HET LEVEN DER HEILIGMAKING
II
Heilig
Het wordt nodig tijd, dat wij nu eens grondig met de heiligmaking zelf ons bezig houden. Heiligmaking hangt natuurlijk samen met het woord en het begrip „heilig". Het is een woord van strikt godsdienstige betekenis. Alleen binnen de godsdiensten der volken, met name van het volk Israël, komt dit begrip voor.
Het bijbelse woord „heilig" betekent eigenlijk: afgezonderd en heeft dan een dubbele inhoud: (positief) afgezonderd tot; (negatief) afgezonderd van. Dit laatste behoort er bij, maar het eerste is de hoofdzaak. Iets is naar Gods Woord heilig als het afgezonderd is van het alledaagse, louter menselijke gebruik en afgezonderd is tot een hoger gebruik, neen, tot het hoogste gebruik. Dat is: als het aan God gewijd wordt, aan God en Zijn dienst. Heilig wil dus zeggen: Gode toegewijd. Heiligmaking wil dus zeggen: ons leven God toewijden, in Zijn dienst stellen. Hem erkennen als hoogste, uiteindelijk de enige wetgever en rechthebber.
Heilig in volstrekte zin is God alleen. Daarom is de hemelse heerlijkheid doortrild van het „Heilig, heilig, heilig is de Here der heirscharen, de ganse aarde is met Zijn heerlijkheid vol", Jesaja 6 : 3.
Heilig in tweede instantie is alles wat van God komt. Daarom zijn de engelen heilig; daarom is Zijn wet heilig; daarom is Zijn evangelie heilig; daarom is zelfs Zijn toorn heilig. „Heilig zijn, o God, Uw wegen.”
In de derde plaats wordt heilig genoemd, wat de mens naar Gods gebod de Here toewijdt, aan God teruggeeft, nadat hij het eerst van Hem ontvangen heeft. Dan wordt het niet heilig in zichzelf, maar door de bijzondere, de heilige bestemming. Een schaap, gebruikt als offerdier, is gewoon een uit een kudde genomen, maar het wordt heilig als het op het altaar geofferd wordt. Meel uit een kruik wordt ook heilig, zodra het als deel van het spijsoffer wordt geofferd aan God. Een penning, één uit honderden, wordt heilig, zodra het in de tempel Gode geofferd is. Heilig in bijbelse zin is iets alleen als men, wat men van God ontvangen heeft, Hem teruggeeft, Hem toewijdt. Heilig is alleen datgene wat men aan de dienst van God wijdt.
Hier liggen dus de grondlijnen van de bijbelse leer der heiligmaking. Heiligmaking wil niet zeggen zondeloos of bijna zondeloos worden, maar ons hart, onze zinnen, onze gehele levenswandel niet voor onszelf houden, maar God toewijden, wijden aan Zijn dienst en daarom afwenden van de wereld en haar begeerlijkheden.
Juist als gevallen zondaren moeten wij ons goed bewust zijn, wat God hierin van ons eist. Door de zondeval zijn wij aardsgezind, werelds, vleselijk geworden. Wij zouden willen voortleven los van God, maar als God ons tot Zich bekeert, roept Hij ons en heiligt Hij ons tot heiligmaking.
Heiligmaking wil dus zeggen: ons leven God toewijden, in Zijn dienst stellen. Dat is het doel waartoe Hij ons geschapen heeft, dat is ook het doel waartoe Hij ons in Christus verlost en roept.
De heiliging van de gevallen zondaar is dus herstel tot ons oorspronkelijk levensdoel; beginnend herstel naar het evenbeeld van Hem, Die ons geschapen heeft, Colossenzen 3 : 10.
Het Oude Testament
In Israël, vroeger en nu, neemt de gedachte van levensheiliging een grote plaats in. Geen wonder, want in de Godsopenbaring van het Oude Testament neemt de heiliging een centrale plaats in. Centraal staat het telkens terugkerend gebod: Gij zult heilig zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig", Leviticus 19 : 2 enz.
