De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schepping en evolutie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schepping en evolutie

7 minuten leestijd

I.
De Prediker en het leven
De prediker zegt dat er niets nieuws onder de zon is. Wat er geweest is dat zal er zijn en wat er gedaan is dat zal gedaan worden. Als we nu eens om ons heen zien dan zouden we kunnen denken dat de Prediker zich danig heeft vergist. Wat een dingen zijn er rondom ons die er nog nooit geweest zijn. De techniek en de wetenschap hebben een vlucht genomen als nooit tevoren. Maar toch, als je het Predikerboek nauwkeurig leest, dan bemerk je dat de Prediker er toch niet zo ver naast was. Hij beschrijft het menselijk leven door de tijden heen en signaleert als het ware een voortdurende kringloop. Het ene geslacht gaat en het andere komt. En elk geslacht tobt zich af met telkens weer dezelfde vragen. De vragen van leven en dood, de vraag naar afkomst en bestemming, de vragen van tijd en eeuwigheid, de vragen van God en mens.
In welke cultuursituatie de mens ook leeft en door welke producten van de techniek zijn leven ook is omringd, ten diepste keren dezelfde levensvragen telkens weer terug, zij het steeds in eigentijds gewaad. In de bijbel is dan ook nauwelijks een boek te vinden waarin het menselijke leven in zijn totaliteit zo wordt getekend als in het Predikerboek. Daarmee leert de Prediker ons tevens de vragen van de eigen tijd zo te relativeren, dat we niet zouden gaan denken dat pas in onze tijd de wezenlijke vragen voor het eerst aan de orde komen.
Wat er nu is, is er al geweest in de geslachten die vóór ons leefden. Dan mag onze tijd een geweldige dynamiek te zien geven en beheerst worden door stroomversnellingen op alle gebied, het is nog maar zeer de vraag of de problemen van onze tijd inderdaad complexer zijn dan de vragen waarvoor de vorige geslachten werden geplaatst. De Prediker leert ons de eigentijdse vragen terug te brengen tot de juiste proporties. Hij ontneemt aan elk eigentijds bezig zijn een al te grote gewichtigheid, door enerzijds de kringloop van het menselijk bezig zijn te schetsen en daar anderzijds tegenover te stellen het eeuwigheidswerk van God. De mens beweegt zich in een kringloop zodat hij steeds weer op dezelfde punten aanlandt als de geslachten voor hem. Daar komt hij niet uit en niet boven uit. Maar het werk van God is eeuwig. De Prediker zegt ervan: Ik weet dat al wat God doet in eeuwigheid zijn zal, en er is niet toe te doen noch af te doen en God doet dat opdat men vreze voor Zijn Aangezicht (Pred. 4:14). Alleen Gods werk is in plaats van een kringloop een weg met een doel. Zijn werk is van eeuwigheid tot eeuwigheid en daarin is het menselijk leven tussen Schepping en Voleinding begrepen. Alleen dat geloof haalt het menselijk leven uit de altijd durende kringloop en plaatst het in het perspectief der eeuwigheid, zodat het leven een zin krijgt en een bestemming.

