UIT DE PERS
Kerk en wereld
Op allerlei wijze is de verhouding kerk-wereld in het geding. Nu kan men zeggen, dat dat gegeven is met het bestaan van de kerk in de wereld. Reeds in de Schrift vindt men enerzijds de vermaning zich onbesmet te bewaren van de wereld, terwijl daarnaast gesproken wordt over een gezonden zijn in de wereld. Steeds weer heeft de kerk geworsteld met de vraag, hoe te staan in deze wereld.
Maar in het huidige klimaat horen we andere geluiden. Velen zetten een groot vraagteken achter het kerkelijk instituut. De kerk moet op zoek gaan naar nieuwe, bewegelijke structuren, aangepast aan de maatschappelijke verhoudingen en de wereldse structuren, zo zegt men.
Anderen keren de kerk zozeer binnenste buiten dat ze a.h.w. opgaat in de wereld. Een eigen, intern bestaan mag zij niet voeren. Zij moet voluit in de wereld staan. En men wijst dan op het bestaan van een „latente kerk" (Tillich, Sölle), een kerk buiten de kerk, waar we ook mee moeten rekenen en wier bestaan we volledig moeten accepteren.
Wij menen dat dergelijke geluiden de ontbinding betekenen van de bijbelse kerkstructuren, en alleen nog maar aantonen hoe ver de saecularisatie is voortgeschreden in het denken van allerlei mensen over taak en plaats van de kerk.
Wij zijn daarom bijzonder dankbaar voor een artikel van prof. dr. A. A. van Ruler, getiteld „Apostolisch en apostolair" uit de Leeuwarder courant van 30 aug., dat overgenomen is in het orgaan van de chr. geref. kerken „De Wekker" van 17 oktober. Prof. v. Ruler wijst er in dit artikel op hoe de woorden „apostolisch" en „apostolair" de laatste dertig jaar wat uit elkaar zijn gegaan. De kerk moet apostolair zijn en apostolisch. Het een vloeit uit het ander voort, maar toch duidt het een op iets anders dan het ander.
Sprekende over wat men dan noemt de apostolaire gerichtheid van de kerk, maakt V. Ruler een aantal behartenswaardige opmerkingen over de eenzijdigheden waarin men tegenwoordig vervalt.
Laten we beginnen met het woord „apostolair". Daarmee wordt uitgedrukt, dat de kerk volledig midden in de wereld en midden in het leven moet staan. Ze moet daar niet alleen staan. Ze moet er ook bezig zijn. Het volle leven van de mensen en van hun samenleving is het arbeidsterrein van de kerk. Daar heeft zij haar taak te vervullen. Dat houdt ook in, dat de kerk naar alle kanten open moet staan. Ze moet extravert zijn, naar buiten gericht. Daarop wordt tegenwoordig zoveel nadruk gelegd, dat men het de kerk zelfs kwalijk neemt, als zij introvert, naar binnen gericht is en zich met haar eigen zaken, haar interne leven, bezighoudt.
Het wil mij voorkomen, dat dit een schromelijk eenzijdige en overdreven opvatting is. Om als kerk in de wereld op te treden en te handelen moet de kerk eerst iets zijn. Ze moet iets eigens zijn, onderscheiden van de staat en de maatschappij, van de cultuur en het gezin. De kerk moet zichzelf zijn, een eigen tent op de kermis van het leven. Dat moet zij ook willen. Ze moet daar ook weet van hebben. Ze moet zelfs aan zichzelf werken.
Daarom is de kerk, als het goed met haar gesteld is, ook naar binnen gericht. Zij heeft aandacht voor haar eigen, interne leven. Daar valt veel te regelen. Er zijn de prediking en de sacramenten, de liturgie en de gemeenschap, het ambt en de catechese, het individuele pastoraat en de tucht. De kerk is de bruid van Christus. Staat de bruid niet veelvuldig voor de spiegel? Ze wil zichzelf zien en eigen schoonheid. Dat begon al met Maria, het zinnebeeld van de kerk. Zij is zo verrukt van zichzelf en van wat de Here God aan haar gedaan heeft, dat zij zich zelfs verstout tot de opmerking: Want zie, van nu aan zullen mij zalig prijzen alle geslachten" (Luc. 1 : 48).
