HET LEVEN DER HEILIGMAKING
VI.
„Ik dank God"
Maar de apostel is wel verdrukt doch niet benauwd, twijfelmoedig doch niet mismoedig, vervolgd, doch niet daarin verlaten, nedergeworpen, doch niet verdorven, 2 Corinthe 4 : 8—9. De klacht is niet het einde, want hij vervolgt: Ik dank God door Jezus Christus onze Here", Romeinen 7 : 25.
Want wat heeft die Borg en Zaligmaker voor de Zijnen weggelegd? Lees dat na in het volgende hoofdstuk. Waarom kan hij roemen, zelfs in verdrukkingen?
a. Romeinen 8 : 1—17 (Er is wel strijd) maar „er is geen verdoemenis meer voor diegenen, die in Jezus Christus zijn, die niet naar het vlees wandelen maar naar de Geest." Die Geest houdt hen staande, leidt en troost hen.
b. Romeinen 8 : 18—39. Gods kinderen hebben de Geest, die in hen woont, maar ook dat is nog maar ten dele. Zij hebben nog maar de eerstelingen des Geestes. Maar eerstelingen zijn een onderpand en een voorproef van de volle oogst. Daarom kunnen Gods kinderen ook hoopvol uitzien naar de heerlijkheid, die aan hen geopenbaard zal worden. Die hoop doet Paulus uitbreken in het loflied. Niets ter wereld zal ons ooit kunnen scheiden van de liefde Gods in Christus.
Zo ziet en beleeft dus iemand als Paulus de heiligmaking. Uit Christus ontvangen wij niet alleen de rechtvaardigmaking, maar ook de heiligmaking, door Zijn Geest, Die in ons woont. Wij worden immers één plant met Hem. Daardoor ontvangen wij deel aan Zijn dood (rechtvaardigmaking), maar ook deel aan Zijn opstanding (levendmaking, heiligmaking).
Maar zolang wij in dit lichaam inwonen is de strijd nog niet volstreden. Het vlees onderwerpt zich nooit aan de wet Gods! Maar hoe beklemmend de strijd ook kan worden, de overwinning is zeker. De Here zal het volenden.
Geroepen tot heiligmaking
Maar al zal God het voleinden, die voltooiing geschiedt niet zo, dat de mens passief, lijdelijk is. Hij wordt voluit geroepen tot heiligmaking, om „de heiliging te voleindigen in de vreze Gods", 2 Corinthe 7: 1. Daarom geeft de apostel ook in Romeinen 12—16 verschillende vermaningen tot een met ernst zich toeleggen op heiligmaking.
Hij begint deze vermaning met de bekende woorden: „Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot een levende, heilige Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst". Eigenlijk staat er: „uw redelijke godsverering, uw redelijke godsdienstoefening”.
In de oud-testamentische godsdienstoefening namen tweeërlei offeranden een grote plaats in: het zondoffer als afschaduwing en belofte van het ware zondoffer van Christus; het dankoffer als symbool en uiting van de dankbaarheid aan God voor Zijn genade. Die beide offers, behorend tot de oud-testamentische voorbereidingstijd, zijn nu voorbij: Christus bracht het ware offer tot verzoening; de gelovigen kunnen niet meer volstaan met een dier als dankoffer, zij moeten nu hun leven, hun eigen lichaam, Gode wijden als een levende dankofferande. Dat is de redelijke, de volwassen vorm van de Godsverering. Wij moeten God niet meer dienen in de oudheid der letter, maar in de nieuwigheid des geestes, Romeinen 7: 6.
Deze algemene grondregel werkt Paulus dan uit in verschillende onderdelen. Wij worden vermaand om deze wereld niet gelijkvormig te worden, maar te zoeken „de vernieuwing des gemoeds"; dan krijgen wij een bijzondere gevoeligheid „om te beproeven, welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods is". Zonder die heiligmaking stompt ons geestelijk gevoel af, door heiligmaking wordt onze geestelijke zin gescherpt, Romeinen 12 : 2.
Verder worden wij vermaand tot bescheidenheid en nederigheid (vers 3); zich geven ten nutte van de gemeente (vers 4—8); tot onderlinge liefde, want de liefde is de vervulling der wet (vers 9—14); tot hartelijk medeleven met elkaar: zich verblijden met de blijden en wenen met de wenenden (vers 15—19); tot liefde tot de vijanden; goed te doen hen, die ons kwaad aandoen (vers 20—21). Uit dit alles blijkt de eenheid van het Oude en het Nieuwe Testament. Klinkt in het Oude Testament permanent de eis: Weest heilig, want Ik, uw God, ben heilig", ook in het Nieuwe Testament blijft deze eis klinken, zoals Jezus het ook zelf formuleerde: Weest dan gij lieden volmaakt — in de liefde — gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is", Matthéüs 5 : 48.
In hoofdstuk 13 volgen weer nieuwe vermaningen. Wij moeten de overheden onderworpen zijn in alles, opdat wij onder haar gezag een „stil en gerust leven mogen leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid". Door haar wetten en straffen werkt de overheid mede aan heiliging des levens (vers 1—7).
Liefde blijft het grote gebod in de wet. Wie liefheeft, die heeft de wet vervuld (vers 8—10). Met dit alles moeten wij ernst maken en dat zoveel te meer nu de grote dag des oordeels nadert. Wij moeten wandelen als kinderen des lichts, afleggen de werken der duisternis en aandoen de wapenen — n.b. de wapenen! — des lichts. Er moet gestreden worden tegen de zonde en de wereld en de duivel, soms ten bloede toe, Romeinen 13 : 11—14. Vergelijk Hebreen 12 : 4—13.
In deze trant gaat Paulus voort in de slothoofdstukken van de Romeinenbrief, de hoofdnadruk leggend op het gebod der liefde. De heiligmaking als vervulling der wet moet zijn een heiligmaking in liefde.
De wet is dus voor Paulus geen lijk, dat wij mogen begraven; voor Gods kinderen is hij wel tot „een lijk geworden" als strenge scherprechter, die hen wil oordelen voor eeuwig, maar hij blijft een levenslange onderwijzer. Was hij hen eerst een tuchtmeester tot Christus, om uit het geloof gerechtvaardigd te worden, hij blijft in Christus levenslang een tuchtmeester tot heiligmaking in de vreze Gods.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's