BOEKBESPREKING
J. Veenhof, Revelatie en inspiratie, 712 blz., geb. ƒ 57, 50, Uitgave Buijten en Schipperlieijn, Amsterdam, 1968.
Deze zeer uitvoerige studie waarvan de ondertitel luidt: „De Openbarings- en Schriftbeschouwing van Herman Bavinck in vergelijking met die der ethische theologie" diende de schrijver ter verkrijging van de graad van doctor in de theologie aan de universiteit van Göttingen.
H. Bavinck (1854—1921) is niet het minst door zijn 4-delige Gereformeerde Dogmatiek (1ste uitg. 1906 v.) van grote betekenis geweest voor de gereformeerde theologie in ons land, maar ook daarbuiten. Uit een boekwerk als het onderhavige blijkt wel, hoezeer deze eminente geleerde destijds lijnen getrokken heeft, die vandaag niet zomaar kunnen worden uitgewist. Het is geen boek om in een enkele dag door te vliegen; wie echter de tijd er voor kan vinden om het grondig te bestuderen zal er zeer door worden verrijkt; het is meer dan een stuk historie als Bavinck vergeleken wordt met de theologie, die in zijn dagen opgeld deed. Wij worden in onze dagen voor dezelfde vragen gesteld — dezelfde en toch anders. Het betekent ook winst als de schrijver vele citaten uit oude brochures en tijdschriftartikelen heeft opgenomen naast vele aanhalingen uit gemakkelijk te bereiken bronnen. Zo komen Bavinck en anderen als Chantepie de la Saussaye, Gunning, de lateren als Valeton, Cramer en De Vrijer e.a. vele malen zelf aan het woord, zonder dat zij telkens in de rede worden gevallen.
In hoofdstuk I geeft de schrijver dan een historische oriëntatie. Ten aanzien van de nareformatorische orthodoxie zegt hij, dat de vrees gewettigd is, dat de rol van de menselijke auteur (bij de inspiratie) slechts pro memorie wordt uitgetrokken, al waren er wel andere stemmen. Hij tekent de theologische achtergronden van het supranaturalisme, van de Groninger school, en het modernisme van J. H. Scholten, bij wie het zwaartepunt van het autoriteitsbegrip verlegd is van de Schrift naar de mens. Bij Scholten vindt men lang voor Kahler de stelling, dat de Schrift allerlei geschiedkundige feiten over het leven van Jezus brengt, die daarom nog niet tot de Christus-prediking (het kerygma) behoren. Na een brede analyse van de ethische theologie poneert de schrijver in een aantal conclusies o.a., dat de ethischen progressief waren, dat openbaring niet bekendmaking is van een bepaalde leer, maar mededeling van leven, dat juridische handhaving van de belijdenisgeschriften en confessionalisme een gevaar betekenen voor de kerk, op hun andere Schriftbeschouwing.
De schrijver heeft grote eerbied voor Bavinck. Tussen Bavincks dogmatiek en zijn persoonlijk geloof was hoegenaamd geen kloof. Het typerende van Bavinck was, ook wel in onderscheiding van andere gereformeerde dogmatici zijn opbouwen uit de Schrift. Hij heeft wel oog voor de zwakkere kanten in B. oeuvre; dr. Veenhof zou soms wensen, dat Bavinck minder teksten opsomde en meer detailexegese gaf. Bovendien zet Bavinck soms in zijn dogmatiek een punt, waar het juist spannend gaat worden.
In het hoofdstuk over de grondmotieven in de beschouwingen van Bavinck over openbaring en schrift zitten wij midden in de vragen, die vandaag ons bezig houden. Hier wijst de schrijver op de spanning in Bavincks uiteenzettingen over algemene en bijzondere openbaring; deze spanning tussen schepping en herschepping, tussen het algemene en het bijzondere werkt ook door in de omschrijving van de inspiratie. Dr. Veenhof gaat in tegen de uitspraken van Bavinck waarin hij openbaring en incarnatie identificeert. Wat is nu eigenlijk het wezenlijke van de inspiratie? Bavinck zegt o.a.: Notariële optekening is de inspiratie blijkbaar niet geweest. Hij spreekt van het mysterieus karakter van de oorsprong, inhoud en kracht van de Schrift. Een inspiratie is daarom geen verklaring van de Schrift en dus eigenlijk ook geen theorie, maar zij is en behoort te zijn een gelovige belijdenis van wat de Schrift aangaande zichzelf getuigt, in weerwil van de schijn, die tegen haar is. En met instemming Bengel aanhalende zegt hij: Uit de openbaring voortgekomen wordt zij door de theopneustie levendig gehouden en efficax (werkzaam) gemaakt. Zowel Kuypers als Bavincks Schriftbeschouwing wordt gedragen door de overtuiging, dat de onverkorte handhaving van het Goddelijk auteurschap de erkenning van de menselijkheid niet frustreert, maar deze eerst recht mogelijk maakt. Bavinck had principiële bezwaren tegen de Schriftkritiek. Hij waarschuwt menigmaal tegen clericalisme in de wetenschap en tegen wetenschappelijke hiërarchie. Diep was hij doordrongen van de relativiteit der wetenschap, ook der Bijbelwetenschap. Bavinck meende, dat zijn gedachte van een organische inspiratie een bijdrage zou zijn voor de oplossing van vele problemen, maar zijn gehele leven bleef hij aan deze vragen tillen.
