De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NOCHTANS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NOCHTANS

6 minuten leestijd

Ik ellendig mens . . . Ik dank God . . . Rom. 7 : 24a, 25a

Paulus ellendig! Ja, dat kunnen we begrijpen. Wat heeft die man niet meegemaakt! Hij heeft er een boekje over open gedaan in een van z'n brieven (2 Cor. 11). Van de Joden heeft hij vijf maal veertig slagen min één ontvangen. Driemaal is hij met roeden gegeseld. Eenmaal heeft hij schipbreuk geleden. En dat is nog niet eens de bekende schipbreuk van Hand. 27.
Tal van jaren heeft Paulus in gevangenissen doorgebracht; langer vaak dan in de vele plaatsen, waar hij op zijn zendingsreizen als vreemdeling vertoefde, zonder eigen haard of huisgezin. Toch — daar heeft niemand ooit Paulus over horen klagen. Integendeel. Paulus heeft zelfs daarover — onwijs zijnde op de manier van zijn tegenstanders — leren roemen. Hij heeft een welbehagen gekregen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden om Christus' wil. Want als hij zwak is, dan is hij machtig, door Hem, Die in Paulus' levensboek geschreven heeft: „Mijne genade is u genoeg, en Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht”.
Hij kan de littekenen van de Here Jezus in zijn lichaam laten zien. Maar nooit heeft dat hem doen klagen: ik ellendig mens.
In de gevangenis in Filippi bidt hij en zingt hij — neen, geen klaagzangen. Maar hij zingt Gode lofzangen.
Dat kan dus allemaal niet de achtergrond zijn van bovenstaande klacht.
Wat dan? Heeft Paulus soms armoede beleefd? Zeker. Een tractement had hij niet. Hij moest het hebben van zijn eigen handwerk en van hetgeen een enkele gemeente, zoals Filippi, hem af en toe toestopte. Maar Gods genade in zijn leven is zo groot, dat hem stoffelijke zorgen nooit ellendig gemaakt hebben. Hij heeft geleerd vergenoegd te zijn met hetgeen hij was. God heeft hem geleerd overvloed te hebben en gebrek te lijden.
Wat dan? Is Paulus dan misschien teleurgesteld in de mensen? Dat kan ook pijn doen. Velen zijn er door verbitterd. Inderdaad heeft Paulus ook op dat gebied het een en ander beleefd. „Zij hebben mij allen verlaten", zo zegt hij ergens. Maar hij voegt er rustig aan toe: „het worde hun niet toegerekend”.
Is Paulus dan misschien iemand, die door een grote zonde, waarin ook een bijbelheilige kan vallen, zijn eer heeft ver­ loren? Ja, dan zijn de mensen hard. Zelf zondaren willen ze toch met zo'n „monster" niet te doen hebben. Neen, dat kan ook niet de oorzaak zijn van de smartkreet: ik ellendig mens. Noem eens de naam van iemand met zulk een gaaf christenleven als dat van Paulus.
Denkt Paulus dan bij dit woord misschien aan zijn verleden, toen hij nog onbekeerd was, Christus nog niet kende en de gemeente vervolgde, toen hij nog een vreemdeling was van God en zijn hart?
Velen beweren dat, omdat een man met zo'n geloofsleven als Paulus niet meer zou kunnen uitroepen: ik ellendig mens. Maar dat kan niet. Want het staat in Romeinen 7 allemaal wel heel duidelijk in de tegenwoordige tijd.
Neen — deze man heeft maar één ding, dat hem ellendig kan maken. En dat is: de zonde.
Dit is de pijn van zijn nieuwe leven: dat hij niet is, wat hij moest zijn. En zo graag zou willen zijn. Als kind Gods en als dienstknecht des Heren. Maar dat is hij niet. Geen dag!
Het is wonderlijk gegaan met die Saulus van Tarsen. Vroeger was hij, naar hij meende, de man van de wet. Die Wet was voor hem een houten kooi van latjes en plankjes, waarin de mens zich moest laten opsluiten als een monnik in z’n cel.
Maar na en tengevolge van zijn ontmoeting met de Here Jezus Christus op de weg naar Damascus, heeft hij die wet leren kennen als een brandend vuur, dat hem verteerde. Die wet kan hem alleen verdoemen.
Die wet, waarmee hij getrouwd was, kon iedere dag wel echtscheiding en doodstraf tegen hem eisen wegens ontrouw. Maar, dankzij de wondere weg van Gods genade, is dat huwelijk met de Wet op wettige wijze ontbonden. Hij is door de wet der wet gestorven en is geworden van een Ander, namelijk Christus.
En toen is Paulus die levende, heilige, heerlijke en geestelijke wet Gods pas gaan liefhebben.
Maar — wat brengt hij er van terecht?
Wat zijn de resultaten bedroevend van de heilige kunst om naar de wil des Heren te leven! De oude zonde, in haar alleenheerschappij gestoord, is des te meer wakker geworden, geprikkeld, levend geworden. Die zonde is geen rookwolkje, dat men wegblaast. Maar een kanker, waartegen geen enkel natuurlijk medicijn baat. Paulus is geen vrijwilliger van die zonde. Maar hij voelt er zich wel vaak een krijgsgevangene van (vs. 23). Die tweespalt verscheurt zijn leven. En we gaan begrijpen, dat Paulus zegt: indien we alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? ”
En toch: „ik dank God door Jezus Christus onzen Here”.
Wonderlijk die overgang van smartkreet tot juichtoon. En toch ook weer niet. Want Paulus' klacht is een levende klacht. En waar leven is, daar is Christus ook. Er is geen leven zonder Christus, Die woont en werkt in de harten der Zijnen door Zijn Geest. De vraag: wie zal mij verlossen, is geen vraag zonder antwoord.
Wanneer is een mens het meest dankbaar, dat hij een bed heeft om op te rusten? Wanneer hij doodmoe is. Dan zegt ge: wat ben ik nu toch dankbaar, dat ik rusten mag!
Zo is het ook hier.
Juist omdat de smartkreet er één is van een wedergeborene, daarom gaat Paulus' klacht over in dankzegging. Zonder dat zou hij ook zijn werk als apostel niet hebben kunnen doen. Daarom kan hij al die andere ellende met blijdschap dragen en verdragen.
Zelfs de ellende van zijn zonde kan hem niet verlammen. Christus heeft hem in de strijd geworpen, maar laat hem daarin niet alleen tobben. Het Evangelie, dat Paulus verkondigt, is ook zijn eigen levensbrood. Hij heeft met al zijn zonden rust gevonden in Christus. In Hem is er een toegang tot de troon der genade en mag een zondaar bidden: vergeef ons onze schulden; en — leid ons niet in verzoeking. De kruisdrager zal zelfs eenmaal kroondrager worden.
Maar nu is het nog „nochtans”.
In dat „nochtans" zit de volle beleving van vers 24: ik ellendig mens. Maar ook de rijkdom van de Zaligmaker — van zondaren.
Lezer, ge zijt zondaar. Maar kent ge ook iets van deze smart, als de diepste smart van uw leven? Zo ja, luister dan als een doodmoede naar Paulus' Evangelie, naar het Evangelie van de Zaligmaker van zondaren en laat tot Gods eer ook iets weerklinken van dit „nochtans": „ik dank God”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NOCHTANS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's