EEN KERNWOORD
Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Habakuk 2 : 4b
I.
Buiten het kleine profetische geschrift, dat wij van hem hebben, weten wij weinig van deze Habakuk af. Maar uit dit boekje zelf komen we wel heel veel van hem te weten.
Zijn tijd was een moeilijke tijd. Habakuk heeft het uitgeschreeuwd: „HERE, hoe lang schreeuw ik en Gij hoort niet, hoe lang roep ik tot U: geweld! (als iemand, die moord en brand schreeuwt) en Gij verlost niet”.
God heeft het deze man niet mak'lijk gemaakt. Daar is vooreerst de nood van zijn tijd. En als hij daarover roept tot God, schijnt hij dat voor dovemans oren te doen.
De nood van zijn tijd is niet in de eerste plaats een economische of sociale nood: armoede, rampen, oorlog of honger. Maar de nood van zijn tijd is het onrecht, het verkeerde in de wereld rondom hem heen, de zonde. Die doet hem pijn. Daar schreeuwt hij zijn sterk en levend protest tegenin.
Dat is toch eigenlijk iets weldadigs. Dan is God toch nog geen zwijgende God. Zolang Hij een hart en een stem geeft om te roepen tot God tegen de goddeloosheid en de liefdeloosheid, waarvan de wereld vol is.
Deze profeet krijgt, op zijn roepen, tenslotte toch antwoord. Maar het is een antwoord, dat hem verbijstert. Het is ongelooflijk, maar God geeft Zijn volk Israël in de handen der Chaldeën, der Babyloniërs. Hij verwekt ze Zelf (1 : 6). En Habakuk ziet ze komen: bitter en snel, veroverend, onweerstaanbaar, spottend met al wat in de weg komt, overmoedig, alsof ze almachtig waren. Ze komen als een orkaan, als een wervelstorm.
Dat is telkens het beeld van de wereldmachten. Dat kunnen de Romeinse legioenen zijn, of de horden van de volksverhuizing, of de met conventionele of met atoomwapens uitgeruste legers van de moderne tijd. Het zijn de machten, die „deze hun (eigen) kracht voor hun God houden”.
Zo donkere wolken doet God aan de horizon oprijzen.
Maar als het dan zo donker wordt, dan komt er in Habakuk's woord al iets te voorschijn van dat geloof, waarvan hij in het kernwoord van dit boekje spreekt. „Zijt Gij niet van oudsaf de Here, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven, o Here, tot een oordeel hebt Gij hem gesteld, en o Rots! om te straffen hebt Gij hem gegrondvest." Dat is het geloof, dat zegt: getuchtigd, maar niet gedood; en dat met Luther uitroept: „Ik zal niet sterven, maar leven" (Ps. 118).
Maar wandelen op de golven en wankelen liggen vlak naast elkaar. Als die Chaldeën komen, en ze spreiden al hun macht en moedwil ten toon en hun hardheid en wreedheid kennen geen grenzen; als die Chaldeën er heel anders uitzien dan Gods ernstige gerechtsdienaars; als ze zo'n schik hebben in hun eigen macht; als ze zichzelf zien als vissers, die hun netten maar uitgooien en weer ophalen en weer uitgooien en weer ophalen — dan komen de waarom's; en dan rijst de vraag: hoe lang? Is het wel zo dat God achter dit alles staat? Want God is wel in Zijn recht. Maar wat die Chaldeën doen is geen recht meer, maar willekeur en onrecht.
Zal er dan van Jacob niets overblijven? Zal die God, Die de zonden van Zijn volk bezocht, de goddeloosheid van deze brute wereldmacht altijd doen heersen?
Zo woelen de vragen in het hart van Habakuk. Maar daar staat hij opeens voor ons in zijn eigenlijke profetische functie. „Ik stond op mijne wacht. Ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou." Een profeet is een tolk. Een tolk moet eerst luisteren; en dan alleen overbrengen wat hij gehoord heeft. Habakuk betrekt zijn geestelijke wachttoren. Wat gaat God nu tegen hem zeggen? Dat het nu wel spoedig beter zal worden? Dat de nacht voorbij is en de morgen nabij? Neen. Dat niet. Maar God gaat wel iets heel bezonders zeggen. De profeet moet de woorden, die God gaat spreken, graveren op (koperen) tafelen, opdat ieder, die voorbijgaat, het lezen kan. God komt met Zijn beloften.
Het is niet meer dan een belofte. En wij ongeduldige mensen zouden niet de belofte, maar dadelijk het beloofde willen hebben. Heel de spanning van het geloofsleven hangt tussen de belofte en het beloofde.
Maar het is ook niet minder dan een belofte. Het is Gods belofte! Daaraan moet Habakuk op dat moment en de kerk van zijn tijd en de kerk van alle tijden telkens weer genoeg hebben. „Zo Hij vertoeft, verbeid Hem. Want Hij zal gewisselijk komen. Hij zal niet achterblijven." Hij zal wel een voleinding maken met de heidenen rondom Israël, maar met Israël niet. En daar staan ze dan in dit vierde vers van Hab. 2 tegenover elkander: die ongelovige en onboetvaardige wereld, die twist met God en zichzelf op de troon zet, waarvan de ziel opgeblazen is en opbobbelt (kant. St. v.). En daartegenover de kerk, met haar bestreden en aangevochten geloof, maar dat toch als geloof moet openbaar worden.
Dat geloof heeft temidden van alle dankbaarheid niet anders om zich op te baseren en zich op te beroepen, dan het Woord van God, het woord van Zijn belofte alleen.
Dat geloof is het naakte geloof, dat niets heeft van zichzelf, dat rondom zich alleen schuld ziet en straf, onmacht en ellende. Maar dat alles alleen verwacht van Gods genade, op grond van Zijn beloften, die Hij zeer overvloedig tot onze troost in Zijn Woord geopenbaard heeft.
(Slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's