SMIJTEGELT EN COMRIE
SMIJTEGELT EN COMRIE (V)
III.
Comrie als prediker en pastor
Het voorgaande zou misschien de indruk gewekt kunnen hebben dat Comrie een studeerkamergeleerde was, die uitsluitend dogmatische en polemische werken heeft geschreven. Indien dat zo was, dan zou hij niet één van de meest geliefde schrijvers uit de tijd van de Nadere Reformatie zijn geworden. Daarom haasten we ons om de schijnwerper te richten op Comrie als prediker en pastor.
Dat we deze twee kwaliteiten in één adem noemen heeft zijn reden. We kunnen namelijk de prediker niet van de pastor scheiden, maar ook omgekeerd de pastor niet van de prediker. Zoals bij de meeste figuren uit de Nadere Reformatie werden Comrie's preken uit het pastoraat geboren en bedreef Comrie het pastoraat op de kansel.
We bezitten van Comrie niet dat respectabele aantal preken, dat andere „oude schrijvers", zoals Smijtegelt, ons hebben nagelaten. Toch is het mogelijk, aan de hand van de enkele prekenbundels, ons een beeld te vormen van zijn homiletische en pastorale werkzaamheid.
Eén van de meest elementaire eisen die Comrie zelf aan de prediking stelde, was, dat ze eenvoudig moest zijn. Het was zijn eerste vrouw, die deze eenvoud stimuleerde. Hij vertelt zelf dat zij hem herhaaldelijk waarschuwde: „Gij weet niet half hoe onvatbaar de mensen zijn.”
In vergelijking met de preken van vele van zijn tijdgenoten is het kanselwerk van Comrie inderdaad eenvoudig. Geen lange inleidingen gaan aan „het lichaam der predikatie" vooraf. Geen toepassingen, die alle verband met de tekst missen, volgen erop. Citaten van klassieke schrijvers uit de Oudheid of verhalen uit de mythologie zoekt men tevergeefs. Comrie is voluit dienaar des Woords geweest.
Gemeten naar ónze maatstaven zouden we echter Comrie's preken niet het predikaat „eenvoudig" kunnen toekennen. Wanneer we de over het algemeen zéér lange preken lezen, met hun wijdlopige verklaringen, met hun talloze uitweidingen en hun vele verdelingen en onderverdelingen, dan zijn er maar twee mogelijkheden: óf slechts weinigen hebben deze preken begrepen, óf, als men ze wél begrepen heeft, dan moet het Woubrugge van de 18de eeuw een model-gemeente zijn geweest. Laten we het laatste maar aannemen. En laten we niet vergeten, dat onze vaderen twee eeuwen geleden langer èn beter naar een preek konden luisteren dan wij . . .
Wat zijn uitgegeven preken betreft (over de andere kunnen we uiteraard niet oordelen), deze zijn in twee groepen te onderscheiden. De eerste groep, samengebracht in zijn „A.B.C." en in zijn „Eigenschappen", heeft als centraal thema: het geloof en de rechtvaardiging. De tweede groep, in de beide bundels „Verzameling van Leerredenen", is gericht op de toestand van de kerk in het algemeen en van de gelovigen in het bijzonder. Dat hij juist deze stoffen uitgaf pleit voor de aktualiteit van zijn prediking. Enerzijds immers zag hij het antinomianisme binnensluipen. Anderzijds zag hij de nutteloze twisten over het geloof hoog oplaaien en moest hij tegelijk een verachtering in de genade en een verkilling in de liefde waarnemen. Scherp was dan ook zijn verweer tegen de nieuwe Wetsbestrijders, maar zacht en liefdevol zijn vermaan aan het adres van de ware vromen om zich weer te verenigen onder de banier van de Reformatie.
Een sterk accent kregen bij hem de door God ingestelde middelen der genade: de bediening van Woord en sacrament, het gebed en de bijeenkomsten der heiligen. Tegen het misbruik dat blijkbaar van de conventikels (gezelschappen) werd gemaakt liet hij zijn waarschuwende stem horen: „nu weet gij, hoe droevig het bij deze en die onder u gestelt is. Het is alsof eenige vrome menschen den duivel in haar binnenkamers gezien hadden; ze konnen er niet in blijven. Het is al praaten; gezelschappen houden; zoo lang bij malkanderen blijven dat er weinig tijt is om zonder bekrompenheit Godt te zoeken en gemeenschap met Hem te houden; alles geraakt in ongeregeltheit in de huisgezinnen; de tijt van afzonderinge is verloopen; men is vadzig, leedig, uitgepraat . . ." Worden er gezelschappen gehouden, dan adviseert Comrie zich op de catechismuspreek voor te bereiden of de gehoorde preek met elkaar te bespreken!
De prediking van Comrie droeg in het algemeen een Evangelisch karakter. Het allesbeheersende thema wordt gevormd door Gods beloften in Christus Jezus. Hier verraadt zich de invloed van de Schotse theologie, met name van zijn leermeesters, de gebroeders Erskine. Die invloed blijkt ook duidelijk uit zijn visie op de verhouding Wet en Evangelie. Hij schrijft in zijn catechismus-verklaring: „Laten de leeraars en ook de hoorders hieruit weten, wat ze voornamentlijk bedoelen moeten in alle hunne behandelingen van zielen; het is niet het voornaamste einde om terrificatie of verschrikkingen in de consciëntie te veroorzaken; de aarde in een hel te veranderen, en dan de menschen te laaten leggen: neen, slaan wij, het moet met een oogmerk zijn om te genezen en wij moeten als dienaren Christi, alderovervloedigst zijn om de troostleere voor te houden. Ik hebbe in het beloop van mijn leven en ook van mijne bedieninge ondervonden dat het prediken van de vrije genade, van de heerlijkheid van den Persoon des Middelaars, van het aanbodt van zaligheit, van de gewilligheit van Christus om te zaligen, en van de voorrechten van dezulke die in Hem zijn, het meest te wege brengt, om de herten onder lieffelijke aandoeninge te brengen; ende integendeel, dat uit alle de donderen der Wet niet anders als een Caïns berouw en een Judas bekeeringe voortkomt . . .”
Was de prediking van Comrie dus enerzijds nodigend en uitlokkend voor de onbekeerden, anderzijds was ze bemoedigend en vertroostend voor de waarlijk bekommerden. Hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid wijst hij altijd weer op de Middelaar en Zijn volbrachte werk.
Toch valt het niet te ontkennen dat we bij Comrie in een ander klimaat zijn terechtgekomen dan bijvoorbeeld bij de Erskine's. „De kabinetten der Evangelische beloften", bij de Erskine's „voor allen zéér wijd geopend", staan toch bij Comrie vaak op een kier. Inplaats van onbekrompen Christus en het aanbod der genade te prediken aan alle hoorders van het Evangelie vervalt hij toch vaak in een aantal wensen aan het adres van de onbekeerden. En inplaats van de bekommerden (zoals hij het zelf nodig acht) van zichzelf af en op Christus te wijzen, neemt hij toch nu en dan zijn toevlucht tot de kenmerken der genade. Waarschijnlijk heeft hij zelf zijn eigen inconsequentie aangevoeld, want soms voert hij aan dat het geloof zich richt op Gods beloften in Christus èn op vroegere ervaringen.
Deze bedenkingen doen niets af aan het feit dat Comrie een groot theoloog is geweest, die in een eeuw van verval heeft teruggegrepen naar de grondwaarheid van de Reformatie: de rechtvaardiging door het geloof alléén, en een bewogen prediker en pastor, die door zijn geschriften velen heeft vermaand en vertroost.
Oude Tonge W. van Gorsel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's