PEREZ - UZA
„en hij noemde die plaats Perez-Uza tot op deze dag." 2 Samuel 6 : 8
Veertig, nee, ongeveer zeventig jaar stond de ark des Heeren in Kirjath-Jearim even ten westen van Jeruzalem. De Filistijnen hadden hem teruggebracht, maar in de dagen van Samuel heeft de ark geen rol van betekenis gespeeld. Samuel trok het hele land door, voorzover het geen bezet gebied was, en riep overal op tot hervorming, tot vernieuwing van het verbond. In de dagen van Saul deed niemand navraag naar de ark, het was oorlogstijd. De ark is in het vergeetboek geraakt. Dat is een veeg teken. De dienst des Heeren raakt in verval, er was geen heiligdom, er was geen midden, waar God woonde, en dat wreekt zich in het volksleven.
Toch zal de ark zijn plaats in dat midden weer innemen. David heeft de Filistijnen afdoende verslagen, en hij heeft Jeruzalem, het vroegere Jebus, tot hoofdstad verklaard. Daar zal de koning wonen. Daar zal de Heere wonen. De geschiedenis van de ark en de geschiedenis van David, zijn twee lijnen, die hier in elkaar overgaan. De ark is de troon Gods, die hoort in de stad Gods te staan. David is een koning die de heerschappij des Heeren over Israël laat gelden. Zijn troon staat in de schaduw van Gods troon. Daarom neemt hij maatregelen, om de ark naar Jeruzalem te halen, en het zijn geen halve maatregelen. De ark van de Heere der heirscharen, wordt door de heirscharen van Israël begeleid, het ganse huis van Israël gaat voor het aangezicht des Heeren uit. En de koning heeft, voorlopig, een tent opgeslagen, om de ark te ontvangen en onderdak te verlenen.
Het huis van Abinadab lag op een heuvel, maar het huis des Heeren ligt nog hoger. Vandaar dat het brengen van de ark naar de stad een opbrengen genoemd wordt, zoals het gaan een opgaan was. Abinadab is reeds gestorven, wellicht zijn het z'n kleinzonen die de wacht bij de ark houden: Uza en Ahio. Zolang zij dit deden, was er nooit iets gebeurd, geen heil en geen onheil. De ark bracht geen vloek en geen zegen in dit huis, als was de tegenwoordigheid Gods, geen werkzame aanwezigheid. Dat wordt nu anders.
Is David overhaast te werk gegaan? Wilde hij soms de ark halen tot meerdere eer van David, tot grotere luister voor zijn troon . . .? In ieder geval gaat hij heel slordig te werk. Als de ark maar naar Jeruzalem komt, hoe hij er komt is een tweede. Zij zetten de ark Gods op een nieuwe wagen. Het was echter uitdrukkelijk voorgeschreven, dat de ark niet gereden, maar gedragen moest worden. David doet net als de heidenen, hij kon beter weten. En wat de Heere de Filistijnen niet kwalijk neemt, kan hier in Israël terdege kwaad. Vooruit maar. Ahio loopt voorop, Uza volgt. Zij voelen zich verantwoordelijk voor het vervoer van de ark. De ark Gods, waar de Naam wordt aangeroepen, de Naam van de Heere der heirscharen. Die daarop woont tussen de cherubim — vs 2 —. Dat is nogal wat. Denken David en zijn volk daar wel aan? Houden ze de naam des Heeren wel hoog? Ja zeker er wordt gezongen en veel muziek gemaakt. Het is een feestelijke optocht! Zou dat voldoende zijn? De Heere eist gehoorzaamheid; Hij moet geheiligd worden door allen die met de heilige ark omgaan.
Op dat punt ben ik helemaal niet gerust. Het gaat toch niet om de ark, het gaat om de Heere! Hij keert terug naar Zijn volk, dat zondige volk. Om hun overtredingen had Hij hen verlaten; hoe zou Hij anders wederkeren dan in de weg der verzoening? Er zijn toch wel voorbereidingen getroffen, om het schuldoffer en het dankoffer te brengen? Nee, dat is David vergeten. Niet aan gedacht! Hoe is het mogelijk? Vraagt u zich dat nooit af?