De eigentijdse vragen
Men zou zich af kunnen vragen wat deze inleiding te maken heeft met de titel, waaronder dit artikel en de artikelen die erop volgen geschreven zijn. We willen in deze artikelen namelijk één en ander zeggen over de vragen rondom geloof en wetenschap, of, preciezer gezegd, rondom schepping en evolutie. Toch is het bovenstaande bewust zo geschreven. In onze tijd dringen deze vragen zich van alle kanten onweerstaanbaar op. Zo er één onderwerp is, waarmee zo langzamerhand iedereen geconfronteerd wordt, dan is het dit wel. Het gevaar dreigt echter dat deze vragen zo allesbeheersend worden, dat we in de kringloop, die Prediker ons tekent, gevangen blijven, terwijl we er zo in blijven steken dat het eeuwigheidsperspectief van de tijd die ons toegemeten wordt op de achtergrond raakt. Anders gezegd, dat we zo geïmponeerd worden door de vragen van de tijd en zo beheerst worden door de vraag hoe we in het licht van de eigentijdse vragen de Schrift nu eigenlijk wel moeten lezen, dat we niet meer toe komen aan het leven uit de Schrift en we de kracht die van het Woord uitgaat in eigen leven gaan missen.
Ook de vragen waarom het in onze tijd gaat zijn er al eerder geweest. Ze komen alleen nu in eigentijds gewaad tot ons. Door de tijden heen is het vraagstuk van de Schepping en de betekenis van de Schriftgegevens hierover aan de orde geweest. Je komt de vragen hierover tegen in de werken van Augustinus. Calvijn heeft erover geschreven. In een preek van Phiipot lezen we een passage, die in onze tijd geschreven zou kunnen zijn, gezien de stellingname tegen het tot mythe verklaren van de eerste hoofdstukken van Genesis, zoals dat kennelijk in zijn tijd ook voorkwam. Uit dit alles blijkt dat de vraagstelling in de loop van de tijd steeds weer anders geweest is maar dat de vragen zelf zich steeds weer herhalen in een voortdurende kringloop.
Met dit alles willen we de vragen die er zijn niet ontkrachten. Wel dienen we ze te relativeren. Opdat we enerzijds de eigen tijd niet overschatten en anderzijds niet zo gevangen raken in de genoemde vragen dat we over de schepping nog wel theoretiseren, zonder echter van harte te belijden het geloof in de Schepper.
Wat is er aan de hand?
Voor de niet-ingewijden kan het van belang zijn de vragen, die thans met betrekking tot de schepping aan de orde zijn, op een eenvoudige wijze uiteen te zetten.
Charles Darwin, (1809—1882), zoon van een in Leiden gepromoveerde arts, kwam gedurende zijn studie — hij studeerde theologie — in contact met een botanicus Henslow en een geoloog Sedgwick. Door bemiddeling van Henslow mocht hij een wetenschappelijke wereldreis van de marine brik The Beagle meemaken. Die reis heeft grote betekenis gehad voor zijn verdere leven. Hij had reeds lang belangstelling gehad voor het zogenaamde evolutievraagstuk en in de tijd die volgde op de reis die hij gemaakt had, kwam het steeds meer voor hem vast te staan dat bepaalde veranderingen, die zich thans voordoen in de diverse organismen van de levende en de dode natuur, ook in het verleden hebben plaats gevonden. Daaraan verbond hij de conclusie dat de diverse soorten organismen niet constant waren, maar in het verleden de één uit de ander waren ontstaan. In iedere soort bestaan kleine verschillen tussen de verschillende individuen (varianten). Bepaalde varianten blijven in de loop van de tijd, door een samenspel van omstandigheden, behouden. Andere varianten, die de omstandigheden tegen hebben, worden vernietigd. Door deze herhaalde selectie ontwikkelen zich gedurende vele miljoenen jaren, aldus Darwin, nieuwe soorten. Aanwijzingen hiervoor zijn de gevonden fossielen. In 1859 heeft Darwin deze theorie vastgelegd in een boek, getiteld „On the origin of species by means of natural selection" (Over het ontstaan der soorten door natuurlijke selectie). Dit werk heeft in de wetenschappelijke wereld van die tijd grote invloed gehad.
Volledigheidshalve moet hierbij worden vermeld, dat de ontwikkeling bij Darwin in natuurwetenschappelijk opzicht gepaard ging met een ontwikkeling ten aanzien van het geloof. Was hij oorspronkelijk orthodox christelijk, geleidelijk werd dit anders. Op een bepaald moment stelde hij evenveel vertrouwen in de boeken van het Hinduïsme als in het Oude Testament. Hij ging twijfelen aan de wonderen in de bijbel omdat het leven volgens vaste natuurwetten verliep. Vervolgens wees hij de goddelijke openbaring af en tenslotte verdween het laatste restje aan christelijk geloof, zodat hij zelf zei: „Zo bekroop mij geleidelijk het ongeloof, maar tenslotte was het volkomen. Het ging zo langzaam dat het mij geen verdriet deed." Zo kwam Darwin op grond van een bepaalde ontwikkeling binnen de soorten (evolutie), zoals die door natuurwetenschappelijk onderzoek gevonden was, tot een natuurwetenschappelijke theorie (de evolutietheorie), die uiteindelijk uitmondde in meer of minder uitgesproken levensbeschouwing waarin voor God als Schepper geen plaats meer was (evolutionisme). Deze drie genoemde zaken zullen we telkens moeten blijven onderscheiden. De evolutie, de evolutietheorie en het evolutionisme hebben weliswaar sterk met elkaar te maken, maar dienen in bepaalde opzichten toch duidelijk van elkaar te worden onderscheiden. De evolutie is een door natuurwetenschappelijk onderzoek geconstateerd verschijnsel. De evolutietheorie is een hypothese, waarin de gevonden resultaten zijn verwerkt en waarin de conclusies over het ontstaan der diverse soorten en organismen is vervat. Het evolutionisme is een op de evolutietheorie gebaseerde levens- en wereldbeschouwing waarin geen plaats is voor een scheppende God, maar waarin het geloof in een zelfstandige ontwikkeling der dingen centraal staat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Schepping en evolutie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's