Als de kerk apostolair optreedt in de wereld is dan ook een van haar bezigheden, dat zij de mensen uitnodigt tot haar toe te treden. De kerk wil „zieltjes winnen". Dat is niet het enige, wat zij doet. Maar dat doet zij ook. Zij is er zozeer van overtuigd, dat er in haar gemeenschap iets te beleven valt, iets geweldigs, wat nergens anders te beleven is, dat zij alle mensen daarin wil laten delen. „Kom tot het licht" zegt zij tot allen. In de kerk is het heil te ontvangen. Het eeuwige leven wordt er gevierd. De gemeenschap met de middelaar.
Zonder elke uitdrukking voor onze rekening te nemen, zouden we toch de teneur van dit betoog gaarne willen onderstrepen. Inderdaad, als het goed staat, is de kerk ook naar binnen gericht. De gemeente komt samen rondom Woord en sacrament. En vanuit deze concentratie, vanuit de verborgen omgang met God kan de kerk waarlijk uitgaan tot de ander. Dat uitgaan tot de wereld is maar niet: meewerken aan de humanisering, maar nodigen: „Kom tot het licht”.
Oproepen tot bekering.
Ook over dit laatste zegt de utrechtse hoogleraar behartenswaardige dingen. Hij wijst erop hoe de buitenkerkelijke kerk moet worden, maar het buitenkerkelijke, het gewone leven in gezin, maatschappij, staat en cultuur moet buitenkerkelijk blijven. Wij mogen dat niet verkerkelijken. Er is de orde van de schepping naast die van de verlossing.
Maar deze geschapen werkelijkheid ligt onder de duisternis van de zonde. Daarom staat de kerk ook apostolair in de wereld. Vanuit het Woord Gods doet zij het licht van de schepping weer opgaan in de wereld, aldus v. Ruler. Doel van de apostolaire arbeid is de kerstening van het leven.
Ook in dit opzicht worden tegenwoordig schromelijk eenzijdige accenten gelegd. Dan verstaat men de apostolaire taak van de kerk uitsluitend in de zin van haar dienstbaarheid en haar dienstbaarheid verstaat men dan eenzijdig in deze zin, dat zij daar tegenwoordig en behulpzaam moet zijn, waar het wereldlijke leven door crises heengaat om tot oplossing van de problemen te komen. De tegenstelling tussen de rassen moet overwonnen worden! De onderontwikkelde gebieden moeten geholpen worden! De spanning tussen Oost en West moet opgeheven worden! Op al die punten moet de kerk present zijn en haar bijdrage leveren.
Men gaat daarin gedurig zover, dat men het historische proces opvat als een proces van ontsluiting en bevrijding, waardoor het leven en de wereld gaandeweg menselijker worden. De kerk heeft in haar apostolaire houding dan niets anders te doen dan overal duwtjes te geven in dit proces. Naar het mij voorkomt, schuilt in deze gedachte een ernstige ketterij. Is het historisch proces werkelijk te verstaan als een proces van zelfbevrijding van de mensheid? Is daar werkelijk het heil, de verlossing te vinden? Denkt de bijbel daar ook zo over? Vindt hij niet veeleer in de geschiedenis een duivelse opstuwing van de goddeloosheid? Er is een vleeswording van de satan aan de gang in het historische proces.
Daarom kan de apostolaire kerk niet volstaan met het geven van duwtjes, om de zelfbevrijding tot doorbraak te helpen komen. De kerk staat agressiever in de wereld. Zij roept op tot bekering, tot belijdenis en de navolging van Christus. Hoe helpt men een dronkenlap? Door hem een fles jenever te geven, zodat hij zich nog meer kan bedrinken? Neen, men pakt hem in z'n lurven en smijt hem in het cachot. Daar kan hij zijn roes uitslapen. Zo het wereldlijk leven! Het is bevangen door de dronkenschap van de zonde en het heidendom. Het moet aangevat en door elkaar gerammeld worden door de kerk.
We zijn met andere woorden niet zo maar toe aan de zuivere wereldlijkheid en de zuivere menselijkheid. Daarvoor heeft het kwaad zich te diep genesteld in de schepselmatigheid. Er moet verzoening en verlossing, bekering en wedergeboorte plaats vinden. Voordat we aan de menselijkheid toe zijn blijven we een hele poos steken in de christelijkheid. Dat is het eerste doel van de apostolaire arbeid van de kerk: de kerstening van de wereld en het leven! Zij wil de hele werkelijkheid stempelen met de gestalte van Christus.