Na vergelijking van Bavincks beschouwingen met die van de ethische theologen als Chantepie de la Saussaye, Gunning en in een volgend hoofdstuk met Valeton e.a. volgen een aantal conclusies. Bavinck verzet zich tegen de opvatting als zou openbaring, mededeling van leven zijn, hij brak met een mechanische opvatting van de Schriftinspiratie; hij wees de gedachte (o.a. bij Brouwer) als zou inspiratie illuminatie betekenen en meer niet, af. Bij de ethischen was de tendens tot devaluatie van de Schrift als Schrift. Dr. Veenhof wijst er op, dat Brouwer ten onrecht poneerde, dat Bavincks Dogmatiek op de protestantse scholastiek is gebaseerd.
De grote vraag, die èn Bavinck èn de ethischen bezig hield was die naar het wezen en de werking van de openbaring. Daarbij was er van de zijde van Bavinck een conflict met de ethische theologie maar ook synthese. De Schrift is hem grond van het geloof anders dan bij de ethischen, op wier grote betekenis de schrijver wijst. Dr. Veenhof wijst er op, dat de huidige beschouwingen en discussies cirkelen om juist die problemen die tussen Bavinck en de ethischen in het geding was.
En hierbij moet ik het wel laten. Het is toch al een lang verhaal, maar het boek is het waard, dat er in den brede van kennis wordt genomen. Het Schriftvraagstuk moet ons blijven bezighouden. En Bavinck wijst ons ergens een weg. Men is van de Schriftkritiek niet af met een enkel woord; met een armzwaai zijn de vraagstukken niet van de tafel af te vegen. Bavinck had gelijk als hij zeide: De Schrift is een boek voor de eeuwen en heeft dus met haar rechtvaardiging de tijd.
J. A. T. Robinson, God in alles, 160 blz., 7, 50. Uitgave W. ten Have, Amsterdam, 1968. Dorothee SöUe, Phantasie und Gehorsam, 72 S., DM 3, —. Uitgave Kreuz Verlag, Stuttgart, 1968.
H. Gollwitzer, Plaatsbekleding van God, 164 blz., ƒ 8, 90. Uitgave W. ten Have, Amsterdam, 1968.
M. F. van Dijk, Horizontalistische Godservaring, 120 blz., ƒ 8, 90. Uitgave T. Wever n.v., Franeker, 1969.
Omdat deze boeken wat de onderwerpen betreft bij elkaar behoren voeg ik ze ter aankondiging onder één hoofd samen.
Robinson, schrijver van het veelgeprezen en anderzijds veel bestreden „Eerlijk voor God", hield een aantal lezingen aan de Stranford Universiteit in Califomië, die nu in nederlandse vertaling voor ons liggen; het is het zesde boek van Robinson, dat in de Carillon-speciaal-reeks uitkwam. De auteur werkt hier zijn gedachten nader uit; hij wil fundamenteler en radicaler zijn, waarbij hij ook ernstig ingaat op de kritiek, die hem niet bespaard is gebleven. Hij ging uit, zegt hij, van een fundamentele verbondenheid met het hart van het christelijke geloof, zoals dat is samengevat in de apostolische zegenbede. Hij is geen atheïst, wil geen bijbels personalisme vervangen door onpersoonlijk pantheïsme, noch ook transcendentie door immanentie. Hij kiest voor pan-en-theïsme. Hij houdt vast aan het geloof aan een persoonlijk God, maar dat wil niet zeggen, dat hij een metaphysisch wezen „daarbuiten en daarachter" aanneemt. Hij vindt de term „dood van God" een ongelukkige term, maar zij vraagt aandacht voor het feit, dat de werkelijkheid van God voor de mensen van deze tijd is doodgegaan. Hij zet uiteen de ideeën, die hij bij Bultmann, Tillich en Bonhoeffer vond.
