DE ARK OP HAAR PLAATS
„Toen zij nu de ark des Heeren inbrachten, stelden zij die op haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had. 2 Samuel 6 vs 17
Er loopt een lijn door de geschiedenis, die men de lijn van David zou kunnen noemen. Hoe hij koning werd, en de stammen door hem werden verenigd tot een volk. En er loopt een lijn, die men de lijn van de ark zou kunnen noemen; hoe zij terugkeerde, en wat dat voor Israël betekende. Beide lijnen lopen uit op de stad Davids, op de berg Sion. Jeruzalem is de residentie, hier is het paleis. En hier is, voorlopig nog de tent, straks de tempel. Paleis en tempel, zij maken de dienst uit voor het volk desverbonds. De Heere maakt de dienst uit, Hij regeert. Davids koningschap is een teken van Gods koningschap. En Gods koningschap wordt betekend en verzegeld door de ark, daar troont de Heere immers. Israël kent geen democratie, in die zin, dat het volk het voor het zeggen heeft. Het kent ook geen monarchie, in die zin, dat de koning het voor het zeggen heeft. Het is niet zo, dat de meeste stemmen gelden, opdat die éne stem geldt. Israël kent een theocratie. Gods wet geldt. Vorst en volk mogen zich stellen onder Zijn heerschappij, overheid en onderdanen zijn gehouden de wil des Heeren te doen.
De ark in de stad van David, dat is ook van staatkundige betekenis. In de ark ligt de wet: van Sion gaat de wet uit. Het gaat in stad en land niet zonder de dienst des Heeren, en het gaat zeker niet goed zonder de dienst des Heeren. Wat is de ware vrijheid? De vrijheid om God te dienen naar Zijn Woord. En wat is de ware eenheid? Samen God te dienen naar Zijn Woord. Dat is de worsteling van onze vaderen geweest, een worsteling om déze vrijheid en deze eenheid. Daar worden wij aan herinnerd. Wij zijn het haast vergeten. Er doen zo veel leuzen en kreten opgeld, dat wij de plaats van de ark in ons volksleven, buiten beschouwing plegen te laten. Wij zullen die op haar plaats moeten zetten, het volk ten goede.
David zegent het volk in de naam van de Heere der heirscharen. De overheid is een zegen voor het volk, als zij rekent met de wet des Heeren. Een volk dat zich tot de dienst des Heeren verbindt, is een gezegend volk. De troon in de schaduw, van Gods troon. Een parlement, dat de tempel niet sloopt. David komt als het ware uit de tempel, en zegent dan Israël, zegent zijn eigen gezin. Komt de ark op haar plaats, dan zal de samenleving daar zo goed mee zijn. Het ambt van de overheid is niet alleen koninklijk, het krijgt iets priesterlijks, zoals de vader priester is in zijn gezin.
Wat koopt men voor de zegen. Brood en spelen roept men luidkeels, de zegen des Heeren kan ons dan gestolen worden. Wordt die ons geschonken, dan betekent hij tevens welvaart en welzijn. Vóór de mensen naar huis gaan deelt David geschenken uit: een broodkoek, een stuk vlees en — waarschijnlijk — een druivenkoek. De koning zal in gerechtigheid regeren, gerechtigheid die er zorg voor draagt, dat niemand te kort komt. Dat de welvaart niet aan enkelen ten deel valt, maar heel het volk ten goede komt, zo wilde het de Heere. De Heere doet aan allen wèl. Te weinig houden wij rekening met de gerechtigheid in het sociale leven. Toch is dat duidelijk een gezichtspunt van het koningschap Gods. David maakt een koninklijk gebaar; de koning heeft het recht lief, geen volksgenoot mag verkommeren.