Maar niet alleen staat de heiliging in de wet als een goddelijke opdracht, meermalen ook als een gave, die het volk van God, door middel van Zijn openbaring, ontvangt. Dan lezen wij: Ik ben de HERE, uw God, Die u heiligt", Leviticus 22 : 9, 16, 33 enz. Hier stuiten wij op een in de Schrift telkens terugkerende zaak, de tweeëenheid van eis en belofte. Wat God eist, belooft Hij; wat God belooft komt toch meermalen tot ons in de vorm van een eis.
Ons technisch geschoolde, logisch redenerende verstand, juister gezegd ons kortzichtige, door de zonde verduisterde en van God vervreemde verstand kan daar niet uitkomen, maar ik ben overtuigd, als ons verstand werkelijk door de Heilige Geest geboeid is, letterlijk geboeid en verlicht, dan zien wij hier wel een grote diepte, maar geen tegenstrijdigheid. God heeft de mens geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, hoog begaafd in kennen en kunnen. Ook als gevallen zondaar is hij geen willoos voorwerp, geen „stok en blok". Hij blijft aansprakelijk en verantwoordelijk en dat niet alleen volgens het hoog verheven inzicht des Heren, maar ook volgens de stem in zijn eigen binnenste, de stem van zijn geweten. God behandelt de mens nog steeds naar die verantwoordelijkheid, naar die werkelijkheid van zich verantwoordelijk weten. Daarom heiligt God de mens niet automatisch, buiten zijn wil en werken om. God heiligt ons, ons voortdurend oproepend tot heiliging; God heiligt ons door onszelf volledig mede werkzaam te maken. „Bewerkt zijnde worden wij werkzaam.”
Ik beken het, mijn woorden zijn te onbeholpen, te gebrekkig om dit tere geheim recht te verwoorden, juist te omschrijven, maar dit is zeker, dat de mens volledig actief wordt gemaakt en ingeschakeld.
In de heiligmaking is dus geen enkele plaats voor passief, lijdelijk zijn. Dat kan vroom schijnen en zich vroom voordoen, maar is onbijbels, is in wezen ongeloof, is ongehoorzaamheid, is des duivels water over Gods akker laten lopen.
Rechtvaardiging is dus niet het einddoel van Gods werk, maar levensvernieuwing, herschepping en herstel naar het evenbeeld Gods. In het gehele Oude Testament, zowel in de wet als bij de wetshandhavers de profeten, wordt de gelovige, neen het gehele bondsvolk, permanent opgeroepen tot een wandel voor Zijn aangezicht, tot een leven naar Zijn geboden. Micha is slechts een enkele stem uit de vele getuigen: „Wat eist de HERE van u dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben en ootmoediglijk te wandelen met uw God? " Dit klinkt heel gewoon en alledaags in de goede zin van het woord. Heiligmaking is ook niet dag in dag uit op onze tenen lopen, maar heel gewoon menselijk worden: een goede vader en een goede moeder; een goede zoon en een goede dochter; een goede buurman en buurvrouw; een goede burger en burgeres. God dienen in de dagelijkse praktijk van ons leven.
Toch is het veel dieper dan een goed burgerlijk leven want „recht doen" houdt in: strak gebonden zijn aan de wil en de eisen van God; „weldadigheid lief te hebben" houdt ook wel in milddadig te zijn, maar is veel dieper, omdat het Hebreeuwse woord dat daar staat (chèsèd) betekent: verbondstrouw, vasthouden aan Gods verbond, daaruit leven en daarnaar wandelen. „Ootmoediglijk wandelen met uw God", brengt ons eigenlijk al in de buurt van Jezus' wetsuitleg: Gij zult de Here uw God liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand", Matthéüs 22 : 37. Heiligmaking is dus niet een zaak alleen maar van de uitwendige levenswandel, maar boven alles een zaak van een hart, waar de vreze Gods, waar de liefde woont.