Daarom gaat aan het apostolaire het apostolische vooraf. Zij staat met het evangelie van de gekomen Verlosser in de wereld. Zij wijst naar Jezus de Christus, de messias van Israël, de heiland van de wereld. In hem en in zijn werk is het heil aangebracht. Het rijk van God is erin op de wereld opgericht. Midden in de chaos van de goddeloosheid. Christus moet als koning heersen in de duisternis van het kruis. Hij heerst over zijn vijanden. Die legt hij strijdend aan zijn voeten. Deze strijdende heerschappij van de middelaar is volgens de bijbel de inhoud van het historische proces.
Deze dingen zijn in Palestina geschied. Als christelijke kerk liggen we voor anker in de geschiedenis. We hebben weet van de heilsfeiten, die eenmaal eens voor goed geschied zijn. Daarvan hebben we weet door middel van de apostelen en de evangelisten. Aan hen, aan de apostolische verkondiging zijn we gebonden. De kerk staat in de apostolische successie, in de opvolging van de apostelen.
Dat is het oecumenisch vraagstuk in de lengte van de tijd. De oecumenische vraag in de breedte van de ruimte luidt: hoe komen we tot eenwording van alle kerken, die er op het ogenblik zijn? Maar we moeten de oecumenische vraag ook in de lengte van de tijd stellen. Dan luidt zij: Zijn we nog één met die kerk, die door de apostolische verkondiging in het aanzijn is geroepen? Hebben we de boodschap van de apostelen zuiver bewaard? Leven we nog uit wat de apostelen zeggen, dat in Palestina is gebeurd, de kruisdood en de opstanding van de middelaar?
Deze geluiden botsen met allerlei humaniserende opvattingen, die vandaag opgeld doen. Velen zijn bevangen in een „ontwikkelings-optimisme" waarin voor de door v. Ruler gesignaleerde „duivelse opstuwing van de goddeloosheid" geen plaats meer is. Daarom ook het gemak, waarmee men de nieuwe moraal aanprijst en spreekt over menselijkheid en zinvolheid. Dat alles hangt samen met een niet willen zien van de verdorvenheid van de mens en daarom ook een verzwakking van het bijbels getuigenis inzake bekering en wedergeboorte.
Het zou de moeite waard zijn eens na te gaan in hoeverre op deze opvattingen over de kerk in de wereld het dienstbaar-zijn aan de humanisering etc. de critische visie op Genesis 1—3 van invloed is. Hangt dit ontwikkelings-optimisme hier niet nauw mee samen? Vanuit de evolutietheorie laat men de historiciteit van Adam vallen, alsmede de werkelijkheid van paradijs en zondeval. Het practisch gevolg is een optimistisch-evolutionistische visie op de maatschappelijke ontwikkeling.
Armzalig overblijfsel
„Leven wij nog uit wat de apostelen zeggen, dat in Palestina gebeurd is, de kruisdood en de opstanding van Christus? " Voor die vraag is reden, als we ons oor te luisteren leggen. Bij Bosch en Keuning verscheen onlangs de nederlandse vertaling van een boekje waarin een aantal radiolezingen over de twaalf artikelen gebundeld zijn. Bekende r.k. en protestantse theologen geven hier hun visie op het Credo van de kerk.
Men vraagt zich af, welke dienst de uitgevers aan het kerkvolk menen te bewijzen door dit boekje in het nederlands te vertalen, als men let op de vrijzinnige geluiden die hier hoorbaar worden. Het nieuwe verstaan blijkt in de practijk een ontstellende ondergraving te zijn van dat wat de Kerk in verbondenheid met de voorgeslachten en in gehoorzaamheid aan de Schrift gelooft.
Dr. M. J. Arntzen signaleert dit terecht in een artikel in het Geref. Weekblad van 17 oktober. Hij wijst op de nieuwe vrijzinnigheid die zich breed maakt en waarvan dit boekje over de geloofsbelijdenis een exponent is. Van de belijdenis der maagdelijke geboorte blijft zo goed als niets staan. Vrijmoedig wordt gesproken over de Maria-legende en de herders-legende.
