HET LEVEN DER HEILIGMAKING
III.
d. H e t h u w e l ij k. Vóór het huwelijk moet het Joodse bruidspaar vasten van de vroege morgen af. Niet dit vasten op zichzelf kan heiligen, maar het is onderwijzing tot heiliging. Het huwelijk moet opgevoerd worden tot een hogere beleving. Ook moet men een speciaal reinigingsbad ondergaan, en de bruid, straks vrouw, moet iedere keer na haar afzonderingsdagen, weer opnieuw dat reinigingsbad ondergaan, tot voortdurende wijding van de huwelijkssamenleving. „De echtelijke samenleving is niet een gereglementeerde lustbevrediging”.
In onze dagen van wetteloosheid met name op het gebied van het sexuele leven is het goed te luisteren naar deze Joodse, in de Bijbel gefundeerde, levensbeschouwing en levensroeping. Geen verdierlijking, geen lustbevrediging zonder meer, maar levensheiliging naar Gods wet is levensdoel.
Niet door de wet
Maar Israël zoekt in dit alles de levensheiliging door de wet. Zo wil men, zo denkt men gerechtigheid voor God te verwerven. Israël is met zijn wettisch pogen, in een doodlopend slop terecht gekomen. Zoals Paulus, na zijn bevrijding uit dit slop schrijft in Romeinen 9 : 31—33: Israël, dat de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen. Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet; want zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, gelijk geschreven is: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en een iegelijk die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden." Wie in de wet gelooft zal wel beschaamd worden, want door haar is geen rechtvaardigheid en geen levendmaking (= heiligmaking) te vinden. Jezus heeft Israël gewaarschuwd tegen deze komende „schipbreuk": Meent niet dat Ik u verklagen zal bij de Vader, die u verklaagt is Mozes, op welke gij gehoopt hebt", Johannes 5 : 45. Maar van Israël geldt: Maar tot de huidige dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart", een deksel, dat pas zal worden weggenomen, als Israël tot de Here zal bekeerd zijn. Dan pas zullen zij, in het evangelie van de Gekruisigde, met ongedekte aangezicht de heerlijkheid des Heren als in een spiegel aanschouwende, naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid als door des Heren Geest, 2 Corinthe 3 : 15—18.
Met andere woorden: de wet heeft geen kracht tot rechtvaardigmaking, de wet heeft ook geen kracht tot heiligmaking. De wet kan dat niet volbrengen; de wet wil dat ook niet volbrengen, want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft.
Ditzelfde geldt ook ons. Eerst als wij in het evangelie de heerlijkheid van Christus aanschouwen, worden wij door Zijn kracht vernieuwd.
Der wet sterven
Paulus, een Farizeer, uitmuntend boven velen uit zijn geslacht, is wel tot het einde van de wet gekomen, maar het is door sterven heengegaan. Hij is „der wet gestorven, opdat hij Gode leven zou" (Galaten 2 : 19), Dit is het goddelijke breukvlak tussen wet en evangelie: Wij moeten der wet sterven. En dat: door de wet zelf!
Als ik deze uitspraak van de apostel aanhaal, verrijst voor mijn geest de gestalte van Maarten Luther, en achter hem zie ik Kohlbrugge verrijzen. Dat was het merg van hun theologie, dat is ook het merg der Godzaligheid.
Als Luther in een preek deze woorden van Paulus uitwerkt, zegt hij: „Paulus is hier een ketter van alle ketterijen en zijn ketterij is ongehoord. De grondregel, ja de enige hoofdstelling van de valse profeten en de tegenwoordige Godgeleerden is: Zo gij Gode wilt leven, behoort gij de wet te onderhouden; Paulus zegt juist het tegenovergestelde, te weten, dat wij God niet kunnen leven, indien wij niet aan de wet gestorven zijn.”
Zo is het ook. De wet doodt ons, de wet verdoemt ons, de wet brengt ons tenslotte in de hel, tenzij wij tijdig aan haar sterven en vluchten tot de enige en volkomen Zaligmaker. Hij is het die de dode zal levend maken.