Het Jodendom
Hoewel wij het wettische Jodendom — in dit verband de Joodse orthodoxie, vollediger gezegd: de farizeese orthodoxie — niet kunnen volgen, is van hen toch ook nog wel een en ander te leren. De Joodse orthodoxie ziet, zich aansluitend bij het Oude Testament, de levensheiliging als „het allesbeheersende beginsel van de Joodse levensbeschouwing. Levensroeping is: levensheiliging. „Heilig zult gij zijn, want Ik ben heilig, de HERE, uw God", Leviticus 19 : 3. Levensroeping is levensheiliging. Dat is het leven aanvaarden, het aanvaarden en gebruiken. Maar . . . (om het te) wijden. Al zijn lief en leed, al zijn zorg en zegen, alle gevaar en geluk. Heiliging van alle gedragingen en daden, van alle gaven en genietingen. Kleine en grote, grote en kleine. En dat: steeds". Zo omschrijft men in Israël wat levensheiliging is: het gewone leven aanvaarden, gebruiken . . . maar wijden. Hier klinkt door, wat wij in de Schrift ook kunnen terugvinden: Hetzij dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het alles ter ere Gods", 1 Corinthe 10 : 31.
De vrome Jood weet en aanvaardt het: God heeft hem „tal van beperkingen opgelegd in een nauwsluitend levenssysteem". Hij weet „dat hij niet alles mag zeggen; hij weet evenzeer, dat hij niet alles mag eten; hij weet ook, dat hij niet alles mag doen, waarnaar hij verlangt". Dit geldt in velerlei opzicht.
a. De spijswetten. De spijswetten hebben ten doel: „levensheiliging, beheersing ook in het geoorloofde. Juist daarin ligt sterking van de wil, van de persoonlijkheid. Dit is de krachtigste levensheiliging." In het eten? Ja „vooral in het eten. Vooral in alles wat de mens gemeen heeft met de dieren. Vooral van alle dierlijke behoeften, wier bevrediging zo licht in hem het dierlijke op de voorgrond plaatst en in werking stelt. Deze uitingen moeten in het bijzonder geheiligd worden". En dat is de taak van de spijswetten volgens Joodse beschouwing. Hier wordt dus benadrukt: levensheiliging tegenover verdierlijking. Diezelfde onderwijzing en verplichting tot levensheiliging vindt Israël ten opzichte van het sexuele leven in de besnijdenis. Deze was immers een besnijdenis van het mannelijke geslachtsdeel.
b. De besnijdenis. Voortplanting is natuurwet, is scheppingsdrang in al het geschapene. „Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u" is een scheppingsbevel. Maar bij de mens moet die geslachtsdrift geheiligd worden. Deze bovenal, want er is misschien niets zo dierlijk in hem als dit. En het gehoorzamen is hier een lustbevrediging. Doch dit dierlijke moet in hem het hoogste worden en het meest heilige zijn. En als het bij hem dierlijk is en blijft, dan is het bij hem erger dan dierlijk. Dan is het liederlijk. De mens beschikt nu eenmaal over middelen, die geen ander schepsel heeft. Het fijne instrument van zijn intellect heeft hij immers te zijnen dienste. Daarom kan hij zijn lusten geraffineerder bevredigen, dierlijker dan het dier". Zo is „de besnijdenis een onvergankelijk teken van de heiliging des levens. Zij gebiedt hem de dierlijke scheppingsdrift tot een goddelijke daad te maken”.
Dezelfde onderwijzing en verplichting tot levensheiliging ziet de Jood in de geboden rondom de eerstgeborenen en de eersteling-gaven.
c. De eerstelingen. Door de eerstelinggave wordt de bodemopbrengst, het vruchtbezit, geheiligd. Het mag niet slechts gezien worden als vrucht van zijn werken, maar als Gods gave. Het land mag niet gezien worden als zijn eigendom, het is Gods gave, die hij gebruiken mag. Ook de levende have, het vee, moet het symbool van deze heiliging ontvangen. Daarom behoort de eersteling niet de bezitter toe maar God. Een eersteling, die geofferd of gelost moet worden, is een heiligende heffing van het gehele veebezit. Ook de lossing van de eerstgeboren zoon is onderwijzing en roeping tot levensheiliging. De kinderen zijn toevertrouwde gaven van God. Ook bij het huwelijk zien wij weer opnieuw de Joodse idee van levensheiliging.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's