DE SYNODE EN HAAR RADEN
I.
In het vorig artikel schreven wij over de sterke band die er behoort te zijn tussen de dienaren des Woords en de gemeenten en dat deze band zegenrijk in de wisselwerking is tussen de dienaren en de gemeenten. Daarmee is gegeven, dat het predikant zijn zonder dagelijks contact met de gemeente blootstelt aan een proces van vermagering en verachtering.
Natuurlijk is hiermee niet alles gezegd.
Er zijn predikanten, die arbeiden in de gemeenten en die de verschrikkelijkste dwaalleer verkondigen, terwijl er predikanten zijn in algemene dienst, die blijven bij het hart der Schriften. Maar dit zijn helaas de uitzonderingen, die de regel bevestigen.
Dit alles kwam ons voor de aandacht toen wij een nieuwsbrief van de Raad voor de zaken van overheid en samenleving, nr. 9, l-l-'69 onder ogen kregen, waarin wij een artikel aantroffen van dr. C. P. van Andel Gzn, secretaris van genoemde raad.
Dr. v. Andel schreef een artikel over: „Gelovig omgaan met de werkelijkheid." Hij wil geen moralistische benadering van de werkelijkheid. Hij vindt, dat in de sociale en politieke sector van de kerkelijke arbeid de vraag naar de verhouding tussen geloof en werkelijkheid ongeveer de meest brandende vraag is. Ieder zal erkennen, dat de prediking van het Evangelie ons moet helpen in de practijk van het dagelijks leven. De vraag is: Hoe? Dr. V. Andel onderscheidt dan twee benaderingswijzen: het traditionele en het futurale moralisme.
Tussen haakjes: onder traditioneel moralisme verstaat dr. v. Andel het hanteren van een aantal algemene christelijke normen, een christelijke deugdenleer, waarin woorden als vroom, liefdevol, trouw, barmhartig, eerlijk, mededeelzaam en veel andere begrippen een plaats hebben.
Onder futuraal moralisme verstaat dr. V. Andel — wanneer ik hem goed begrijp — dat de normen voortdurend in beweging zijn en dat de ethiek, van gisteren plaats moet maken voor de sociale ethiek van morgen. Met andere woorden: de waarden van vroeger moeten getoetst worden aan de eisen van straks.
In deze twee mogelijkheden kan dr. v. Andel zich niet vinden, al krijgt de tweede: het futuraal moralisme de voorkeur. Toch niet helemaal, want ook dit moralisme heeft een „wettische" benadering van geloof en werkelijkheid.
De bedoelingen van het futuraal moralisme moeten verduidelijkt worden, temeer waar de kerk bedenkelijk soms naar het traditionele dreigt af te glijden.
Ik kan mij voorstellen, dat menige lezer zijn hoofd schudt en zich afvraagt: Waarom al die vreemde woorden? Welnu, die worden wel verklaard. Wanneer wij de nadere omschrijving van het traditioneel moralisme van dr. v. Andel nader bekijken dan vindt hij, dat dit vooral voorkomt in de hoek van de verontrusten. Alles blijft daar op zijn plaats. Aan de gemeente worden deugden als eerlijk, trouw enz. als aan een stoere padvindersgroep voorgehouden. Deze mensen denken in de structuren van gisteren, al willen zij die wel aanpassen en veredelen. Van lieverlede neemt dr. v. Andel met deze traditionelen een loopje.
Luister naar deze hooghartige zin: „Het traditioneel moralisme heeft weinig hoop op een verandering van de decadente wereld van vandaag, het heeft zich practisch bij een aantal vormen van noodzakelijk kwaad neergelegd, zoals geheimhouding en eenzijdige concentratie van macht in zakenleven en politiek, maar verder zoekt het zijn heil door het bewaren van een gevoel voor wet en orde in de privésfeer.”
En wat denkt u van de volgende zin? „Het is in deze sfeer, waar men de zondag en de zondagse moraal in ere houdt tegenover de werkdag waar het zedelijk niveau nu eenmaal aanzienlijk lager is." De nu volgende zin slaat alle vorige zinnen. Hoor maar: „De traditionele moraal wordt op zondag opnieuw geëtaleerd, de offers worden gebracht (nu ja: offers . . .) de gemeenschap wordt gebouwd, het christelijk erf wordt beveiligd, de tuin gewied.”
