EEN INGRIJPEND BESLUIT
III.
Na de weergave van het persgesprek, dat in het vorige nummer werd opgenomen, willen we het onderwerp dat hier aan de orde is met enkele opmerkingen besluiten.
Het kan moeilijk anders dan dat het persgesprek ondanks de opening van zaken die is gegeven en de overwegingen die de faculteit heeft laten gelden een gevoel van grote teleurstelling heeft achtergelaten.
Eén van de redenen daarvoor is dat met de genomen beslissing duidelijk wordt ingegaan tegen de overtuiging van de gereformeerden binnen de hervormde kerk. Meer dan met welke andere universiteit weet de hervormde orthodoxie zich met Utrecht verbonden. Was het dan wel verantwoord voor de theologische faculteit om haar vertrouwenspositie ten opzichte van deze groep op deze wijze in de waagschaal te stellen? Alleen al gerekend in termen van aantallen en democratische rechten is dit een ernstige zaak. Waarom is men tegenwoordig zo bezorgd over het toekennen van rechten aan minderheidsgroepen en zo gauw verontwaardigd over discriminatie terwijl de gevoelens van belangrijke groeperingen in de kerk die willen staan in de traditie van de reformatie zo weinig worden ontzien?
Hoe zwaar deze vraag ook weegt, belangrijker dan het gevolg van het besluit in Utrecht is wat er als overweging aan ten grondslag ligt.
De theologische faculteit heeft haar besluit nadrukkelijk geplaatst in het kader van het oecumenisch streven. De waardering hiervan is bepalend voor de beoordeling van de besluiten die zijn genomen. Het gaat er daarbij niet om of men voor of tegenstander is van de oecumene. Dat kan geen vraag zijn. De vraag is alleen hoe wij hebben te staan tegenover de oecumene zoals die zich in de hedendaagse situatie aandient.
Wordt de kerk daarin beleden als in de artikelen 28 t.m. 33 van de Ned. geloofsbelijdenis? Wordt de kerk vanuit het Woord gezien en op zijn bijbels kerk-zijn aangesproken? Is er heerschappij van het Woord en een concentratie op het hart van de reformatie?
Te vrezen is dat deze vragen negatief moeten worden beantwoord en dat het veeleer zo is dat de kerken in de huidige beweging daarom naar een oecumene toegroeien omdat ze bezig zijn los te raken van de religie van de gereformeerde belijdenis, niet alleen formeel, maar vooral inhoudelijk. In het functioneren in de prediking, in de geschriften, in het onderwijs. Met deze oecumene kan het gereformeerd zijn geen gemeenschap hebben. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat de Geref. Bond ten aanzien van de voorgestelde samenwerking met de KTHU niet met een alternatieve vorm van samengaan is gekomen. Niet omdat het gereformeerd zijn een sta-in-de-weg is voor de oecumene, maar omdat het gaat om de zuiverheid van de leer van de kerk en de verantwoordelijkheid daar voor. Hiermee is ook reeds één en ander gezegd over de betekenis van een confrontatie Reformatie-Rome. Niemand zal het belang hiervan betwisten, maar dan moet de reformatie in zijn eigenlijke en diepste bedoelingen worden genomen. Mag dat worden verwacht?
In het persgesprek is enkele malen de naam Erasmus gevallen in zijn positieve betekenis voor de reformatie. In andere zin is zijn naam recent ter sprake geweest in enkele artikelen in dit blad. Nu de verschillen tussen hem en Luther in Utrecht zodanig worden verkleind gezien dat ook deze een samengaan van de theologische faculteit en de KTHU niet meer in de weg staan, zouden dan deze nieuwe inzichten niet eens duidelijk moeten worden gefundeerd? Het zou dan ook bewezen moeten worden dat wat eeuwenlang als een onoverbrugbare kloof is gezien tussen Luther en Erasmus uiteindelijk toch niet zo fundamenteel was, een misverstaan voor een belangrijk deel. En ook dat de felle strijd tussen de beide mannen uiteindelijk toch niet de laatste levensvragen raakte, niet ten diepste het geloof en de vraag hoe de mens rechtvaardig is voor God.
Ook over de ontwikkeling binnen de r.k. kerk is veel geschreven. In dit blad is meer dan eens krachtig met feiten en argumenten betoogd dat het niet is een beweging naar het hart van de reformatie, maar een modernistische stroming die zich breed maakt in de r.k.kerk. Als dit op onkunde en misverstaan zou berusten, dan zouden de aangevoerde argumenten en feiten afdoende weerlegd moeten worden.