We komen nu tot een centraal punt, nl. de opstanding van Christus (door Günther Bomkamm). Ook hier wordt de feitelijkheid van het gebeuren losgelaten. De paasverhalen in de evangeliën zijn „uitgesponnen" en hebben weinig geloofwaardigheid. Ons geloof moet, zo luidt de redenering, niet staan of vallen met de vraag of een bepaalde gebeurtenis in het verleden zo en niet anders heeft plaats gevonden (pag. 47). De paasverhalen bedoelen volgens Bornkamm te verkondigen het verlossende en bevrijdende binnentreden van Gods wereld in deze wereld (pag. 49). Merkwaardig is dat de auteur voor zijn opvatting steun zoekt bij Paulus, terwijl deze juist op de feitelijkheid van de opstanding alle nadruk legt. In het begin van 1 Cor. 15 wordt immers in één adem de werkelijkheid van de dood en begrafenis èn van de opstanding genoemd.
Het is een arme verkondiging en een arme Christus die overblijft, want Hij is blijkbaar in de dood gebleven. Te beklagen zijn de predikanten die door deze theologen worden opgeleid, en de kerken die straks zullen moeten leren geloven op deze „nieuwe wijze”.
We mogen nog wijzen op het artikel van de vergeving der zonden (pag. 74—79). Dit is geschreven door Max-Paul Engelmeier, een psycholoog. Er is geen sprake van dat de zonde wordt gezien als schuld, die voor God beleden en door God vergeven moet worden. Zelf zegt de schrijver met een suggestief beeld, dat hij als „leek" zoiets ook niet kan zeggen. Men kan immers volgens de auteur allerlei dingen zeggen over lijm, celluloise, drukinkt van een boek, terwijl men dan nog niets over de inhoud van het boek gezegd heeft (pag. 74.). Zo, meent hij, kan hij als psychiater weinig over de zonde als zodanig zeggen. Hij is immers geen theoloog. Maar had hij dan als „eenvoudig gelovige" krachtens het ambt van alle gelovigen niets over de zonde kunnen zeggen? Want al zijn we geen theologen, we zullen toch weet moeten hebben van onze zonde en verlorenheid voor God, en van de noodzaak van de vergeving en verzoening door Christus' kruisoffer. Het belijden is een zaak van de hele gemeente. We krijgen wel eens de indruk, dat het een zaak wordt van „deskundigen", die plaatsvervangend voor de anderen moeten geloven. Zij zouden dan moeten uitzoeken hoe het geloof vandaag de dag functioneren moet. En zoals de eenvoudige kolenbranders in Italië vroeger maar geloofden, wat de geestelijkheid geloofde, zo krijgen wij een kring van experts, theologen, sociologen, psychologen, futurologen enz. die voorschrijven, hoe ons geloof in deze tijd fimctioneren moet.
Het is echter een oer-reformatorisch gegeven, dat we dit geloof zelf verwerven, zonder dat zich een mens tussen God en onze ziel inschuift. We zullen de hulp van geleerden bij de bijbeluitleg dankbaar aanvaarden, maar zij hoeven niet voor ons uit te maken, zoals in dit boek van Bornkamm e.a. wie God nog is in deze tijd, wat we van de opstanding van Christus nog kunnen geloven, wat zonde is en genade. Want dat weten we zelf door het onderricht van de Heilige Geest.
De genoemde psychiater wil weinig meer weten van een wet Gods, die norm en richtsnoer van ons leven is. De mens zou „volwassen" moeten worden, en „vrij moeten vragen naar zin en betekenis, naar het eerlijk zinvol maken van het leven". „Aangeleerde antwoorden (dus ook die uit bijbel en belijdenis) gaan hun bezwerende kracht verliezen" (zie pag. 78).
Veel meer zou nog te zeggen zijn over dit boek, dat men uiteindelijk met diepe teleurstelling weglegt. Moet onze generatie nu met dit ellendig en armzalig overblijfsel van „geloof" blijven zitten?
Men kan natuurlijk zeggen: Nu ja, dat komt voor rekening van genoemde theologen. Maar zij staan niet op zichzelf. De crisis die hier openbaar komt, de ondermijning van de fundamenten der kerk heeft zijn wortels in een crisis in het Schriftgeloof. Bovendien moeten we bedenken dat deze lezingen bedoeld zijn als voorlichting aan het grote publiek. Via de radio en het gedrukte woord wil men de mensen bereiken en ze bekend maken met de inhoud van het christelijk geloof. Dat is ook een vorm van apostolaire benadering. Maar een dergelijk „apostolaat" dat volkomen wordt losgemaakt van het apostolisch getuigenis werkt alleen maar verwoestend en ontbindend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's