De weg is smal en wat steil. Vlak bij de dorsvloer van Nachon struikelen de runderen; de ark dreigt van de wagen te glijden. Uza ziet het, hij strekt zijn hand uit om hem tegen te houden. Mèt dat hij dat doet, valt hij dood neer. De toorn des Heeren slaat in als een bliksem. Hij stierf aldaar, bij de ark Gods. Wat is het de Heere toch menens met Zijn heiligheid. We mogen wel oppassen, als we in Zijn dienst bezig zijn, het luistert blijkbaar nauw.
Onwillekeurig denken we terug aan Beth-Semes, waar ook doden vielen. Een gewaarschuwd man geldt voor twee. Och, dat was zo lang geleden, dat was haast een overlevering geworden. Is dat nu niet al te kras, de man stak alleen zijn hand maar uit, raakt de ark aan, hield haar even vast! Hij maakte een fout, toegegeven, maar de straf staat in geen verhouding tot die fout. Wil dan bedenken, dat de Heere zijn wet ernstig neemt, en Zijn naam. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen hoe ernstig, daarom zijn wij het eigenlijk niet eens met wat Uza overkwam. Hoe ernstig? Hij heeft de zonde, eer Hij ze ongestraft liet, aan zijn lieve zoon . . . Uza stierf bij de ark; Jezus stierf aan het kruis. Nee, de zonde is geen kleinigheid.
Uza was in overtreding. Het staat immers niet aan ons, om uit te maken hoe de Heere gediend moet worden. Dat maakt Hij uit. Hoort de wet: zo zullen de zonen van Kohath komen om de ark te dragen, maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, opdat zij niet sterven. Dat staat er niet voor niets. De Heere houdt de hand aan Zijn wet; wie zou het anders doen?
En wij. Hoe doen wij met de wet en met de naam des Heeren. Hoe gaat het er naar toe in de dienst des Heeren. Er wordt veel gereden, dat gedragen wil worden. In plaats dat wij onze schouders er onder zetten, lopen wij er naast. Zo gaat het bij het gebed en bij het geloof, in gezin en gemeente. Het heilige hobbelt wel mee, maar dan hebt u het mis. De Heere wil naar Zijn Woord gediend worden.
Omdat de naam des Heeren op het spel staat, zijn er zulke bepalingen. Hoe spoedig vergrijpen wij ons aan Zijn hoogheid, wij zien die eenvoudig niet. Dient de Heere met vreze, ontziet Hem. Bij de ark, bij alles wat de Heere heilig is, mogen wij ons wel heiligen. Hoe goed Uza het bedoelde, het was kwaad in de ogen des Heeren.
Niemand mene dat hij de Heere de behulpzame hand moet bieden. Ik denk wel eens: daar gaat de ark schuiven, straks kantelt hij van de wagen. Handen thuis, de Heere is er niet van gediend. Hij kan Zijn eigen zaak wel waarnemen, en Zijn eigen weg vervolgen. Bij de ark past geen paniek, geen krampachtig te hulp komen. Alleen maar dat dragen, in trouwe toewijding, en zonder veel drukte. Dat wil ook in deze tijd geleerd worden.
Perez-Uza. Een scheur, die de Heere scheurde, een schrik, die David van zijn stuk bracht. Ineens vervalt hij in het andere uiterste: Hoe zal de ark des Heeren tot mij komen? Zou de Heere wel ooit Zijn intrek in de stad van David nemen; het is veel te gevaarlijk om de ark te vervoeren. Zo zijn we. Eerst zijn we zorgeloos, dan overbezorgd. Eerst kan het zo wel, dan kan het helemaal niet meer. Bij Perez-Uza loopt het transport van de ark vast. Wij kunnen en durven niet verder. En toch zal de ark des Heeren in de stad van David komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's