Ten aanzien van de confrontatie Reformatie-Rome valt nog een opmerking te maken. Het is stellig waar dat zo'n ontmoeting kan leiden tot verdieping van eigen inzichten en verlost worden van verkeerde voorstellingen omtrent anderen. Maar moet dit leiden tot een samengaan bij de opleiding van priesters en predikanten? Is het niet een verkeerde probleemstelling om de ontmoeting met Rome te verbinden aan de opleiding van dienaren des Woords? Uit de geschiedenis is genoegzaam bekend dat de hervormers het contact met Rome niet hebben geschuwd. Meer dan wie hebben zij zich van de diepste bedoelingen van het rooms-katholicisme rekenschap gegeven. Waar het de opleiding tot dienaren des Woords betrof hebben ze echter alles gedaan om dezen toe te rusten en dóór en dóór te wortelen in de reformatie. Daarom lijkt ons het alternatief: samengaan in de universitaire opleiding of elkaar vanuit beschutte plaatsen bestoken niet juist.
Welke waarborgen biedt de nieuwe situatie voor het behoud van het reformatorisch karakter van de opleiding van de predikanten? Mogelijk verandert er momenteel niets. Maar is het ondenkbaar dat bij een toekomstige besluitvorming de docenten die de orthodoxie in brede zin vertegenwoordigen eens een minderheid vormen? En ook ten aanzien van het voortbestaan van de huidige gedragslijn van de faculteit staat toch niets vast. Toch ook niet wat betreft de te volgen procedure bij hoogleraarsbenoemingen in geval van emeritaat, uitbreiding enz.?
Daarom moeten we spreken van een ingrijpend besluit. Ingrijpend in zijn motieven en gevolgen. Wat betreft het laatste, niet alleen op dit moment maar niet in 't minst — gezien de huidige kerkelijke ontwikkeling — vanwege zijn grote onzekerheden voor de toekomst.
Tot slot volgt hier de nederlandse vertaling van de brief die over dit onderwerp door het bisdom Utrecht uit Rome is ontvangen:
Sacra Congregatio Pro Institione Catholica Eminentie,
In uw vriendelijke brief van 30 maart 1969 verzocht u de congregatie dringend, u te machtigen een samenwerkingsformule op te stellen — voor de duur van 5 jaar en bij wijze van experiment, onder bepaalde vooraf vastgestelde voorwaarden en vanaf het begin van het academisch jaar 1970-71 — tussen de Katholieke Theologische Hogeschool gevestigd te Dijnselburg en de Theologische Faculteit van de Universiteit te Utrecht.
In de afgelopen maand juni, bespraken de paters O. Thomaasse en A. v. Munster, respectievelijk praeses en rector van de school, de zaak uitvoerig ten onzent, om ons de aard en de omvang en dus de navolgbaarheid van de voorgestelde samenwerking duidelijk te maken.
Door dit gesprek werden, naar het ons voorkwam, de twijfels t.a.v. de ernstige vraag — die weliswaar door uw eminentie en door uw medewerkers reeds tevoren zeer aandachtig overwogen scheen te zijn — zowel wat betreft de priesterlijke vorming als wat betreft de academische studies, niet geheel weggenomen.
a. wat betreft de priesterlijke vorming: gezien de voorschriften van Vaticanum II, kan het niet zonder meer goedgekeurd worden dat de candidaten gedurende de eerste vijf jaren van de zeven jaren durende Utrechtse cursus, zo spaarzaam worden voorbereid op het aanvaarden van het priesterschap (ook al zijn de laatste twee jaren dan geheel gewijd aan een hogere en exclusieve priesterlijke opleiding).
b. wat betreft de academische studies: bij nader toezien komen er moeilijkheden naar voren, hoe de gewenste uniformiteit met de katholieke theologische faculteiten in studieduur en studieplan te handhaven (al bevat het gentlemen's agreement uitstekende clausules met betrekking tot de leerstoelen en docenten).
Hoe het ook zij, na alles overwogen te hebben, om te voorkomen dat deze theologische hogeschool de voordelen zou missen die voortvloeien uit de voorgestelde academische integratie, geven wij u bij deze volmacht het onderhavige experiment te beginnen. Wij rekenen er op dat men het experiment voorzichtig doorvoert en dat er jaarlijks een gedetailleerd verslag aan u en aan ons wordt uitgebracht door het bestuur van de school. Het experiment moet men zo verstaan dat het alleen betrekking heeft op de eerste vijf jaar van de zevenjarige cursus. Ter gelegener tijd zal er gesproken moeten worden over de overige twee jaren.
Sta ons toe eminentie, wat hier begonnen is ten zeerste aan uw vaderlijke toezicht aan te bevelen, opdat niet op een of andere manier, zelfs niet zijdelings, minder goede consequenties voor deze beminde leerlingen van het heilig dienstwerk het gevolg zouden zijn.
Tenslotte delen wij u alvast mede, dat binnen enkele maanden het derde deel van het Oecumenisch Directorium in druk zal verschijnen. Daarin zal gehandeld worden over het oecumenisch handelen in het hoger onderwijs. Het behoeft geen betoog dat men in de Katholieke Theologische Hogeschool te Utrecht rekening moet houden met de daarin gegeven normen.
Wij wensen u en al degenen die zich voor de school beijveren het beste en verblijven uw onderdanige en in Christus toegewijde dienaar
w.g. Gabriel Maria Card. Garrone
R’dam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's