Kerk ging gebukt onder allerlei aanvechtingen. In de vierde eeuw is de zogenaamde trinitarische strijd gevoerd. Aangevochten werd de belijdenis der Kerk, dat Christus met de Vader en de Heilige Geest waarachtig en eeuwig God is. Dit noopte de Kerk tot duidelijke omschrijving en formulering van haar geloofsschat in deze, terwijl tegelijk daarmee de dwaling werd afgewezen en veroordeeld. Wij danken daaraan ons tweede algemeen belijdenisgeschrift: Belijdenis des geloofs, gesteld in de kerkvergadering van Nicéa, in het jaar 325 na geboorte van Christus. Eigenlijk is dit belijdenisgeschrift het resultaat van het concilie van Constantinopel in 381, maar het vertolkt de geloofsuitspraak van het concilie van Nicea.
De Kerk is door deze bezinning op de bijbelse openbaring tot nadrukkelijke bewustwording en formulering gekomen van de drieëenheid Gods. Of — mogelijk beter gezegd — is zich ten zeerste bewust geworden, dat haar God de drieënige God is; Vader, Zoon en Heilige Geest, tezamen waarachtig en eeuwig God, en dat in deze God al haar zaligheid ligt.
Deze belijdenis van de drieënige God en dat 't dus de drieënige God is, die in de Heilige Schrift als Zijn Woord op ons toekomt, is de grondpeiler van het christendom. Men kan er zeker van zijn, dat als men tornt op de een of andere wijze aan deze belijdenis, men wel ergens scheef gaat. Er wordt wel gezegd, dat het woord drieëenheid in de Heilige Schrift niet voorkomt. Natuurlijk is dat waar. Maar het gaat niet om de woorden, doch om de zaak. En wie brengt de machtige rijkdom van deze geloofsschat der Kerk beter onder woorden, dan de Kerk zelf in de vierde eeuw heeft mogen doen. Tot nog toe is altijd gebleken, dat met het aantasten der woorden ook de inhoud van de belijdenis van de drieënige God werd aangetast. Men meent dan Hellenistische invloeden in de formuleringen te moeten aanwijzen (onder het Hellenisme verstaan we de Griekse geest en cultuur, voor zover deze hun stempel hebben gezet op de volken rondom de Middellandse Zee), maar altijd kwam en komt men tot ketterse beweringen, geheel in strijd met de zelfopenbaring Gods in Zijn Woord.
Waarom haal ik dit alles nu op? — Alleen maar om duidelijk te maken dat na zo veel eeuwen met al de strijd die daarin gestreden is tegen de verguizing van de drieënige God en de zaligheid der Kerk in Hem, we niet meer met diezelfde onbevangenheid spreken als Paulus het deed. De Kerk heeft haar dogma gevormd, haar geloofsuitspraak in de belijdenis, dat haar God één is in Wezen, en drie in Personen. Zo lezen we in onze catechismus: Aangezien er maar één enig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest? — Omdat God zich alzo in Zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderscheidene Personen de enige, waarachtige en eeuwige God zijn.
We kunnen alleen maar met verwondering en dankzegging vervuld zijn, dat God zijn kerk temidden van allerlei verwikkelingen en in een strijd, waarin nog al eens onheilig vuur op het altaar kwam, zo vast gehouden heeft en ingeleid heeft in Zijn kennis naar de Schriften, tegenover geesten, die haar voor een vreemde god wilden doen buigen.
Kijk, waar het nu zo is, daar wil ik graag terstond aan het begin in de zegengroet belijden onze drieënige God: Vader, Zoon en Heilige Geest.
Niet dat ik nu de Bijbel wil aanvullen of corrigeren. Het gaat me niet allereerst om me vast te klinken aan een bepaalde tekst, maar om die God, die in Zijn Woord, de gehele openbaring, op de gemeente toekomt. Geen andere, maar deze God is ons de God van volkomen zaligheid.
Nu wil ik hiermee geenszins zeggen, dat hij, die aan een bepaalde tekst de voorkeur geeft bij de zegengroet, b.v. Rom. 1 : 7, minder juist spreekt. Denk dat toch niet. Hij zal spreken namens dezelfde drieënige God. Ik weet, dat het bij de briefschrijver het geval is. Alleen meent hij temidden van allerlei verwarring zich het best te kunnen houden aan bijbelteksten, zonder enige toevoeging. Hij wil liefst eenvoudig bijbels zijn. Dat kan ik ook ten zeerste waarderen, daar we dat naar mijn mening broodnodig hebben.
Alleen, ik voor mij geef de voorkeur aan het noemen van de drie Personen in de zegengroet om de redenen, die boven omschreven zijn. Ik leg me daarbij niet vast op een bepaalde tekst, maar mag spreken namens die God, die in zijn Woord de drieënige God en daarom als de God van volkomen zaligheid op ons toekomt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

U VRAAGT....

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's