Tenslotte — en dan houden wij op met de citaten — nog een laatste „voltreffer”:
„Er zijn plaatsen in ons land, waar deze traditionele cultuur nog volop leeft en waar de kerken, dienovereenkomstig tot de laatste plaats bezet zijn.”
Ziezo, dat weten wij dan alweer. Alvorens dr. V. Andel nader van antwoord te dienen, wilde ik graag wat helderheid over de woorden, die hij gebruikt. In de eerste plaats ben ik erg ongelukkig met het woord moralisme. Hoe velerlei moraal is er niet? Het gaat ons niet om een bepaalde moraal, maar om de heilige Wet van God in al de bijbelse verbanden. Deze Wet van God is niet alleen traditioneel en ook niet alleen toekomstig, maar eeuwig. Deze Wet verandert niet, zo waarachtig als God niet verandert.
Graag zij dr. v. Andel toegegeven, dat de toepassing van de Wet Gods o.a. in de sociale en politieke sector van ons bestaan ons voor niet geringe moeilijkheden stelt. Wanneer hij dat bedoelt, dan hebben wij geen bezwaar. Maar waarom stempelt hij een deel van de kerk bij voorbaat als traditionele moralisten zonder enig verband met de heilige Wet van God? Heeft deze wet van God voor dr. V. Andel afgedaan?
In de tweede plaats moet men eens ophouden met het uitdelen van etiketten als traditioneel. Nog niet zo lang geleden hoorde ik een bespreking van een bundel meditaties voor de radio. Eén opmerking hield mij vast: die meditaties waren nogal traditioneel. Toevallig kende ik die bundel. Hij is een juweeltje van Schriftopening en verklaring van het hart van het evangelie op een frisse manier.
Nogal traditioneel! Daarmee was het vonnis geveld. Maar laten wij goed vasthouden, dat niet de vraag of iets traditioneel of progressief de doorslag geeft, maar of het de waarheid zegt.
Daarom bedanken wij voor de eer, die dr. Van Andel ons toedicht: traditioneel moralistisch genoemd te worden. Dat interesseert ons niet en het raakt ons niet. Wat ons interesseert is de vraag: Wat zegt God in Zijn Woord?
Daarmee is de weg vrij, dr. Van Andel in zijn bespotting van de „traditionele” gemeente van antwoord te dienen.
Ds. Groenewoud heeft enige tijd geleden in het „Hervormd Weekblad" terecht geprotesteerd tegen dit schoppen tegen de gemeente, die 's zondags samenkomt.
’k Ken de gebreken van de gemeente en van mijzelf (wij dienaren des Woords zijn toch ook leden van de gemeente? ) als dr. V. Andel. Weet dr. v. Andel niet meer dat er zondag aan zondag het Woord bediend wordt? Wanneer hij — als secretaris van de Raad voor de zaken van overheid en samenleving — ons in de ontsluiting van het Woord Gods voor de gemeente te hulp snelde en ons nog niet geziene en ontdekte perspectieven in het Woord liet zien, wij zouden hem dankbaar zijn.
Het behoeft wel geen betoog, dat de gemeente deze bespotting van een door haar zelf betaalde functionaris op geen enkele manier neemt. Eerst een dienaar des Woords laten benoemen, betalen en vervolgens op eigen kosten de samenkomsten van de gemeente laten bespotten.
En dan geldt echt niet het woord: Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt. Gelukkig niet. De gemeente mag en moet op haar kosten de waarheid gezegd worden. Maar dit is juist het punt.
Wij zouden het misschien zo mogen zeggen: Wiens woord men hoort, wiens woord men spreekt. Heeft dit woord van dr. v. Andel iets te maken met het Woord Gods? Hebben Jezus en de apostelen zo ooit gesproken over de samenkomsten der gemeente? Met het antwoord op deze vraag is alles beslist.
Wanneer dan het Woord Gods in het geding is, heeft de kerk een roeping. Dan dient de verhouding van de kerk en haar organen en van de synode en haar raden aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen te worden. Daarover een volgende keer.
K. a. Z. G. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's