„Der wet sterven", zegt Calvijn, „is een gewenste soort van dood. Deze dood is niet dodelijk, maar een oorzaak tot een beter leven, omdat God ons uit de schipbreuk der wet opneemt en wij door Zijn genade tot een ander leven opgericht worden.”
Als God de zondaar levend maakt in geloofsvereniging met Christus, dan heeft dat twee kanten: een sterven aan de wet en een levend gemaakt worden met Christus. „Want", zo lezen wij bij Calvijn: Christus leeft op tweeërlei wijze in ons. Het ene leven is, dat Hij ons regeert en al onze handelingen beweegt. Het ander is, dat Hij ons begiftigt met het deelgenootschap aan Zijn gerechtigheid. Tot het eerste moet de wedergeboorte gerekend worden, tot het tweede de genadige aanneming tot rechtvaardigmaking" (Calvijn, uitleg Galaten 2 : 20).
Dat zullen wij bij Calvijn telkens tegenkomen. Punt één is: wij ontvangen door het geloof gemeenschap met Christus, wij worden Hem ingeplant als ranken in de wijnstok, en uit die geloofsvereniging met Christus vloeien twee weldaden: wij ontvangen deel aan Zijn gerechtigheid tot rechtvaardigmaking èn wij ontvangen deel aan Zijn leven tot heiligmaking.
Kort en krachtig vat hij het ergens samen in deze ene regel: „Wij ontvangen door het geloof deel aan Zijn verdiensten èn aan Zijn leven”.
Dat zou ik wel eindeloos in uw midden willen herhalen. Laten wij het werk van Christus toch niet verarmen tot de rechtvaardigmaking alleen; het leven van de gerechtvaardigde zondaar zal opbloeien en uitgroeien in een leven van heiligmaking.
Wij ontvangen deel aan Zijn verdiensten en aan Zijn leven! Soms noemt Calvijn die levendmaking in en door Christus wedergeboorte, soms noemt hij het de heiligmaking. In de tijd der Reformatie zag men dat als één. De wedergeboorte werd niet gezien als beperkt tot het levensbegin, maar werd gezien als zich voortzettend in het gehele leven als een levenslang proces. Zoals men in de gereformeerde theologie meermalen sprak over de bekering als: eerste bekering èn voortgaande bekering of dagelijkse bekering, zo zouden wij ook kunnen spreken van het begin der heiligmaking als de wedergeboorte, en de heiligmaking als de voortgaande wedergeboorte.
Die voortgaande wederbaring of heiligmaking kan niet afwezig blijven. Zij, die geloven, ontvangen de Geest van Christus, zij ontvangen de zalving met de Heilige Geest, 1 Johannes 2 : 20, 27, en die Geest is de Geest der heiligmaking, Romeinen 1:4!
De Geest maakt levend
Door die gave des Geestes maken de Vader en de Zoon woning in hen, Johannes 14 : 23; wordt de gemeente, ja ons lichaam, een tempel des Heiligen Geestes, 1 Corinthe 3 : 16, 6 : 19. Hoe zou die Geest ledig en onwerkzaam kunnen blijven? De heiligmaking van de zondaar door het geloof in Christus is dus vrucht van Christus' kruisverdienste en is werking van de Heilige Geest in hem.
De heiligmaking is geen werk van ons, maar het werk van de Geest van Christus in ons. Met de geloofsbelijdenis van Nicea belijden wij van die Geest, dat Hij Here is en levend maakt. En met de Nederlandse Geloofsbelijdenis zien wij de gehele heiligmaking als vrucht van die levendmakende Geest in gemeenschap met Christus. „De Heilige Geest is onze Heiligmaker door Zijn woning in onze harten." (N.G.B. art. 9).
Daarom kunnen de gelovigen door zonde, ongehoorzaamheid, gebrek aan onderlinge liefde, tekort aan ijver tot heiligmaking, die in hen wonende en werkende Geest bedroeven, tegenstaan, ja Zijn werking tijdelijk uitblussen.
De heiligmaking als een daadwerkelijke vernieuwing van de zondaar loochenen, vindt geen grond in de Heilige Schrift en zou ook inhouden een loochenen van de inwoning en de werking van de Heilige Geest in hem.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's