Het tweede werkje is van de hand van Dr. Sölle, die zeer moderne opvattingen heeft voorgesteld in Stellvertretung (ook in het Nederlands vertaald) en wier referaat op de Kirchentag in Köln in '65: Kirche ist auch asserhalb der Kirche tot heftige discussies aanleiding heeft gegeven. Dit werkje geeft „overwegingen voor een toekomstige ethiek". Zij gaat uit van het begrip gehoorzaamheid, wel genoemd het sieraad van de christen, en de sleutelgedachte van de gehele christelijke boodschap. Maar zegt zij — en dat terecht — gehoorzaamheid is een volkomen formaal begrip. Blinde gehoorzaamheid leidt tot bevel is bevel met al de vreselijke gevolgen, daaruit voortvloeiende. Een ethisch systeem is denkbaar waarin alle deugden op fantasie rusten. Dat kan bij Christus geleerd worden. „Hoe meer geluk, hoe meer overgave" (Preisgabe).
Het werk van Gollwitzer is een antwoord aan D. Sölle. In het bovengenoemde werk zegt Robinson van hem: hij vertegenwoordigt de krachtige reactie van de traditionele orthodoxie op de ondermijning van het objectieve bestaan van God als bovennatuurlijk persoon. Scherp is Gollwitzer in zijn kritiek tegen de ideeën van Sölle. Hij vindt bij haar een minachting van het oud-kerkelijke dogma van de twee-naturenleer. Het naïeve theïsme, de onmiddellijke kinderlijke verhouding tot de Vader ginds boven de sterren is onmogelijk geworden, schrijft Dr. Sölle. Hierop zegt de schrijver in een goed getuigend woord o.a.: Men neemt dus aan, dat dit vroeger wel mogelijk was? Het christelijk geloof gaat hier lijnrecht tegen in. Het vertrouwen op Hem is geen houding, die alleen verklaarbaar is bij mensen die nog geen zware dagen gekend hebben! Wij moeten ons laten leiden door de bijbelse boodschap en niet door de geest van de tijd. Deze gedachte vinden we bij D. Sölle meer: wij leven in een post-theïstisch stadium. Zij bestrijdt de exclusieve of objectieve verzoeningsleer, maar wie dit doet zegt Gollwitzer, tast de plaatsbekleding van Christus in de kern aan. Voor Sölle betekent plaatsbekleding: Jezus Christus bekleedt Gods plaats in een tijd waarin God ver is, een tijd van duisternis.
En tenslotte het boek van ds. Van Dijk: een studie over het geloof in God bij Robinson. Na geschreven te hebben over de ondergang van de religieuze ervaring in deze tijd gaat hij in op „reddingspogingen van Robinson": het religieloze christendom van de toekomst zal God binnen moeten zoeken: in de diepten van het eigen bestaan. God is geen wezen boven en buiten en apart van de wereld. Omdat Robinson sterk onder invloed staat van Tillich gaat de schrijver op de theologie van Tillich nader in. Met deze theoloog zijn wij in een ander klimaat van gedachten dan in de Bijbel. Tillich aanvaardt niet dat wij in een gebroken wereld leven. God is voor hem de grond van het persoonlijke leven van de mens. Voor het gebed als een spreken met God en tot God is geen sprake meer. De sleutel tot het denken van Tillich ziet de schrijver in de idealistische filosofie van Schelling. Ds. Van Dijk eindigt met een waarschuwing voor deze theologie, die een stap terug betekent naar de negentiende eeuw met haar modemisme, dat in vele plaatsen kerkverwoestend heeft gewerkt.
Met dit hoor en wederhoor eindig ik. Wat is er veel, dat in theologie van deze tijd ingaat tegen wat de Schrift ons voorhoudt! Het probleem van de openbaring is altijd weer het eerste, waarvoor we gesteld worden. Maar deze dingen kunnen wij niet maar aan ons laten voorbijgaan. Er moet over gestudeerd worden, waarbij het eerste is en blijft — en dat missen we in menig boek van de moderne theologie —: wat zegt de Schrift?
U. Bt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's