Wij willen de lijnen nog verder doortrekken. De lijn van David loopt uit op Christus. De lijn van de ark loopt uit op Christus. Hij is in de wereld gekomen, God maakte woning, nam Zijn intrek onder ons. Wat de ark slechts schaduwachtig aanduidde, krijgt in Christus gedaante, en wordt in Hem waarheid: Immanuel, met ons is God. Denk terug aan de donkere dagen, de inktzwarte wolken; Ikabod. Weg eer! Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt. Ze zijn gescheurd, de herders schrokken van het stralende licht, de heerlijkheid des Heeren omscheen hen: zij vonden de ark, zij vonden de Koning; zij vonden het Kind. Door de velden keren de herders naar de kudde terug; verheerlijkende en prijzende God. Het werd al dag, de zon des heils stond aan de kim.
Waar is de ark nu? Spoorloos. Waar is de Koning nu? Spoorloos. Waar is Christus nu? Omdat Hij het is, zitten de kinderen Israels tot vandaag toe, zonder koning en zonder ark. Daarom zingt de gemeente de liederen van Israël, zingt ze Israël vóór. David dichtte menig lied om deze gebeurtenis te bezingen. Hij zong van een opvoeren, van een opvaren. Het ging hoger, dan hij kon voorzien; het ging zo hoog als het Jeruzalem ligt, dat boven is, waar Christus zit, aan de rechterhand des Vaders. Lezen wij de geschiedenis helemaal uit, dan vieren wij hemelvaart. Dat is niet beperkt tot één bepaalde dag. Hoort, de bazuin wordt geblazen: Gij zijt opgevaren in de hoogte. Gij zijt de Koning der ere, van God aan ons gegeven. Gij zijt de ark der verzoening, de ark van de zegen. Heft uw hoofden op gij poorten. Die nedergedaald is, is Dezelfde ook die opgevaren is, ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.
Heft hoofd en hart dan op. Tot in de hemel, waar Christus is, die Zijn gemeente voedt en laaft, regeert en zegent. Nooit valt de ark meer in de handen der onbesnedenen; nooit kunnen mensen en machten de vorst ontvoeren of onttronen. Dwars door het rumoer der volken horen wij telkens het geklank van de bazuin. Worden alle onderdanen van deze Koning, Koning Jezus, er van verzekerd, dat Hij de plaats, die voor Hem werd opengehouden, heeft ingenomen aan het hemelse hof. Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne! Huldigt Hem, die de Zijnen niet verlaat en niet vergeet. Het gaat er vreemd naar toe in de wereld, de haan van de antichrist zal koning kraaien. Wij horen de schorre schreeuw van zijn geweld. Hij zal de ark opzij willen zetten om zijn troon er voor in de plaats te stellen. Zal het hem gelukken? En de tempel Gods in de hemel is geopend en de ark Zijns verbonds is gezien in Zijn tempel — Op. 11 vs. 19 —. De antichrist komt na Christus, dat wil zeggen, hij komt te laat. Christus is hem voor geweest.
Vanuit de hemel, daalt de priesterlijke zegen, de koninklijke gave. De Koning laat Zijn volk niet met lege harten en lege handen huns weegs gaan. Hij nam gaven om uit te delen. Na hemelvaart wordt het Pinksteren. Dan deelt de Koning uit met milde hand. Zeer milde regen druppelt dan neer, de regen van de Heilige Geest gutst als een stroom door het land. Het feest van de gave en van de gaven! Van de Geest en al Zijn schatten en krachten. Een broodkoek, een stuk vlees, een druivenkoek. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest. Christus zorgt vorstelijk voor Zijn gemeente. Het zal haar niet aan het nodige ontbreken. Het zal haar niet aan herders en leraars ontbreken, zegt Paulus in Efeze 4.
Zijn gemeente. Niet veel zaaks smaalt de wereld. Slaven en slavinnen. Maar wat is het een voorrecht, onderdaan van deze Koning te zijn en zodoende te delen in Zijn genade. Zij zullen zich verheugen, niet in wat zij zijn, maar in wat Hij is. Wij weten, dat de ark in het heiligdom is en dat de Koning Zijn kroon met ere draagt. Onze wandel is in de hemelen. Dan springt het hart op van vreugde: Psalmzingt Gode, psalmzingt. Psalmzingt onze Koning, psalmzingt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1969
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1969
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's